Christine D’haen (1923-2009)

Christine D’haen, 1992
door Kester Freriks

Christine D’haen schreef tegen de tijdgeest in. Haar poëzie werd bewonderd en verafschuwd.

In haar autobiografische boek Zwarte sneeuw uit 1989 schrijft de op 3 september 2009 overleden Vlaamse dichteres Christine D’haen: „Het is mijn panische angst die mij dag en nacht kwelt: dat ik verloren zal gaan, mijn ziel zal verloren gaan, mijn wezen, mijn zin.”

Christine D’haen was al twee jaar ernstig ziek. Ze is 85 jaar geworden. Het katholieke milieu in Sint-Amandsberg bij Gent speelt zowel in haar autobiografische proza als in haar poëzie een belangrijke rol. Na haar studie Germaanse filologie gaf ze les in het middelbaar onderwijs.

In 1958 verscheen haar eerste bundel Gedichten 1946-1958 die in de tijd van de uitbundige Vijftigers opviel door een klassieke vormbeheersing. Haar werk kreeg, juist door dat dwarse vormbewustzijn, veel aandacht. In 1960 kreeg ze de Van der Hoogtprijs. Tal van onderscheidingen volgden, zoals de Anna Bijns Prijs en in 1992 de Grote Prijs der Nederlandse Letteren.

In 1987 verscheen haar dichtersbiografie over Guido Gezelle, De wonde in ’t hert. Hierin onderzoekt ze de complexe verhouding tussen de dichter Gezelle en zijn priesterschap en homoseksualiteit. Zij probeert werk en leven met elkaar te verbinden, altijd een hachelijke zaak. Het idee voor deze poëtische biografie ontstond min of meer door toeval: d’Haen werd gevraagd de handschriften van de Gezelle te inventariseren.

Haar poëzie heeft behalve bijval ook kritiek geoogst. Vooral de talloze verwijzingen naar grote voorgangers als Dante, Milton, Rilke, Joyce en haar uiterst complexe, vaak excentrieke woordvindingen en syntactische constructies riepen kritiek op. Titels als Onyx, Merencolie, Morgane en Dodecaëder/ Dantis meditatio zijn inderdaad niet alledaags te noemen. D’haens poëzie is er een van associaties en verwijzingen naar bijbelse, alchemistische en mythologische werelden.

Dat er ook een andere, aardser en persoonlijker schrijfster in haar schuilt, bewijst de intieme prozabundel Uitgespaard zelfportret (Meulenhoff, 2004) waarin ze meeslepend schrijft over haar ontdekking van de poëzie en een groep aankomende kunstenaars met wie ze in Amsterdam optrok. Haar motto destijds luidde: „Geen dichterschap zonder studie”. Daaraan heeft ze zich haar dichterleven lang gehouden.

Gepubliceerd in:
Necrologieën 2009