Turner Prize laat kijker raden

Door Hans den Hartog Jager

De genomineerden voor de Turner Prize zagen geen koeien meer door, maar presenteren subtiel gelaagd werk. Ze tonen veel, maar geven weinig; de toeschouwer moet gissen.

Londen, 11 okt. Tien jaar geleden gold de Turner Prize als een van de belangrijkste exponenten van de toenmalige revival van de jonge Britse kunst. De Turner was ‘hot’; mensen keken reikhalzend uit naar de nominaties en kunstenaars als Damien Hirst, Chris Ofili of Grayson Perry gebruikten die aandacht om zichzelf nadrukkelijk te presenteren als jong, tegendraads en provocerend. Daarmee trokken zowel zijzelf als de prijs veel aandacht.

Maar tegenwoordig is dat allemaal anders. De Young British Artists zijn niet jong meer en de Turner Prize maakte een draai van 180 graden. Sterker nog: de expositie van de vier genomineerden van dit jaar (uitreiking 1 december) is een van de meest hermetische die ik in maanden zag. Niks travestiete pottenbakkers, olifantendrollen of doorgezaagde koeien. Runa Islam, Mark Leckey, Goshka Macuga en Cathy Wilkes vallen vooral op doordat ze alle vier subtiel en gelaagd werk presenteren, vol met verwijzingen naar (kunst)geschiedenis, sociale- en culturele verschillen, feminisme en filmtechniek.

Dat past overigens wel uitstekend in de ontwikkeling die je bij steeds meer kunstenaars ziet, van Wendelien van Oldeborgh (nu in Tent in Rotterdam) tot Deimantas Narkevicius, onlangs winnaar van The Vincent. Narkevicius bijvoorbeeld, speelt een subtiel spel met de geschiedenis van zijn geboorteland Litouwen, het communisme en propagandafilms uit die tijd. Dat levert verwarrende, intrigerende kunstwerken op, maar doordat daarbij allerlei werkelijkheden nadrukkelijk over elkaar heen buitelen, moet je als toeschouwer flink aan de bak.

Op het eerste gezicht is het dus een prettige ontwikkeling dat juist de Turner, een prijs die nog steeds veel krediet heeft, diezelfde diepte durft op te zoeken. Alleen: met Mark Leckey en Goshka Macuga treft de prijs bepaald niet de beste vertegenwoordigers van dit soort kunst. Macuga toont twee beelden die wel iets hebben van het werk van de minimalistische beeldhouwer Dan Graham, maar die in werkelijkheid verwijzen naar het oeuvre van Lilly Reich, de partner van Mies van der Rohe. Daarachter hangt een reeks montages waarin foto’s van het kunstenaarsechtpaar Paul Nash (een bekende Engelse ‘war artist’) en Eileen Agar worden gecombineerd. Het is geconcentreerde kunst, maar voor de toeschouwer die niet direct de verhoudingen tussen Reich, Van der Rohe, Nash en Agar paraat heeft, is het veel te hermetisch.

Iets soortgelijks geldt voor de grote installatie van Mark Leckey, al komt hij zijn publiek wel meer tegemoet. Leckey’s installatie is gebaseerd op een veertig minuten durende lezing van Leckey zelf over kunst, beeld en strips. Die lezing is in zijn geheel te zien; zijn beelden verwijzen daar weer naar. Toch kom je er als toeschouwer niet helemaal uit: Leckey’s werk is een groot ingenieus stelsel van verwijzingen naar onder anderen Jeff Koons, de stripfiguur Felix the Cat en Philip Guston, maar waar Leckey zelf nou staat wordt niet erg duidelijk.

Toch is Leckey’s werk nog een toonbeeld van helderheid in vergelijking bij Cathy Wilkes. Haar werk maakt je bijna nostalgisch: een klassieke troepinstallatie. Deze bestaat uit twee supermarktkassa’s waar omheen tientallen voorwerpen zijn uitgestald: paspoppen, stapels bakstenen, hoefijzers, schaaltjes, bakjes theepotten en een grote witte ladder – allemaal decorstukken in een toneelstuk dat je zelf mag verzinnen. Maar dat is ook meteen het probleem, net als bij het werk van Macuga en Leckey: de kunstenaars laten hun toeschouwers te veel dobberen. Ze tonen veel, maar geven te weinig, zijn net niet genereus genoeg om je als toeschouwer geprikkeld te voelen – wat alleen maar erger wordt doordat je bij alle drie het gevoel hebt dat er wel degelijk een soort clou of crux te halen valt. Die dus uitblijft.

Precies om die reden gaat Runa Islam dit jaar vermoedelijk de Turner Prize winnen. Ook de drie films die zij toont zijn geconcentreerd, complex en gelaagd, maar Islam is net wat guller dan haar concurrenten.

Dat geldt voor Be the First to See What You See as You See It waarin in slow motion allerlei semimuseaal serviesgoed (kannen, kopjes) op een vloer uiteenspat – een curieus, verstild, maar spannend gezicht. En juist die balans tussen spanning en verstilling leidt ook tot het beste werk van deze tentoonstelling: Islams film First Day of Spring. Daarin zien we een groepje riksjarijders stil staan onder een groep bomen. Ze doen niks, zeggen niks en rijden niet. Ze wachten. Maar waarop? Op klanten? De lente? Het leven? Intussen verglijdt het licht, de bladeren ruisen en langzaam krijgt het stilstaan van deze normaal zo mobiele mannen iets meditatiefs. Alsof Islam wil laten zien dat stilte soms meer dan genoeg kan zijn. Dat het werkt, blijkt als op het einde de wind opsteekt en de rijders er vandoor gaan – plotseling merk je dat je teleurgesteld bent dat ze zijn vertrokken.

Ook hier: geen oplossingen, geen verklaringen. Maar soms, zo laat Islam zien, is dat genoeg. Meer dan genoeg.

Gepubliceerd in:
Kunst & Film