Nieuw leven voor oude kerkmuziek

Door onze redacteur Herman Amelink

Hoofddorp, 29 sept. De Duitse musicologe Ulrike Hascher-Burger heeft 15de-eeuwse liederen uit de Moderne Devotie opnieuw uitgegeven. Muziekensemble Cercamon zal enkele ten gehore brengen bij de presentatie van haar boek in Zwolle.

Van een middeleeuwse monnik is de uitspraak: „Als iemand te lui is om te mediteren, dan moet hij maar zingen. Op die manier ontvlamt de geest vanzelf en dat komt het mediteren ten goede.” Die uitspraak is tekenend voor de functie van de liederen die werden gezongen in de kring van de Moderne Devotie, een religieuze opwekkingsbeweging die in de veertiende eeuw ontstond in het stroomgebied van de IJssel en uitwaaierde over grote delen van West-Europa. De leden van deze beweging leefden, naar het voorbeeld van de eerste christelijke gemeente, in grote eenvoud in broederlijke en zusterlijke gemeenschappen samen. Bekende vertegenwoordigers waren Thomas à Kempis (1379-1471) en Geert Grote (1340-1384). Liederen waren bedoeld om de aanhangers innerlijk bewust te maken van de essentiële zaken van het leven: berouw over de zonde, de dood en het hiernamaals: hel of hemel.

Musicologe Ulrike Hascher-Burger heeft in Singen für die Seligkeit 25 eenstemmige geestelijke liederen uit de Moderne Devotie toegankelijk gemaakt door ze zowel in facsimile als in een moderne editie te publiceren, met een uitgebreide toelichting. Hascher studeerde in Tübingen en Bazel musicologie én codicologie, de discipline die zich bezig houdt met oude handschriften. Ze trof de 25 Latijnse liederen aan als aanhangsel bij een handboek voor geestelijke oefening,De spiritualibus ascensionibus door Gerard Zerbolt van Zutphen (1367-1398), een van de oudste auteurs van de Moderne Devotie. Dat 270 pagina’s tellende handboek, dat wordt bewaard in het Historisch Centrum Overijssel in Zwolle, werd tussen 1483 en 1485 in Deventer gedrukt door Richard Pafraet.

De 25 liederen met muzieknoten waren echter niet gedrukt, maar met de hand geschreven. Ulrike Hascher: „Het kwam bij middeleeuwse boeken wel vaker voor dat twee boeken die niet direct met elkaar te maken hadden, toch in één band terechtkwamen. Dat gebeurde onder andere uit zuinigheid. Maar het is vrij uniek dat een gedrukt boek en een handgeschreven tekst in één band zitten en zo nauw op elkaar betrokken zijn als hier.”

Hascher ontdekte dat met een rode pen aangebrachte aantekeningen in de marge van het handboek, kennelijk ten behoeve van de dagelijkse meditatie, van dezelfde persoon zijn die ook een deel van de liederen heeft genoteerd. Ze acht het waarschijnlijk dat boek en liedbundel gezamenlijk gebruikt werden voor de boetemeditaties. „De bundel bevat eigenlijk gebruiksmuziek. Ik stel me voor dat liederen als een soort mantra’s werden gezongen, bij voorbeeld tijdens het werk. Je kunt het een beetje vergelijken met de manier waarop liederen in de hedendaagse Taizé-broederschap worden gebruikt.”

De notatie van de melodieën, die afkomstig zijn uit de Gregoriaanse kerkmuziek, is het werk van twee mensen. De tweede gebruiker heeft bij een aantal liederen melodieën ingevuld waar deze nog ontbraken. Kennelijk heeft hij ook veranderingen aangebracht. Op sommige pagina’s schemert de eerste versie nog door de latere correctie heen. Sommige melodieën zijn uit andere bronnen bekend, maar hebben een nieuwe tekst gekregen. Van een aantal liederen kan de herkomst worden vastgesteld, één tekst kon herleid worden tot de twaalfde eeuw. Vier liederen zijn ‘unica’, liederen waarvan tekst en/of melodie niet elders voorkomen.

Een aantal liederen begint met fraaie sierletters. De vormgeving wijst erop, aldus Hascher, dat ze getekend zijn door iemand uit het graafschap Holland, misschien ook Utrecht. De voorkant van de boekband waarschuwt: respice finem, wees bedacht op het einde. Op de achterkant staat een pelikaan afgebeeld, waarvan men meende dat die zijn jongen voedde met zijn eigen bloed – een verwijzing naar het bloed van Christus, dat in de vorm van de miswijn geestelijke voeding biedt.

Gepubliceerd in:
Kunst & Film