Mijn vader heeft gegokt en verloren

FRANK KUITENBROUWER

De rechtzaak over de restitutie van de Koenigs-collectie gaat volgende week een nieuwe fase in. Wilhelm Koenigs, zoon van de kunstverzamelaar, heeft grote bezwaren tegen het procederen. Daarom treedt hij nu voor het eerst in de publiciteit. „De goede naam van mijn vader is in het geding.”

Volgende week buigt de Raad van State als hoogste administratieve rechter zich over de collectie-Koenigs, genoemd naar de vlak voor de oorlog tot Nederlander genaturaliseerde Duitse zakenman en bankier Franz W. Koenigs (1881-1941). Het betreft een claim van een van de kleinkinderen, Christine F. Koenigs, tot restitutie van een aantal werken uit deze collectie die het in bezit van de Staat zijn gekomen. Basis voor de claim is dat hier gaat om ‘oorlogskunst’ die onder druk van de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog onvrijwillig is afgestaan.

De inhoud van deze claim is volgende week overigens niet direct aan de orde. Hij werd in 2003 afgewezen door de toenmalige staatssecretaris Van der Laan (Cultuur) na een uitvoerig advies van de speciale Restitutiecommissie Tweede Wereldoorlog. Volgende week gaat het alleen om de vraag of er bezwaar en beroep mogelijk is tegen deze beslissing. De Staat vindt dat de zaak definitief is afgedaan. Maar deze zomer zei de rechtbank in Amsterdam dat zij toch op de bezwaren van Christine Koenigs tegen de afwijzing moet ingaan. De Staat vecht deze uitspraak nu bij de Raad van State aan.

Het enige nog levende kind van de verzamelaar, de bankier in ruste mr. Wilhelm O. Koenigs (1926), heeft grote bezwaren tegen het geprocedeer van Christine Koenigs over de Koenigs-collectie en de daarmee samenhangende publiciteit. Hij vindt dat „de goede naam van mijn vader, als persoon en verzamelaar, hierdoor ernstig in geding is”. Nadat zijn nicht in 2002 haar restitutieverzoek had ingediend tekende hij al bezwaar aan bij de Restitutiecommissie. Nu de zaak een nieuwe ronde doormaakt, treedt hij voor het eerst naar buiten. Hij wil er nog eens aan herinneren dat er geen sprake is van een claim van de familie Koenigs, maar van slechts één van de veertien kleinkinderen van Franz Koenigs, dat elf jaar na diens overlijden ter wereld kwam.

De Restitutiecommissie hanteerde als maatstaf of ‘zonder de oorlogsdreiging het bezitsverlies van de collectie zich nimmer zou hebben voorgedaan’ en concludeerde dat Christine Koenigs dit niet aannemelijk heeft weten te maken. Het bezitsverlies had „uitsluitend een economische/zakelijke oorzaak”, aldus de Restitutiecommissie die de staatssecretaris adviseerde de claim af te wijzen.

Wilhelm Koenigs is het daarmee eens. „Als enige nog levende kind van Franz Koenigs, de enige die hem in zijn laatste jaren bewust heeft meegemaakt”, zegt hij zich genoodzaakt te zien publiekelijk een reactie te geven op de stappen van zijn nicht. „Daarbij komt dat ik als oud-bankier goed op de hoogte ben van de financiële aspecten en de economische omstandigheden die in de jaren dertig een rol hebben gespeeld.”

Een van deze omstandigheden is de aanzienlijke prijsdaling op de kunstmarkt in het begin van de jaren dertig, gevolgd door een nieuwe daling in 1939-‘40. Daarbij kwam dat de collectie, conform de wens van de verzamelaar, en bloc op de markt werd gebracht, wat prijsdrukkend werkt. Zo bleek de verkoop niet eens voldoende om de hele schuld aan de bank af te lossen.

Wilhelm Koenigs vertelt dat zijn vader kort na de Eerste wereldoorlog medeoprichter was van de Bank Rhodius Koenigs, een Nederlandse bank. Deze speelde – zoals andere banken in dit land – een rol bij de financiering van Duitse bedrijven. Zelf nam de bank voor dit doel vaak geld op in het buitenland (Londen). Door de economische crisis kromp de internationale markt vanaf 1929, terwijl Duitse betalingen naar het buitenland waren geblokkeerd vanwege de zogeheten Stillhalte. Zodoende kwam Rhodius Koenigs in een moeilijk parket; in 1931 werd een aanzienlijke lening bij de bank Lisser & Rosenkranz afgesloten, met de collectie als onderpand. De kunstwerken werd geconsigneerd in het huis van Franz Koenigs aan het Florapark in Haarlem en later in het Museum Boijmans, niet alleen om ze te bewaren maar vooral ook om ze publiek toegankelijk te maken.

Het was altijd de bedoeling dat de grote collectie bijeen zou blijven, zegt Wilhelm Koenigs. Hij zou hij het „schitterend” vinden als Rusland zou overgaan tot teruggave van de werken die het na de oorlog heeft geconfisqueerd, en hij steunt de inspanningen van de Nederlandse Staat ze terug te krijgen. Het verlies van ruim vijfhonderd pronkstukken door de verkoop in 1940 door Van Beuningen is „een hard gelag” geweest voor zijn vader, „een zwarte bladzijde”. Symbolisch noemt hij de tekening van een trekschuit door Giandomenico Tiepolo (1727-1804), die twee pagina’s beslaat. De ene is in Rotterdam, de andere in Rusland.

„De samenhang was essentieel voor mijn vader”, besluit Wilhelm Koenigs. „Hij was een zakenman. Zijn aanvankelijk succes heeft hem gefortuneerd gemaakt, waardoor hij financieel in staat was een verzameling op te bouwen. Aan zakendoen kleven echter ook risico’s, die hij bewust heeft genomen. Hij heeft gegokt en deels verloren. Hij heeft evenwel gewonnen omdat zijn wereldvermaarde, samenhangende collectie ondanks alle financiële en politieke perikelen goeddeels bij elkaar is gebleven en nog tijdens zijn leven een plaats heeft gevonden in het museum dat hij wenste. Het feit dat veel tekeningen inmiddels zijn teruggekomen en het feit dat zijn verzameling internationaal nog steeds bekend staat als de Koenigs-collectie zou hem groot genoegen doen.”

De koenigs-collectie

Franz W. Koenigs (1881-1941) bracht in het eind van de jaren twintig, begin jaren dertig van de vorige eeuw een uitzonderlijke collectie oude meesters tot stand, die vooral bekend is om zijn ruim 2600 tekeningen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog viel deze uiteen. Koenigs had zijn collectie moeten belenen nadat hij in ernstige financiële moeilijkheden was gekomen na de grote beurskrach. Betalingen uit Duitsland werden geblokkeerd door een speciale wet, de zogeheten Stillhalte. Koenigs, die sinds 1923 in Nederland woonde, sloot in 1931 een grote lening bij de Amsterdamse bank Lisser & Rosenkranz van de joodse familie Kramarsky met zijn collectie als onderpand. De verzamelaar bedong wel dat de werken in bruikleen zou worden gegeven aan het Museum Boijmans in Rotterdam.

Vlak voor de Duitse inval van mei 1940 besloot de familie Kramarsky, die naar Amerika wilde vluchten, de bank te liquideren. Daardoor werd de lening aan Koenigs opeisbaar. Toen bleek dat hij de lening niet kon terugbetalen moest hij zijn collectie verkopen. Het Museum Boijmans zag geen kans de koop te financieren. De Rotterdamse havenmagnaat D.G. van Beuningen deed dat wel en kocht de hele collectie tekeningen plus schilderijen van Jeroen Bosch en Peter Paul Rubens. De intentie was de tekeningen onder de naam Koenigs in het Rotterdamse museum bijeen te houden. Het grootste deel kwam ook terecht in het Boijmans, dat sindsdien mede de naam Van Beuningen draagt. Van Beuningen verkocht echter ruim vijfhonderd topstukken, met name oude Duitse meesters, door aan een kunstkoper voor Hitler ten behoeve van het geplande Füher-museum in Linz. Op deze transactie maakte de havenmagnaat zoveel winst dat hij zo ongeveer de aankoop van de hele collectie goedmaakte.

Het aan de Duitsers doorverkochte deel van de collectie is aan het eind van de oorlog door de Sovjet-Unie als ‘oorlogstrofee’ meegenomen uit Duitsland en opgeslagen in het Poesjkinmuseum in Moskou. Nederland probeert al geruime tijd deze te recupereren op basis van het internationale recht en met het argument dat de doorverkoop van de topstukken verboden was (handel met de vijand) en dat ze daardoor aan de Staat vervallen zijn. Ondanks regelmatige herinneringen is het wachten nog steeds op een antwoord van de Russische Federatie. Wel gaf Oekraïne twee jaar geleden 139 tekeningen en 3 prenten terug. Duitsland deed dat eerder.

Gepubliceerd in:
Oorlogskunst
Claim Koenigs