Frédéric Bastet (1926-2008)

F. Bastet.
door Kester Freriks 

Hij had een ‘raar oeuvre’, vond hij zelf. Frédéric Bastet was een culturele wandelaar. Door eeuwen, en langs kunstenaars.

Dichter en archeoloog, classicus en biograaf, essayist, hoogleraar en auteur van lichtvoetige memoires, verdienstelijk pianist en kenner van klassieke muziek: op 29 juni 2008 overleed Frédéric Bastet in Oegstgeest. Hij werd 81 jaar.

Bij de aanvaarding van de P.C. Hooftprijs in 2005 noemde Bastet zich de auteur van een ‘raar oeuvre’ waar, naar eigen zeggen, ‘geen kop of staart aan te ontdekken is’. Deze subtiele vorm van ironie tekende Bastet. Zijn eruditie ging altijd gepaard met een geraffineerde speelsheid, waarin hij de grenzen van de verschillende genres verkende. Terecht roemde de jury zijn biografie over Louis Couperus uit 1987 als de ‘keizerin van het essayistische genre’.

Bastet werd op 20 september 1926 in Haarlem geboren. Als één Nederlandse schrijver de classicus inspireerde, dan was het Couperus. Zijn schrijfwijze en leefstijl, zijn werkkracht en verfijnde weergave van menselijke verhoudingen is voor de biograaf altijd een leidraad geweest. In zijn biografie smeedde Bastet een hechte band tussen het fictieve werk van zijn held en diens feitelijke leven, een methode die even boeiend als omstreden is. In elk geval stond 'Louis Couperus. Een biografie' aan het begin van de opleving van de Nederlandse schrijversbiografie.

Zijn liefde voor de antieke wereld uitte hij in titels als Duizendjarig dolen (1978) en Het maansteenrif (1979) die hij presenteerde als ‘wandelingen’, door het fysieke Griekenland en door de eeuwen heen. Op begenadigde wijze wist Bastet zijn passie vorm te geven met veelzeggende details, aanstekelijke anekdotes en als vanzelfsprekend gepresenteerde kennis.

Ondertoon van al zijn werk was een melancholie; om de vergankelijkheid van alles, om verloren paradijzen. Het was vooral de negentiende eeuw die Bastet boeide en die hij beschouwde als de eeuw waarin hij had moeten leven. Zijn manier van spreken had ook iets negentiende-eeuws: spitsvondig, verzorgd en met verfijnde spotzin. Met het ‘biografisch essay’ Helse liefde (1997) zocht Bastet opnieuw de grenzen van de romankunst op: met inleving portretteert hij zijn helden Frédéric Chopin, Franz Liszt, George Sand en Marie d’Agoult in even artistieke als erotische verbintenissen.

Tot zijn laatste publicaties behoren de memoires De grote wandeling. Hierin ‘wandelt’ Bastet langs onder anderen Pyke Koch, Ellen Vogel en Gerard Reve. Hij erkent in het boek dat zich in zijn ‘raar oeuvre’ een constante bevindt, namelijk zijn obsessie ‘voor het voorbijgaan van de tijd’. Al schrijvend heeft hij die tijd teruggevonden.

Gepubliceerd in:
Necrologieën 2008