José Saramago (1922-2010)
De Portugese schrijver José Saramago kwam uit een straatarm daglonersgezin. Die afkomst is mede bepalend geweest voor zijn oeuvre.
De Portugese schrijver en Nobelprijswinnaar José Saramago, die op 18 juni 2010 op 87-jarige leeftijd overleed, heeft de kenmerkende stijl van zijn dialogen bij toeval gevonden.
Zo’n twintig bladzijden was hij al gevorderd in de roman Opgestaan van de grond, die hem eind jaren zeventig in Portugal zijn eerste literaire roem zou opleveren, toen hij besefte niet verder te kunnen. Ten einde raad draaide hij een vel papier in de typemachine en begon in het wilde weg te schrijven: een dialoog zonder onderbreking of regelscheiding, waarin feiten, commentaar en laconieke bijgedachten onontwarbaar door elkaar lopen. Plotseling kreeg het boek vaart en een eigen toon. Die toon en stijl heeft Saramago daarna niet meer losgelaten.
Een volgzaam mens is Saramago nooit geweest en zijn communistische overtuiging heeft hij nooit verloochend. In Opgestaan van de grond, waarin Saramago het lot beschrijft van de arme plattelandsbevolking waaruit hij zelf afkomstig was, is ze nog op een wat traditionele manier aanwezig. Gaandeweg kreeg de fantasie, soms met een magisch-realistisch randje, meer greep op zijn romans. Als een bom sloeg in 1995 zijn roman De stad der blinden in: een allegorisch verhaal over de menselijke hang naar het kwade en de mogelijkheid van verlossing door het goede.
Drie jaar na het verschijnen van De stad der blinden werd hem de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend. Toen Opgestaan van de grond verscheen was Saramago al 58 jaar oud. Nog twee jaar ouder was hij toen hij met zijn roman Memoriaal van het klooster internationaal de aandacht op zich vestigde. Daarna ging het snel.
De Nobelprijs was een bijna sprookjesachtige bekroning van de literaire loopbaan van een man die in 1922 geboren werd in een straatarm daglonersgezin op het Portugese platteland. Als gevolg van een ambtelijke vergissing werd hij niet onder zijn familienaam Sousa in de burgerlijke stand ingeschreven, maar onder de naam Saramago: de bijnaam van zijn vader.
Al snel verhuisde het gezin naar Lissabon, waar de economische omstandigheden er niet beter op werden. Slechts een paar jaar kon de goed lerende Saramago naar het lyceum. Daarna zagen ouders zich gedwongen hem over te plaatsen naar de gratis ambachtsschool. Na de afronding daarvan kwam hij via twaalf ambachten en dertien ongelukken als drukker in de krantenwereld terecht. Daar maakte hij kennis met de toen nog illegale communistische partij, waarbij hij zich in 1969 aansloot.
Gaandeweg begon Saramago zelf artikelen te schrijven, werd literair criticus en politiek commentator, bestuurslid van de Portugese Schrijversbond en na de Anjerrevolutie adjunct-hoofdredacteur van de Diário de Notícias. Lang bleef hij dat niet. In de politieke strijd die kort na de revolutie uitbrak tussen socialisten en communisten, dolf de communist Saramago al na zes maanden het onderspit. Hij besloot zich voortaan aan het schrijverschap te wijden: een gewaagde stap voor een man die nog maar één novelle op zijn naam had staan – en deze ook nog eens sinds lang als jeugdzonde verloochend had.
In Memoriaal van het klooster beschijft hij hoe een Portugese koning een megalomaan klooster laat bouwen, waarvoor de bevolking de lasten en de arbeid moet opbrengen. Maar daarnaast laat Saramago ook een liefdesgeschiedenis opbloeien tussen de met bovennormale gaven begiftigde Blimunda en de fantasievolle Baltasar, die hij in het begin van de achttiende eeuw het eerste vliegtuig laat bouwen.
Scherp kwam Saramago in botsing met de katholieke kerk, toen hij in 1991 zijn eigen ironische versie van het evangelie publiceerde: Het evangelie van Jezus Christus. Opnieuw koos hij partij voor de nuchterheid van het gewone volk, dat met de hoogdravendheid van de machthebbers niets van doen heeft, en beschreef hij op hilarische wijze hoe een nogal naïeve Jezus als een schaakstuk wordt gebruikt door een cynische God die nauwelijks van de duivel te onderscheiden is. Onder druk van de kerk trok de Portugese regering het boek, voorgedragen voor de kort daarvoor ingestelde Europese Aristeion-prijs, als inzending terug. Uit protest verliet Saramago het land om zich te vestigen op het Spaanse eiland Lanzarote, waar hij vrijwel tot aan zijn dood gewoond heeft.
Saramago schreef een vijftiental romans, waarvan alleen de allervroegste niet in het Nederlands zijn vertaald. Ze zijn doortrokken van bekommernis om gewone, onaanzienlijke mensen van wie uiteindelijk het welzijn van de wereld afhangt. Scherp contrasteert Saramago hen met het cynisme van de machthebbers, die hij steevast in de meest bijtende bewoordingen beschrijft. Om dit humanisme werd hij door het Nobelprijscomité bekroond, maar het leverde hem ook een trouw lezerspubliek op dat in zijn romans een grote morele kracht onderkende.
Tot het werk van Saramago dat nog steeds beschikbaar is in Nederlandse vertaling behoort onder meer De tocht van de olifant, Alle namen, De stad der blinden en Het verzuim van de dood.
Zijn beste boeken schreef Saramago in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. Naast een grote sociale bewogenheid sprak er uit zijn romans ook een heftig wantrouwen jegens de moderne cultuur die in zijn ogen het gevoel voor het ware en echte was kwijtgeraakt en alles ondergeschikt had gemaakt aan de commercie. In Het schijnbestaan greep hij terug op de ‘mythe van de grot’ van Plato, om duidelijk te maken dat de westerse mensheid in een valse wereld terecht is gekomen en haar ogen opnieuw moet leren openen voor wat in het leven werkelijk van waarde is.
In Het stenen vlot (dat in 2002 door George Sluizer verfilmd zou worden) had Saramago zich eerder al afgekeerd van wat hij als de verwording van Europa beschouwde. In die roman laat hij het Iberisch schiereiland afdrijven naar het zuiden, vanwaar hij de redding van de menselijke geest verwachtte. Ook daarin werd zijn pessimistische visie op de hedendaagse mens in evenwicht gehouden door zijn overtuiging dat redding mogelijk was, zij het ternauwernood.
