‘De oorlog was de oorzaak van geduvel in ’68’

Oud-premier Piet de Jong in zijn woonkamer met boven de bank een schilderij met het type onderzeeboot waar hij ooit op heeft gevaren. f
Door onze redacteuren Jannetje Koelewijn en Marieke van Twillert

De opstandigheid in de jaren zestig, denkt oud-premier De Jong, was het gevolg van vernederingen onder de Duitse bezetter. „Als er rellen zijn, moet je naar mensen lúisteren.”

Wassenaar, 10 mei. Piet de Jong, premier van 1967 tot 1971, begrijpt best waarom journalisten met hem over 1968 willen praten. „Ze denken: die man leefde toen en hij is niet dement, dus laten we die eens bellen.” Hij is 93. Hij is komen lopen naar hotel De Bijhorst in Wassenaar, waar de afspraak is, vrijdagochtend 9 mei. Thuis ontvangen kan niet goed meer, zijn vrouw is ziek – longen, hart – en ze moet dag en nacht verpleegd worden.

Zandkleurig jasje, donkerblauwe broek, een das met een gouden streepje. Hij bestelt koffie en een glas water, maar hij vergeet ze op te drinken, zo druk zit hij te praten. „Ik heb de afgelopen week al die krantenartikelen over 1968 gelezen”, zegt hij. „Er is één element dat er steeds in ontbreekt, en dat is het effect van de bezetting door een vreemde mogendheid vijfentwintig jaar eerder. Ik heb die zelf niet meegemaakt, want ik zat op zee toen. Als we niet achterna gezeten werden of zelf achter de vijand aan zaten, had ik tijd om te lezen, na te denken. Ik dacht: al die mensen die zo lang onderdrukt worden – als dat voorbij is, komt daar geduvel van.”

Piet de Jong was in de Tweede Wereldoorlog officier en later commandant op een onderzeeboot. Hij vocht zes jaar lang tegen de Duitsers en de Japanners. Hij hoorde bij de vijfentwintig procent die het er levend van afbracht. Maar toen hij terugkwam in Nederland, in 1946, merkte hij dat niemand daarin geïnteresseerd was. „Mijn bootsman zei na zijn verlof dat er hier zeven miljoen leiders van het verzet woonden.” In die behoefte aan zelfverheerlijking proefde Piet de Jong hoe diep de vernedering moest zijn geweest.

Piet de Jong had niet anders verwacht dan dat Nederland in de „puberteit” zou komen. Toen de opstandigheid begon, midden jaren zestig, moest hij vaak denken aan wat hij in zijn onderzeeboot gelezen had over de suffragettes, de Engelse vrouwen die onder leiding van Emmeline Pankhurst vanaf 1903 acties voerden voor vrouwenkiesrecht. Ze ketenden zich vast aan de hekken van Hyde Park in Londen, ze stichtten brandjes, gooiden winkelruiten in. Maar de geschiedenis gaf hun gelijk, ze krégen kiesrecht.

„Als er rellen zijn”, zegt Piet de Jong, „moet je beginnen met naar mensen te lúisteren. Dat leerde ik daarvan. Hebben die een punt? Dan moet je daar iets aan doen. Trappen ze alleen maar rotzooi? Dan moet je ingrijpen.” Ook als commandant op een onderzeeboot, met vijfenvijftig man op een paar vierkante meter, had hij geleerd dat „vaderlijkheid” beter werkt dan het strak handhaven van discipline. Een sergeant-machinist die zei dat hij ’s nachts gebeld werd door Jozef Stalin werd niet gestraft. De Jong begreep dat de spanning hem te veel was geworden en vroeg geïnteresseerd hoe dat dan ging, dat bellen. En of hij Stalin de groeten wilde doen. Vervolgens gaf hij zo’n jongen rust om weer wat bij te komen.

Wat Piet de Jong interessant zou vinden: als een psycholoog anoniem zou uitzoeken wanneer de mensen die in de jaren zestig het woord voerden, geboren waren en uit wat voor soort gezinnen ze kwamen. Hetzelfde van de mensen die er de afgelopen weken over geschreven hebben. Dan zou zichtbaar worden, denkt hij, of het om mensen van kort na de oorlog ging, uit gezinnen waar de vernedering voelbaar was geweest.

Hij merkte dat er in Nederland na de oorlog „een groot verlangen naar knusheid en kneuterigheid was”. Hij voelde zich „een rare”, een buitenstaander, omdat hij de wereldzeeën had bevaren. Hij had schepen getorpedeerd zonder te weten of er ook vrouwen en kinderen op zaten. Hij had meegemaakt dat Japanse drenkelingen zich niet door zijn bemanning aan boord wilden laten halen, omdat ze het eerloos vonden om krijgsgevangen te worden gemaakt. „Ze zwommen bij ons weg en staken hun armen in de lucht, zodat ze zonken. Als samoerai’s.”

In 1947 trouwde hij met een verzetsheldin, een echte, zo een die in verpleegstersuniform koeriersdiensten verrichtte, met een speld op haar schort die aanduidde dat ze zogenaamd op weg naar een bevalling was. Anneke Bartels heette ze en ze ging later bij de Marva, de Marine Vrouwen Afdeling. Daar leerden ze elkaar kennen. Ze kregen drie kinderen.

In de biografie Van buitengaats naar binnenhof (2001) van de Nijmeegse parlementair historici Jan Willem Brouwer en Johan van Merriënboer staat beschreven hoe Piet de Jong optrad bij de eerste rel die zich voordeed toen hij premier was, in 1967. Amsterdamse schilders hadden de Nachtwacht in het Rijksmuseum bezet, om een loonconflict, en burgemeester Van Hall wilde de marechaussee inzetten om schilders uit Amersfoort – stakingsbrekers – naar hun werk te begeleiden. De Jong weigerde. Citaat: „Je bent niet goed snik. Ik ga geen staking breken met politie.”

Hij vond dat de burgemeester de stakers gewoon in het museum moest laten zitten. „Ze hadden daar geen stoelen of banken, dus hoe lang blijft dat leuk? Op een houten vloer kun je staan, zitten en liggen, op je buik en op je rug. Maar na een dag heb je daar echt genoeg van. Dus ik zei: geef ze een kop koffie, ze gaan vanzelf weg. En dat was ook zo.”

Piet de Jong had „groot respect voor burgemeester Gijsbert van Hall, die ook een echte verzetsheld was geweest. Maar hij moest hem toch ontslaan, omdat hij zich met eerdere rellen – bij het huwelijk van Beatrix en Claus in 1966 en bij het bouwvakkersoproer dat uitmondde in de bestorming van het gebouw van De Telegraaf – ook al geen raad had geweten.

Piet de Jong, schrijven de auteurs, zette de toon voor wat nog zou volgen – Maagdenhuis, demonstraties tegen de Vietnamoorlog, de eerste Molukse gijzeling in de Indonesische ambassade in Wassenaar. Sommige andere ministers uit zijn kabinet waren voorstanders van hardhandig optreden, maar hij vond dat geweld tegen burgers met „gerechtvaardigde grieven” een averechts effect had. Dat had de geschiedenis voldoende bewezen. Marga Klompé, minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, was het met hem eens. Zij zei dat de maatschappij zich in „een groeicrisis” bevond.

Tegen de bezetters van het Maagdenhuis, in mei 1969, werd pas opgetreden toen ze de administratie gingen vernietigen. De gijzeling van de Indonesische ambassadeur en zijn gezin, in 1970, werd opgeheven door bemiddeling. Er kwam wel een agent om het leven.

Piet de Jong werd zeker vijfentwintig jaar lang gezien als een politicus van de oude stempel, een oud-militair die voor Amerika en de NAVO was in een tijd dat dat niet erg modieus was. Hij zou alleen maar ‘op de winkel hebben gepast’. (Zelf omschreef hij zijn rol als premier ook wel eens zo.) Maar volgens Jan Willem Brouwer en Johan van Merriënboer is dat niet eerlijk. Zij zeggen in hun boek dat De Jong door zijn relativerende optreden voorkwam dat rellen in Nederland escaleerden. Geen Parijse toestanden hier.

Tijdens zijn regering werd het bestuur van universiteiten democratischer, het onderwijs toegankelijker. Het gebruik van voorbehoedsmiddelen was niet langer verboden. Mensen die wilden scheiden, hoefden niet te ‘bewijzen’ dat er overspel was gepleegd, het verschil tussen heteroseksuele en homoseksuele ontucht werd opgeheven.

„Ik was voor seksuele bevrijding”, zegt De Jong. „Als God je als homo in de wieg heeft gelegd, wat kun je daar dan aan doen?” Het ging hem, als katholiek, wel te ver om abortus helemaal vrij te laten.

Hij vond ook dat hoogleraren zich in de jaren zestig „te autoritair” gedroegen en dat het „onrechtvaardig” was dat je afkomst bepaalde of je naar het gymnasium of de hbs ging, of niet. Het ‘geduvel’ in de jaren zestig was gerechtvaardigd, vindt hij. De veranderingen die erop volgden ook. Maar hij verbaast zich soms wel hoe érg de wereld nu veranderd is.

Hij noemt porno. Hij noemt geldzucht. Hij noemt het gebrek aan idealen. „Vroeger wilde je later dokter of advocaat worden. Nu wil je later rijk zijn.” En de gemakzuchtige manier waarop sommige leden van het parlement omgaan met hun verantwoordelijkheden. „Iemand als Wilders wil wel peuzelen aan de taart van vrijheid, maar een ander gunt hij niets.” Piet de Jong vindt dat slap, verwend. „Vanaf mijn zestiende, toen ik adelborst werd, was ik gewend om verantwoordelijkheid te dragen. Ik ben ermee opgegroeid.”

Hij houdt ook helemaal niet van „dat bange”, van het „geen buitenlanders hier en knus met elkaar achter de kachel” dat hij nu in Nederland ziet. „Ik ben altijd outgoing geweest. Voor mij is de zee niet het einde van het land, maar het begin van de wereld.”

Vindt hij dat er, achteraf, tijdens zijn regering een revolutie in Nederland is geweest?

„Ach nee”, zegt hij. „Revolutie, dat was in Rusland na de Eerste Wereldoorlog. Bij ons waren het ongeregeldheden.”

Piet de Jong werd op 3 april 1915 geboren in Apeldoorn, in een katholiek gezin. Nadat zijn vader, een spoorwegmachinist, was overleden wilde hij snel op eigen benen staan. Op zijn zestiende ging hij naar de marine in Den Helder.

Hij was commandant van de jager ‘Gelderland’ toen hij, in 1959, door de KVP werd gevraagd om staatssecretaris van Marine te worden. Hij had geen politieke ervaring, al was hij wel adjudant van de minister en de koningin geweest. In 1963 werd hij zelf minister van Defensie, en in 1967 premier. In 1971 koos de KVP de jongere Gerard Veringa als lijsttrekker, omdat die een progressiever imago had. Piet de Jong werd lid en later fractievoorzitter van de KVP in de Eerste Kamer.

Gepubliceerd in:
mei68
Binnenland