Schrijver Martin Bril (49) overleden

Martin Bril in 2002.
Door Ward Wijndelts

Schrijver en Volkskrant-columnist Martin Bril is gisteren op 49-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van darmkanker. ‘De zaak loopt eerder uit de hand dan dat de ziekte zich timide ergens in een verborgen hoekje van het lichaam terug heeft getrokken,’ schreef hij vorige maand in een van zijn laatste columns.

Rotterdam, 23 april. ‘Goede morgen, daar ben ik dan’, schreef Martin Bril twee weken geleden in zijn eerste column op pagina 1 van de Volkskrant. ‘Ik had liever nog twee jaar gewacht, maar omstandigheden dwongen de krant mij deze ereplaats nu al aan te bieden.’ Het was een droom van de vandaag op 49-jarige leeftijd overleden columnist Martin Bril: een vaste plek op de voorpagina. Maar toen die droom twee weken geleden uitkwam, wist Bril al dat hij stervende was.

Sinds twaalf jaar (eerst in Het Parool, daarna in de Volkskrant) vertelde hij ‘van het leven en van het land’ zoals Bril zijn kroniek zelf typeerde in een interview in Vrij Nederland. ‘Als je dat dag na dag doet, en je legt een paar jaar achter elkaar, dan schrijf je uiteindelijk een geschiedenis van hedendaags Nederland.’

Bekijk een uitzending van tv-programma who's next (3 oktober 2006), dat hoorde bij nrc.next, met Martin Bril:

Brils schare lezers groeide de afgelopen jaren gestaag. Hij schreef zijn columns, op het snijvlak van journalistiek en literatuur, in een dwingende stijl, terwijl ze vaak over niets leken te gaan. Freejazz, noemde Hans Goedkoop het ooit in deze krant. ‘In al zijn kleinheid is dat grote kunst die bijna geen auteur beheerst. Het gaat over niets, maar op de manier waarop geluk niets is, ongrijpbaar, weg voor je het weet, een geur waar je geen naam voor vindt’, aldus Goedkoop. Bril stond met zijn grote-stads-miniaturen in een ongebruikelijke Nederlandse traditie, waar ook Remco Campert, Kees van Kooten en Simon Carmiggelt behoren.

Zijlijn

Bril groeide op in een christelijk middenstandsgezin in Utrecht, Gelderland en Friesland. Sinds vijfentwintig jaar woonde hij in Amsterdam, maar Bril is nooit grotestadsbewoner geworden. Hij bleef aan de zijlijn staan, voelde tegelijk goed aan wat er op het veld, in de stad, gebeurde. De randstedeling genoot van de manier waarop hij de provinciaal zachtmoedig karikaturiseerde, en andersom werd er van zijn scherpe portretten van grootstedelijke arrogantie gesmuld in de provincie.

Bril zal voor veel lezers de geschiedenis ingaan als de chroniqueur van kleinmenselijke verhalen, maar hij had al een lange weg afgelegd toen hij in 1997 zijn dagelijkse column in Het Parool begon. Hij was een typische exponent van de ‘verloren generatie’ die in de jaren tachtig grote moeite had een plaats te vinden in de maatschappij en in de literatuur.

Hij studeerde filosofie in Groningen (wat hij niet afmaakte) en belandde in de jaren tachtig in Amsterdam, in het hippe, lichtelijk overstuurde kunstenaarswereldje waar ook de schilder Rob Scholte en de latere schrijver Joost Zwagerman deel van uitmaakten. Het leidde tot een kennismaking met de wereld van kunst en cocaïne, en tot zijn eerste schreden op het schrijverspad.

In Arbeidsvitaminen, het ABC van Bril en Van Weelden (1987) schetsen schrijver-filosoof Dirk van Weelden en hij in een postmodernistische verzameling teksten – korte verhalen, gedichten, essays, dialogen, moppen, brieven en liedjes – hun wereldbeeld.

Werkdrift

Pas in de apolitieke jaren negentig vond Bril zijn vorm, die hij deels dankte aan een verblijf als writer in residence in de Verenigde Staten begin jaren negentig, waar hij gegrepen werd door de stukken in The New Yorker, die ‘een soort gulden snede voor de journalistiek’ hanteerde. ‘Geen feit mag ongecontroleerd blijven, geen woord mag verkeerd staan, één woord te veel is méér dan één woord te veel, namelijk verspilling’, aldus Bril in Het Parool. Afgekickt van drank en drugs, en inmiddels getrouwd en vader, stortte hij zich met een bezeten werkdrift op zijn dagelijkse column. Eindelijk had hij de plaats gevonden (de grote stad) en de formule (nonchalant maar precies observeren).

Bril de freestylende observator, hij was erbij. Als een minister ergens in het land een partijbijeenkomst kwam opluisteren, dan zat Bril in het zaaltje. Zoals een van Brils voorbeelden, Jimmy Breslin, die in de jaren zestig schreef voor de New York Herald Tribune en ‘ontdekte’ dat je als columnist gewoon het redactielokaal uit kunt lopen, zomaar zélf dingen kunt meemaken. En in dat zaaltje waar de partijbijeenkomst wordt gehouden, zag Bril niet het nieuws, maar de kleinigheden om het nieuws heen: een kledingstuk, een blik, een losse opmerking, een mislukt detail dat de ceremonie bijna bederft. Altijd had hij oog voor het melancholieke decor waartegen alle menselijke drukte zich afspeelde. Ook dankzij Breslin: een meester in het verzamelen van ‘literaire’ details.

Nieuws leverde dat niet op, want Bril was dan wel verknocht aan de krant, een echte verslaggever was hij niet: uiteindelijk ging het om zíjn eigen mijmeringen en associaties. Juist dat maakte hem zo populair bij de lezers: geen pretentie, maar wel er bij zijn.

Rokjesdag

Het observeren uitte zich ook in de precisie waarmee Bril ieder jaar rokjesdag uitriep, de eerste zomerse dag van het jaar waarop, alsof op afspraak, alle vrouwen op straat een rokje lijken te dragen. Het lijkt op wat zijn meest favoriete schrijver deed, E.B White van The New Yorker. Bril heeft rokjesdag, White maakte er een sport van om als eerste van New York de nieuwe krokussen te spotten.

Bril was een veelschrijver. Ruim veertig boeken publiceerde hij. Gebundelde columns, maar ook romans, poëzie, boeken over Evelien, het hoofdpersonage uit de in feuilletonvorm verschenen gelijknamige zedenschets. En hij wist veel van popmuziek, ontving de Pop Pers Prijs 1997.

Kort nadat hij in 2001 overstapte van Het Parool naar de Volkskrant kreeg Martin Bril darmkanker. Lang leek hij genezen maar vorig voorjaar keerde de ziekte terug. Bril sprak er zo min mogelijk over in zijn columns. De laatste weken kon hij er echter niet meer omheen. ‘En met mijn kanker gaat het al ook niet zo lekker, ik bedoel; de zaak loopt eerder uit de hand dan dat de ziekte zich timide ergens in een verborgen hoekje van het lichaam terug heeft getrokken.’ (9 maart). En vorige week: ‘Ineens had ik een rolstoel nodig, geen kracht meer in mijn benen.’

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Kunst & Film
Nieuwsbrief