Bariton Jan Derksen geëerd met buste
In de Stadsschouwburg van Amsterdam staat sinds dit weekend een buste van de legendarische bariton Jan Derksen (1932-2004). Sopraan Pauline Tinsley: „Jan wás Macbeth.”
Amsterdam, 13 okt. „Jan Derksen was een ‘gentle giant’, een vriendelijke reus. Tot hij het podium opkwam als Nabucco of Macbeth. In de waanzinscène in Nabucco maakte hij me soms bang. Die blik in zijn rollende ogen! Hij zag er echt uit alsof hij gek geworden was. Dat heb ik nooit bij iemand anders gezien. Hetzelfde in Macbeth. Het was niet Jan Derksen die Macbeth zong, het was Macbeth zèlf die daar stond.”
De Engelse sopraan Pauline Tinsley (80) haalt herinneringen op aan de Nederlandse bariton Jan Derksen, die in 2004 op 72-jarige leeftijd overleed. Ze zong tussen 1971 en 1976 met Derksen bij de Nederlandse Opera: drie keer in Nabucco, in Aida en in Macbeth. Dat was nog in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Het Muziektheater ging pas in 1986 open.
Vrijdag was Pauline Tinsley terug in de Stadsschouwburg voor een feestelijke bijeenkomst van de stichting Jan Derksen. De portrettengalerij van de Schouwburg werd verrijkt met een bronzen kop van Jan Derksen, gemaakt door Jessica Folkerts, de weduwe van dirigent Hans Vonk. En Tinsley kreeg de eerste set van vier boxen met elk vier cd’s met Verdi-opnamen van Jan Derksen. De Macbeth met Derksen en Tinsley uit 1976 staat er compleet op.
Jan Derksen was een gedreven zanger met een enorme présence op het podium, bij uitstek een dramatische Verdi-bariton. Hij maakte een grote carrière in Nederland en zong met succes in het buitenland. Zijn Italiaanse debuut was in 1971 in Verdi’s Un ballo in maschera, gedirigeerd door Riccardo Muti.
Derksens Macbeth-voorstelling met Pauline Tinsley als Lady Macbeth is nog steeds legendarisch bij de oudere operabezoekers. Hans Reichenfeld schreef destijds in deze krant over „tandenknarsende tragiek, door Derksen raak neergezet met imposante, ruige zang.”
Tinsley zelf was ook onvergetelijk als Lady Macbeth: ijzingwekkend wanneer ze Macbeth aanzette tot de ene moord na de andere, om zo koning te worden. Schimmig en spookachtig was ze in de scène Una macchia è qui tuttora , waarin ze vergeefs het bloed van haar handen probeerde te wassen.
Reichenfeld: „Rauw en gesmoord om beurten was haar zang, met kil fonkelende fiorituren in het drinklied en van een furieuze gloed als zij Macbeth de prooi ziet worden van geestelijke ontreddering. Haar eigen ontreddering: als zij onthult wat onder het pantser van kille berekening in haar ziel woedt, kwam als een schok in de slaapwandelscène.”
Het was nog de tijd dat niet de conceptuele aanpak van dramaturg en regisseur bepalend waren voor de voorstelling, maar het naturalistische en expressieve inlevingsvermogen van de zangers. Derksen en Tinsley waren daarin aan elkaar gewaagd.
Tinsley: „Ik trok me het lot van Lady Macbeth erg aan. Iemand die me echt goed kende, vroeg me eens: ‘Pauline, gaat het wel goed met je?’ Uiteindelijk heeft Lady Macbeth wroeging over de dood van de vrouw van Macduff en hun kinderen. Ik had zelf medelijden met Lady Macbeth. Ik vond dat als het publiek in de zaal na die scène niet ook medelijden met haar had, dat ik het niet goed had gedaan.”
Pauline Tinsley heeft een opmerkelijke plaats in de Nederlandse operahistorie. Haar ‘Hollandse carrière’ duurde vijftig jaar. Ze was hier voor het eerst in 1951, toen ze nog in haar studietijd in het Holland Festival zong en danste in Purcells Dido and Aeneas, gedirigeerd door Benjamin Bitten.
Na de producties met Jan Derksen zong ze twee keer de extreem heftige titelrol in Strauss Elektra in de schokkende enscenering Harry Kupfer. Die voorstelling – spelend in het huis van Agamemnon als abattoir – was in 1980 het begin van een nieuwe regiestijl bij de Nederlandse Opera. Bij Opera Forum zong ze in Brittens Albert Herring, in 1997 en 2001 was ze in het Muziektheater de grootmoeder in Janáceks Jenufa.
Tinsley verklaart haar lange carrière met haar zorgvuldige repertoirekeuze. „Ik ben nooit een dramatische sopraan geweest, zoals iedereen zei. Ik was een dramatische coloratuursopraan in Mozart, Donizetti en Bellini. Wagner en Strauss kwamen pas veel later.”
Op dezelfde manier beperkte Jan Derksen, die in Nederland in 48 operaproducties zong, zijn repertoire: veel Verdi, daarna Canio in Pagliacci, Scarpia in Tosca.
Later pakte de bariton Derksen er wat hoge noten bij en zong hij als tenor: Cavaradossi in Tosca, de titelrol in Parsifal, in 1986 de titelrol in Otello in Dresden met Hans Vonk als dirigent.
De zestien cd’s Jan Derksen sings Verdi, samengesteld door Walter Knoeff, documenteren een belangrijk deel van de Nederlandse operageschiedenis en bieden naast complete opnamen van Nabucco, Macbeth, I due Foscari en Simon Boccanegra delen uit negen andere Verdi-producties. Naast Derksen hoort men onder anderen Cristina Deutekom, Robert Lloyd, Niel Shicoff, Henk Smit en Adriaan van Limpt, ooit door het Amerikaanse blad Variety uitgeroepen tot ‘de vierde tenor’, na Pavarotti, Domingo en Carreras. Onder de dirigenten is ook Bernard Haitink in de eerste acte van La traviata.
