Integratie is niet de oplossing
Een seminar in Tilburg zocht een verklaring voor het feit dat jonge Marokkanen en Antillianen bovenaan staan in de misdaadstatistieken. „Bij Turken is stelen not-done.”
Tilburg, 25 juni. Marokkanen tussen de 15 en 25 jaar maken zich in verhouding vier keer zo vaak schuldig aan een misdrijf dan autochtone jongeren. Bij Antillianen ligt het cijfer zelfs vijf keer zo hoog. Hoe zijn deze verschillen te verklaren? Die vraag was het belangrijkste onderwerp op een seminar op de Universiteit van Tilburg, onder de titel ‘Veiligheid en Criminaliteit’, georganiseerd door Palet, een Brabantse organisatie voor multiculturele ontwikkeling.
Criminoloog en antropoloog Frank Bovenkerk noemde als belangrijkste bepalende factoren voor crimineel gedrag: sekse en sociale achtergrond. Jonge mannen uit de lage sociale klassen zijn sterk oververtegenwoordigd in de statistieken. Vrouwen spelen nauwelijks een rol in de cijfers. Van de gearresteerde criminelen is minder dan vijf procent vrouw.
„Er vallen relatief veel Marokkaanse en Antilliaanse jongeren in de lage sociale klassen”, zei Bovenkerk afgelopen vrijdag. „En de politie surveilleert vaker in risicowijken waar veel overlast voorkomt. Daar wonen betrekkelijk veel allochtonen”, zei Bovenkerk. Maar dat wil niet zeggen dat cultuur geen rol speelt. Bovenkerk: „We zien heel duidelijk dat etnische groepen vaker specifieke misdaden begaan. Marokkanen maken zich vaak schuldig aan beroving en diefstal. Antillianen plegen vaker geweldsmisdrijven. In de Turkse gemeenschap is het not done om te stelen en dus zie je bij hen relatief weinig vermogensdelicten. Autochtone Nederlanders hebben ook zo hun uitschieters. Zij maken zich vaker schuldig aan graffiti spuiten en wietteelt. Veel ‘blanke’ misdaad is ook verstopt. Denk bijvoorbeeld aan belastingfraude.”
Bovenkerk denkt dat het gebrek aan sociale controle in de Marokkaanse gemeenschap de hogere cijfers gedeeltelijk verklaren. Bij Antillianen gaat het gemakkelijker mis omdat veel van de jongens die naar Nederland worden gestuurd, al problemen veroorzaakten. Bovenkerk: „We krijgen veel moeilijke gevallen met een enkeltje naar Nederland. Vaak worden die jongens bij familie gestald die ook niet op hen zitten te wachten.”
De nadruk leggen op integratie is niet de sleutel tot de oplossing volgens Bovenkerk: „Wat dat betreft slaan mensen als Verdonk de plank behoorlijk mis. Crimineel gedrag komt vaker voor onder jongeren die goed geïntegreerd zijn in de Nederlandse samenleving. Inburgeringscursussen gaan de problemen niet oplossen. Jongeren willen gelijke kansen. Je hebt je best gedaan om Nederlander te worden maar toch vind je geen werk. Dat kan een enorme woede veroorzaken. Dat kan criminele gedragingen veroorzaken maar ook radicalisering.”
Bovenkerk wil dat er meer aandacht wordt besteed aan de straatcultuur. „Er wordt te veel gekeken naar traditionele cultuur. Politieagenten naar het Rifgebergte, dat soort werk. Maar dat heeft geen zin. Jongeren ontwikkelen een eigen cultuur, een mengsel van alles wat ze op straat tegenkomen. Dáár moet de politie en de hulpverlening zich meer op richten”.
Ilja van den Hoek, teamleider Bureau Jeugd in Tilburg, legde in haar lezing de nadruk op de noodzaak van samenwerking van verschillende instellingen. Culturele verschillen spelen een rol, maar zijn volgens haar niet de belangrijkste oorzaak van de verhoogde criminaliteit bij bijvoorbeeld Marokkanen. „Probleemjongeren moeten vroeg gesignaleerd worden en daarna in de gaten gehouden. Desnoods vanaf de kleuterschool. Dat gaat het beste als bijvoorbeeld Jeugdzorg intensief samenwerkt met politie en reclassering. Dat wordt ook wel gerealiseerd. In het veiligheidshuis in Tilburg vind je bijvoorbeeld tien instellingen onder een dak.”
Bovenkerk: „Natuurlijk speelt cultuur een rol maar we moeten oppassen dat we het niet overdrijven. Er zijn veel belangrijkere oorzaken van crimineel gedrag en die zijn zeker niet cultureel bepaald.”
