Kinderboekenweek geopend

Kinderen op het 'Lyrisch Kinderboekenbal' in het Muziekgebouw  aan het IJ in Amsterdam.
Door onze redacteuren Karel Berkhout en Marieke van Twillert

Amsterdam, 1 okt. Jari (8) denkt één seconde na over de vraag of hij een dichtregel kent en zegt: ‘Ik hou van jou/jij ook van mij?’ en vervolgt: „Ik ken er nog een. ‘Geen druppel van de zee is alleen.’” In zijn klas op IJburg hebben ze het pas over poëzie gehad.

Poezië is het thema van de 54e Kinderboekenweek die vandaag is begonnen. Bij het ‘Lyrisch Kinderboekenbal’ dat gisteravond in het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam plaatsvond, waren er voordrachten, gedichten en gezongen versjes op het podium. Zoals Als je er nog bent, mooi gebracht door Huub van de Lubbe, de lotgevallen van Edward van de Vendels Super guppie op muziek van Edwin Schimscheimer.

Maar hoe zit het met de parate kennis van versjes en kinderpoezië. Wie in het publiek kan een versregel, of meer, reciteren?

Henk Kraima, directeur van de CPNB, de organisator van de Kinderboekenweek, komt aanvankelijk niet verder dan ‘Jantje zag eens pruimen hangen’ en het noemen van de naam Annie M.G. Schmidt. „Ik ben van 1950, in mijn tijd werd nog geen goed les gegeven in poezië, zoals later wel bij mijn dochters gebeurde.” Even later herstelt Kraima zich: „‘Als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles gekleurd is’, van K. Schipper.” Ach wat, kinderpoezië, zegt Kraima. „Wat doen die leeftijdsgrenzen ertoe, kijk naar Paul van Ostaijen.”

„Ik ben de blauwbilgorgel”, roept Lydia Rood, die vorig jaar het Kinderboekenweekgeschenk Kaloeha Dzong schreef. Ze barst vervolgens in een griezelig vers uit ‘Achter de bomen’. „Dat zei mijn vader altijd om ons bang te maken en ik kreeg er mijn dochter, nu 23 jaar, toch ook heel bang mee. Mijn vader kende veel gedichten uit zijn hoofd, ik zelf alleen maar telefoonnummers.”

Hans Hagen, schrijver van het Kinderboekenweekgeschenk Vlammen, weet vlak voordat hij ‘op moet’ even geen minder bekend gedicht dan Dit is de spin Sebastiaan/ het is niet goed met hem gegaan. „Mag het niet een gedicht van mezelf zijn? Ik ben nu zo warrig als wat. Mijn vrouw die kent er veel.” Inderdaad zegt Monique Hagen zonder haperen: „Een koe uit Apeldoorn, die had haar staart verloren, zomaar midden in de week.”

Schrijfster Betty Sluizer zegt onder meer het hondjesgedicht van Godfried Sluizer op, maar kent ook haar eigen gedichten het best. Acht lange giraffen/ gingen samen stappen. Weet je wat ze aten?/ Achtentachtig appelflappen. Oké, heb je hem? Komt uit een boek met gedichten over de letters van het alfabet.”

Dichter Koos Meinderts kent niet één gedicht helemaal uit zijn hoofd: „Flarden. Dat is toch wat overblijft van een gedicht, enkele regels.” Hij citeert uit Het huwelijk van Elsschot. Zijn vrouw, de illustratrice Annette Fienieg, onderbreekt hem: „Met De Dapperstraat van Bloem moeten we toch een eind kunnen komen.” Ze citeert vlot de regels.

Illustrator Jeska Verstegen kent „verschillende gedichten uit haar hoofd”, hoewel geen kinderpoëzie, en vraagt of het ook Shakespeare mag zijn. To be or not to be, zegt ze, en ook alle minder bekende zinnen die erop volgen. „Bij ons in de familie was het traditie om op je achttiende verjaardag Shakespeare te krijgen. Ik weet nog dat mijn moeder, gezeten in een antieke stoel, met me praatte over de betekenis van het gedicht.” En het is zo wáár, dat gedicht, zegt Verstegen die net het prentenboek Een koekje bij de T uitbracht. „Ik vertaal het als: in je leven kom je van alles tegen, moeilijke dingen soms. Onderga het. Die manier van leven ben ik ook aan het gebruiken in mijn werk. Ik ben gaan spelen met de donkerzijde in mijn tekeningen.”

Schrijfster Marjolijn Hof, die vorig jaar met Een kleine kans de Gouden Griffel won, is op haar beurt groot geworden met een vermaarde bloemlezing van Annie M.G. Schmidt. „Daardoor kende ik Landschap van Marsman als eerste gedicht uit mijn hoofd”, vertelt Hof. Moeiteloos zegt zij het vers op: „Geen kindergedicht hè.

Yvon (10) en Rianne (10) uit Delft hebben poëzie in hun klas behandeld. „De leeuw is los, de leeuw is los, hij wandelt door de straten. Van Annie M. G. Schmidt”, denkt Yvon. Maar de meeste ondervraagde kinderen kennen zelf nauwelijks een dichtregel. „Dikkertje Dap zat op de trap, meer niet”, zegt Germaine (7 jaar), Lyonne (9 jaar) mompelt iets over Hansepanse kevertje. En Maaike kent nog een regel over een spinnetje met een vriendinnetje. Moeder Eveline Muller kent van vroeger nog een vrij stichtelijk vers: „Maar wij hadden nog poesiealbums, waar we gedichten in lieten schrijven. Tegenwoordig heb je vriendenboeken met allemaal voorgedrukte vragen.”

Kinderen schríjven wel graag gedichten, heeft schrijfster Anna Woltz gemerkt. Ze leest op scholen geregeld haar autobiografische verhaal voor over haar ouders hond die ooit afgemaakt moest worden. „In dat verhaal zit een gedicht over mijn hond en dan nodig ik de kinderen uit een gedicht te schrijven over iets dat belangrijk voor hen is”, zegt Woltz. Vaak zijn dat dieren – pony’s! – en familieleden: „Een jongen wilde een gedicht maken over zijn ouders: ‘omdat die zo goed voor me zorgen’.

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Kunst & Film
Kunst