ik@mei68
Aldus de oproep die we begin deze maand in de krant zette. Een aantal van de 'ikjes' die in antwoord op deze oproep werden ingestuurd, zijn vandaag geplaatst in de krant. Ook een selectie uit de niet geplaatste inzendingen kunt u hieronder lezen.
Huwelijk
Wij deden iets ouderwets: trouwen. Op vrijdag 24 en zaterdag 25 mei. Met alle klassieke elementen: gemeentehuis, bruid in het wit, kerk, receptie, diner en prachtig weer. Met het Fiatje 600 van schoonmoeder naar het buitenhuis van vrienden op Belle-Île-en-Mer onder Bretagne. Het was het hoogtepunt van de studenten- en arbeidersrevolte. Zaterdagochtend belde ikik op m’n hotelkamer met de ANWB. „Ik raad u ten stelligste af om naar Frankrijk te rijden. Het is allerminst zeker, dat u daar benzine kunt tanken”, kreeg ik te horen. We zijn spontaan naar de Italiaanse Rivièra gegaan. Ja, deze maand 40 jaar getrouwd.
Hans Bennebroek
Lsd en mystiek
Ik zat in het derde jaar van mijn studie rechten en woonde op een studentenflat in Utrecht. Mijn ouders betaalden de studie. en ik had al twee jaar vaste verkering. De tijdgeest voerde me in mijn hoofd naar de andere kant van de wereld: oosterse filosofie. Via Bert Schierbeeks De tuinen van Zen ontdekte ik de boeken van D.T. Suzuki (Inleiding in het zenboeddhisme) en Alan Watts (The Way of Zen). Ik leerde mediteren en over de toekomst dacht ik weinig na. De universiteit organiseerde gespreksgroepen over actuele maatschappelijke onderwerpen. Ik koos voor lsd en mystiek. Op studentenkamers spraken we over het lsd-gebruik van Timothy Leary, christelijke mystici, taoïsme en een aanstaand psychiater bracht de psychoanalyse in. Het waren ongestructureerde bijeenkomsten met, in mijn herinnering, alleen thee en koffie.
Johan Kniep
Vakantieavontuur
Gezakt voor mijn eindexamen hbs-b mocht ik toch met mijn ouders mee naar Lacaneau-Océan, een plaatsje onder Bordeaux. waar twee meren lagen en wij kampeerden en zeilden. Daar er voor mij geen plaats in de Peugeot 404 was (caravan achter de auto, zeilboot op het dak en dus topzwaar), ging ik met de trein via Parijs. Men vond mij toch altijd al ‘recalcitrant’ (rookte wiet, dronk bier, loste opium op in m’n koffie en deed hasj door mijn moeders soep, zodat het toch nog gezellig werd!). Op Gare du Nord moest ik naar een ander station in Parijs om mijn reis naar Bordeaux voort te zetten en zo begon mijn avontuurlijke zomer 1968 in het roerige Parijs. Ik trof hippies in de buurt van Petit Pont bij de Notre Dame, sliep onder bruggen en hing rond in de bars van Rue de la Huchette. Herhaaldelijk veegde de politie de pleinen, straten en bruggen schoon en wie niet wegkwam, ging de cel in. De kunst was om steeds in een ander district onrust te stoken en met onze Ban-de-Bom-affiches steeds elders op te duiken! Na enkele dagen was de Gendarmerie al vergeten dat wij in dat arrondissement waren opgepakt. Voldaan kwam ik drie weken later in Lacaneau, waar mijn familie juist op het punt stond de boel af te breken en naar huis terug te keren. De vakantie zat erop!
Bernard Slothouber
Poststaking
Als eerstejaarsstudent in Amsterdam had ik het in mei ’68 druk met tentamens en feestjes met de Beatles, Stones én Gilbert Bécaud (Nathalie!), sherry en pinda’s. Na afloop fietsten we terwijl het al licht was door de Leidsestraat. Dit studentenleventje werd overschaduwd doordat mijn Franse vriendje niets van zich liet horen. Hij schreef al weinig, maar nu helemaal niet meer. Wat was er aan de hand? Gelukkig zag ik hem in de zomer en kon hij het uitleggen: de Franse post staakte. Benieuwd naar een ooggetuigeverslag van de barricaden, vroeg ik hem hoe het geweest was. Hij had alleen maar klachten, de stakingen, geen benzine: „Quel bordel.” Ik denk dat hij nu een trouwe Sarkozy-aanhanger is.
Renée Citroen
‘Bonjour monsieur Sartre’
In mei ‘68 was ik in Parijs! Stomtoevallig, als 20-jarig student op museumexcursie. Maar helaas – of gelukkig – net te vroeg om ooggetuige te kunnen zijn. Pas terug in Amsterdam sloeg de vlam over van Nanterre naar Parijs, en was ik blij weer thuis te zijn; mijn dapperheid dateert van later datum. Mei ’68 was voor mij colleges volgen in het Louvre, de Mona Lisa zien en een middag eenzaam onder- en bovengronds treinen door een grijs en nat Parijs. Om vijf uur ’s morgens met een dronken groepje „Il est cinq heures, Paris s’eveille” zingen in een bar in de Hallen. Maar het hoogtepunt van mijn ‘mei’ was die korte ontmoeting met Jean-Paul Sartre. Onderweg naar de wc van een café in Saint Germain zag ik het wereldberoemde hoofd een krant zitten lezen. Al plassend herstelde ik, want ik trilde alsof ik God had gezien. Bij terugkeer in de gelagkamer bleek hij het echt te zijn. Ik schraapte alle moed bijeen en mompelde: „Bonjour, monsieur Sartre.” Hij heeft wellicht zijn naam verstaan, want hij keek op – maar langs mij heen. Toch was ik gelukkig: ik had een superster beroerd; een oudere man die weer aan de bak moest in de beste traditie van Franse filosofen: op de barricaden.
Henkjan van Vliet
Kernfusie
Ik was, in het kader van de Europese samenwerking in het kernfusieonderzoek, uitgeleend aan het Commissariat à l’Énergie Atomique in Saclay bij Parijs. Ik was daar met vrouw en kinderen en voorzichtig in het bekijken van het schouwspel dat gratis voor ons werd opgevoerd. (Een eerdere ervaring met een autoritaire staat, Japan als bezetter in Nederlands-Indië, maakte mij voorzichtig.) Op een avond konden we vanuit een inderhaast afgesloten café aan de boulevard St. Michel een charge van de oproerpolitie bekijken. Ook zagen we de Ecole de Médecine – bolwerk van rechtzinnige saaiheid – ineens gedecoreerd met de meest vreemde leuzen en afbeeldingen. Maar de aardigste herinneringen zijn die aan mijn toenmalige collega’s. De televisie, in handen van de revolte, vertoonde beelden van de straat. Toen ik de vrouwelijke ingenieur waarmee ik een werkkamer deelde vroeg naar haar reactie op de scenes met Cohn-Bendit en de politie zei ze: „Il fait des fautes de francais”. Aan het eind was er de toespraak van Charles de Gaulle over de radio. Samengevat zei hij: „Ik heb alle mogelijkheden overwogen, maar ik heb een mandaat van het volk en zal dat vervullen. Kortom, het gedoe moet nu uit zijn.” Een van mijn meer romantisch ingestelde collega’s voorspelde daarop een burgeroorlog en ried mij aan terug naar Nederland te gaan. Maar de dag erop was alles rustig en was er weer benzine te krijgen.
W. J. Schrader
Mooi, rustig Frankrijk
Frankrijk was nog nooit zo rustig als in mei 1968. Wij weten het want wij waren er. In onze eerste auto, een lichtgroene Austin Glider, toerden we vrolijk en tevreden over de Franse landweggetjes. Het was in mijn herinnering altijd mooi weer. We reden van pomp tot pomp, er was altijd nog wel 10 liter benzine te krijgen. In de hotelletjes waren wij meer dan welkom. Zij maakten zich er vooral druk over de omzet. Voor het Pinksterweekend waren er ruime voorraden ingeslagen en die moesten op. Pinkstermaandag in een dorpsrestaurant, van 1 uur tot 5 uur. En dat heette een lunch. Vergezeld van lange retorische discussies waar de Fransen zo van houden. Mijn vrouw trouwens ook. Over de kast afkomstig van een kasteelverkoop en natuurlijk de politiek. Dat is mijn herinnering aan de revolutie. En de grotten van Padirac, een rij lege bootjes. Maar Parijs dan, zult u zeggen. Parijs is Frankrijk niet. Nooit leek de afstand met het Franse platteland groter. Nooit was Parijs verder weg. En zo toerden wij door Frankrijk dat voor even op de tijden van voor de revolutie leek: de industriële revolutie wel te verstaan. Veranderde er niets? Zeker, negen maanden later werd onze enige zoon geboren.
S.D. Eikelboom.
Spijkerpak
Ik was leraar Frans het (toen nog Sint Adelbertcollege) in Wassenaar. Kledingcode voor de jongens: jasje-dasje. Voor de meisjes: penny shoes, Schotse- ruitrokjes, twinsets en parelkettinkjes. Het was proefwerkweek; ik moest alleen surveilleren bij 4 mms (middelbare meisjesschool). Ik betrad het lokaal in mijn witte provospijkerpak. Daarin had ik mij tot die dag nog nooit vertoond. Er ging een golf van afgrijzen door de klas. Het proefwerk werd heel slecht gemaakt. Ik heb de cijfers met een punt opgewaardeerd: mijn kleine bijdrage aan de grote ‘revolutie’.
Henk Scholte
Concert
Ik ging naar Parijs om te zingen in het Institut Néerlandais aan de Rue de Lille; het was voor mij en mijn begeleidster Tan Crone de derde maal dat wij daar gingen optreden, op 9 mei 1968. Voor een klassiek concert treft men voorbereidingen. Daarbij behoorde ook de kapper. Ik was absoluut immuun voor de politieke gebeurtenissen van die tijd, leefde in mijn strak begrensde wereld van concertzangeres. Hierin paste de kapper. Om de hoek van het instituut was, wist ik, een prettige salon. Het was stil. Er stonden militaire wagens geparkeerd, pantservoertuigen, waar ik omheen liep. Een militair vroeg mij met grote ogen waar ik heen ging. „Je vais chez le coiffeur”, heb ik geantwoord, verwonderd over zijn nieuwsgierigheid. Ach, ik liet ook mijn nagels nog doen. Ik was in het geheel niet betrokken bij politieke zaken, i.c. studentenopstanden. Nu, zo vele jaren later en geconfronteerd met alle reflecties op die tijd, ben ik verbaasd over mijn absoluut onbenul van die spannende dagen. Zo ik al aan iets anders dacht dan aan ons programma, gingen mijn gedachten naar huis, naar twee schoolgaande kinderen onder de hoede van oma. Het ondenkbare van die avond was dat de concertzaal van het instituut geheel gevuld was! De befaamde zangeres Noëmie Perugia was aanwezig en gromde van genoegen.
Ank Reinders
Openbaarheid
Openbaarheid was ondeelbaar. Daarom moest ook de vergadering van het Utrechtse college van curatoren publiek toegankelijk worden. Wij beproefden de toen nieuwste methode, de zogenaamde walk-in. Verbijsterd keken de deftige curatoren naar het binnenwandelende, tamelijk langharige studentenvolkje dat op luide toon openbaarheid eiste. Een van hen, prof. mr.dr. I. A. Diepenhorst („links van mij, dat is rechts voor u”) nam het woord: „Doelt men hier op een open- baarheid in vitro, zoals dat heet, mijn- heer de voorzitter, dan wel op een grundsätzliche openbaarheid?” Door zijn dikke brillenglazen keek hij ons vragend en doordringend aan. De lichte twinkeling van triomf in zijn ogen was – helaas – zichtbaar.
Gerard Verhoeven
Meisje van zestien
Vrijdag na Hemelvaartsdag, 24 mei 1968, houdt de ’s-Gravenhaagsche Boekhandelaars Vereniging haar jaarlijkse zomertochtje. In de bus op weg naar een evenement geen woord over Parijs. Wij weten er wel van maar er zijn in onze ogen serieuzere zaken aan de orde. De keurige Haagse boekhandelaren zingen vol passie het zojuist uitgekomen lied Meisje van Zestien van Boudewijn de Groot. „Arm kind, zestien lentes zo pril. Ach wat lig je hier stil, langs de kant van de weg.” Gedurfd, zo’n tekst, toch Parijse invloed?
Otto Gooiker
Panta rhei
In mei 1968 was ik aan het werk, op zee, aan boord van een schip in het Caraïbisch gebied. Ik herinner het mij nog als de dag van gisteren. In juni 1969 keerde ik terug in Nederland. Ik deel dus die curieuze fascinatie met mei 1968 niet met de nationale media waaronder tot mijn verwondering ook de NRC. Heb mij wel de vraag gesteld wat de commentaren toen en nu zouden zijn geweest wanneer kaalhoofdige neonazi-achtige typen een spoor van vernieling en brandstichting hadden getrokken door de straten en over de boulevards van Parijs op weg naar de Renault-fabrieken om te ‘verbroederen’ met de arbeiders. Ik vermoed zomaar dat de empathie en mildheid een stuk minder zouden zijn (geweest), en terecht. Alsof de studentenrevolte van mei 1968 alleen maar zegeningen heeft gebracht. Geen enkele aandacht voor de uitwassen hierover, slechts nostalgie. naar een tijd toen het nog spannend was. Merkwaardig, de maatschappelijke ontwikkelingen zouden ook zonder brandstichting niet tot stilstand zijn gekomen. Panta rhei, de Griekse filosoof Heraclitus wist het al.
W.J.J. van der Knaap
Conceptie
Ik wachtte, rustig, onwetend, op mijn conceptie en geboorte in mei 1989.
Max Peters (geb. 17-05-1989)
Daar gebeurde het
Tja, wat doe je in mei ’68, als je tweedejaars student politicologie bent en je hoort van de Parijse revolutie? Er op af natuurlijk, en wel meteen. Die propedeuse, toch al bijna een jaar over tijd, dat kan altijd nog.
Na een dag liften kwamen we in de avond in Parijs aan. Meteen naar het Odeontheater. Het plein voor het theater stond vol mensen, iedereen wilde mee discussiëren. Twee dingen waren meteen duidelijk: het Odeontheater was ‘hot’ en in de eindeloos lange rij gaan wachten was geen optie.
Reisgenoot Hans wist er wel wat op en schreeuwde over het plein: „Camerades, nous sommes des provos d'Amsterdam”. Via de zij- ingang binnengelaten hadden we een half uur later onze bagage in een artiestenkamer gestald en liepen we rond met een rode armband met ‘Comité revolutionair’ er op. Handige jongen, die Hans, later dan ook niet voor niets woordvoerder van de beroepsgroep van journalisten.
Bijna waren we het theater weer uitgegooid, want na een vluchtige kennismaking met de discussie in het Odeontheater (dat Frans!) deden we de deur van ‘onze’ kamer op slot en gingen nachtelijk Parijs in. Ai, dat was absoluut ‘not done’, een deur op slot doen. We waren toch wel echte revolutionairen? We mochten nog maar net blijven.
Direct tijdens dat eerste nachtje stappen bleek de impact van de ‘revolutie’ op de lokale verhoudingen. In een trendy gelegenheid werden we vanwege ons uiterlijk niet bediend: te lang haar, niet ‘netjes’ gekleed… Het dreigement onze kameraden van de Sorbonne te laten komen deed de bediening als een blad aan een boom omdraaien. Misverstand, heren, misverstand.
Geen wonder dat mei ’68 zo’n aantrekkingskracht uitoefende op jongeren: even leek het alsof de wereld om jou draaide. Dáár gebeurde het, daar móest je gewoon bij zijn.
Hans van der Wilt
Zwart-wit panelen
Ik was in 1968 uitgekeken op mijn gangbare olieverfschilderijen en bezig met een serie forse zwart-wit panelen, de met latex muurverf gekwaste verbeelding van een doormidden gespitte worm. De berichten uit Frankrijk inspireerden een tweede aanvullende serie met de teksten INRI, NAZI en CHARLY boven een christelijk-, een haken- en een Lotharings kruis, gevolgd door meer panelen met commentaar op internering, opsluiting en veroordeling. De artistieke vondst van een rood-wit- blauw geverfde oranje muizenval leidde in 1969 tot het rondsturen van veel idem bewerkte echte muizevalletjes op 21 maart met de boodschap ‘Happy Spring and a Long Hot Summer’. Een en ander leidde tot mijn deelname aan de eerste museale internationale tentoonstellingen van conceptuele kunst. Het is de hoogste tijd voor nieuwe impulsen voor de wederom ingeslapen samenleving en haar wederom bedroevend saaie en oppervlakkige maniëristische kunst in 2008. Misschien mag de eerste impuls weer uit Frankrijk komen.
Alexander Wechgelaar
Raar en eng
Het gezin waar ik uit voortkom, vader, moeder, oudere broer en ik, woonden in
een middelgroot dorp. Op een bovenwoning in de kern van het dorp. Vlakbij
het gemeentehuis, het postkantoor, het huis van de burgemeester en de
fontein. Beneden woonde opa, die overal over mopperde en bij nieuwe dingen
zijn schouders ophaalde en zich omdraaide. Het tuintje bijhouden en de stoep
vegen, dat waren de belangrijke dagelijkse zaken. Ik was zeven en wandelde
met mijn poppenwagentje langs opa. Of ik reed op mijn houten stepje over de
stoep van hoek naar hoek en weer terug, nooit te ver. Kortom: een rustig
leventje.
Toen op een dag mocht ik niet buiten spelen. Niet met de step en ook niet met
de pop. Terwijl het toch mooi weer was; de zon scheen! Boven, vanuit het
raam van de huiskamer, keek ik naar de vreemde gebeurtenis waar mijn moeder
mij voor binnen hield: het water in de fontein schuimde er vrolijk op los en
er omheen liepen grote jongens en meisjes, allemaal met lange haren. Ik
snapte er niks van en er werd mij ook niks uitgelegd. Dus vond ik die
langharige jongelui raar en eng. En dat is jaren lang zo gebleven...
Titia Oonk
Rustig Frankrijk
Frankrijk was nog nooit zo rustig als in mei 1968. Wij weten het want wij
waren er. In onze eerste auto, een lichtgroene Austin Glider, toerden we
vrolijk en tevreden over de Franse landweggetjes. Het was in mijn
herinnering altijd mooi weer. We reden van pomp tot pomp, maar er was altijd
nog wel 10 liter benzine te krijgen. In de hotelletjes waren wij meer dan
welkom. Zij maakten zich er vooral druk over de omzet.
Voor het Pinksterweekend waren er ruime voorraden ingeslagen en die moesten
op. Pinkstermaandag in een dorpsrestaurant van 1 uur tot 5 uur. En dat
heette een lunch. Vergezeld van lange retorische discussies waar de Fransen
zo van houden. Mijn vrouw trouwens ook. Over de kast afkomstig uit de
kasteelverkoop en natuurlijk de politiek. Dat is mijn herinnering aan de
revolutie. En de grotten van Padirac, een rij lege bootjes. Maar Parijs dan,
zult u zeggen. Parijs is Frankrijk niet. Nooit leek de afstand met het
Franse platteland groter. Nooit was Parijs verder weg. En zo toerden wij
door Frankrijk dat voor even teruggekeerd leek naar de tijden voor de
revolutie: de industriële revolutie wel te verstaan. Veranderde er niets?
Zeker, negen maanden later werd onze enige zoon geboren.
S.D.Eikelboom.
Anticonceptie
In mei 1968 slikte ik mijn eerste anticonceptiepil. Een logisch gevolg van de veranderde kijk op de maatschappij, gedoceerd op het Amsterdams Montessori Lyceum. Er tekende zich een schisma af tussen het gevestigde docentencorps en traditionele leerlingen enerzijds, en een door de oprukkende provo-ideologie gevoede progressieve tegenstroom; dasje, jasje, aktentasje werden ingeruild voor (witte) spijkerpakken en legertas(pukkel); hoofd & baardhaar tierden welig, vousvoyeren werd tutoyeren, shag werd hasj, seks tussen docent en leerling raakte in zwang. Jan Cremer werd verheven tot literatuur. Vele leerlingen omhelsden deze nieuwe,vrije gedachte. De latere popmuzikant Ernst Jansz stichtte een commune. De latere dichter Martin Reints verketterde in een declamatie de 10 Geboden. De latere Margreet Dolman kwam uit de kast. De latere advocate Gabi van Driem vond haar feministische habijt. De latere mevrouw Freek de Jonge kraste op viool haar enige voldoende bij elkaar en knutselde op handwerkles haar eerste clownskostuum. En ik? Ik deed in mei 1968 eindexamen. Haalde met de hakken over de sloot mijn diploma. Hoofd op hol, hart vervuld van hippiehoop en softe dope.
Van den Winkel
Burgerlijk
Twintig jaar, halflang haar, jurkjes uit de boetiek, grijsblauwe eyeliner, op
kamers en studerend in Amsterdam. Sociale Academie, lessen, docenten voor de
klas, stage, scriptie. Democratisering van het onderwijs? Toen nog niet.
Revolutie? In maart liep ik mee in een Vietnam-demonstratie. Ik keek naar de
provo-rellen op de Dam, ’s nachts. Een bezorgde oudere raadde mij aan weg te
gaan, de politie ging optreden. Een jaartje later zocht ik mijn weg in de
nieuwe cultuur waar burgerlijk een gevleugeld woord was. Dat was ik niet: de
bh ging uit, het jurkje werd vervangen door ribbroek en T-shirt, baard en
haar van het vriendje groeiden, hij zou switchen van de commerciële naar de
sociale sector, ik ging vegetarisch en biologisch koken en een commune leek
mij wel wat. Ik volgde een cursus alternatieve woonvormen.
Door ongeplande zwangerschap brak ik mijn opleiding af. Ik trouwde onder druk
van de ouders met het vriendje, zijn commerciële baan was nodig als
inkomstenbron en de seksuele vrijheid zorgde voor ruzie met de
communevrienden. Een paar jaar daarna woonde ik met man en kind in een
doorzonwoning in een Noord- Hollandse nieuwbouwwijk.
Els van Rijn
Ooggetuige
Vanaf januari 1960 was ik als boekverkoper werkzaam bij de N.V. Martinus
Nijhoff, destijds nog gevestigd aan het Lange Voorhout in Den Haag. Een niet
onbelangrijk onderdeel van de werkzaamheden bestond uit het ontvangen van
binnenlandse en buitenlandse uitgeversvertegenwoordigers die de productie
van het komende halfjaar onder de aandacht trachten te brengen. Onder hen
was monsieur Bruscot, vertegenwoordiger van het beroemde Franse
uitgevershuis Gallimard in Parijs. Al vroeg Francofiel, sprak en verstond ik
redelijk de Franse taal en daarom mocht ik altijd met deze kleine,
sympathieke, kogelronde Fransman zaken doen.
Tot het vaste ritueel behoorde dan dat we samen nakeken hoeveel delen uit de
beroemde Bibliothèque de la Pléiade er sinds zijn vorige bezoek waren
verkocht en weer moesten worden aangevuld; een serie die bij Nijhoff goed
werd verkocht en dus altijd compleet aanwezig diende te zijn. Die boeken –
in dundruk, fraai gebonden en in cassette – waren (ook toen al) duur, dus
zo’n aanvullingsorder liep altijd wel in de papieren.
Tijdens de najaarsaanbieding van 1967 kreeg ik een uitnodiging van het Parijse
uitgevershuis Gallimard om in het komende voorjaar het uitgevershuis te
bezoeken, samen met andere boekverkopers uit West-Europa. Afgesproken werd
dat de bijeenkomst in mei ’68 zou plaatsvinden. En zo toog ik in die bewuste
meimaand nietsvermoedend naar de Franse hoofdstad en nam een taxi van Gare
du Nord naar de rue Sébastien Bottin. Althans dat wilde ik, maar de
taxichauffeur dacht daar anders over. Hij verklaarde dat er nogal heftige
studentenrellen waren in het Quartier Latin, juist in het gedeelte waar ik
zijn moest. Er bleef mij niets anders over dan te voet mijn weg te
vervolgen, want bij het bus- en metrovervoer werd gestaakt.
Naar mate ik mijn bestemming naderde, nam het geloei van sirenes toe en deed
het snerpende geluid van politiefluitjes zich horen. Voordat ik het goed en
wel in de gaten had, zat ik bijna midden in de veldslag die zich afspeelde
in de Rue des Saints-Pères. Snel maakte ik rechtsomkeert en het lukte me via
smalle straatjes met een omweg toch de firma Gallimard te bereiken, waar
natuurlijk een opgewonden stemming heerste. Er werd vrijwel uitsluitend over
de aan de gang zijnde rellen gesproken en het geplande programma voor de
uitgenodigde boekverkopers viel in het water, temeer omdat de meeste
collega's de ‘eindstreep niet hadden gehaald!’ Na een uitgestelde maar
overdadig uitbundige lunch (weinig deelnemers) en een rondleiding door het
bedrijf, werd ik teruggebracht naar het station. Zonder het te beseffen was
ik ooggetuige geweest van wat later als de Mei-revolutie 1968 de
geschiedenis in zou gaan.
Bob Jongschaap
Uitwisseling
Lente 1968 nam ik deel aan een uitwisseling tussen studenten uit Leiden en Praag. De onvergetelijke tinteling van vrijheid in die stad. Svoboda en Dubcek die ons op 1 mei ontspannen toewuifden. Weer thuis werd ik, bestuurslid van de studentenfaculteit, gebeld door de decaan. Of de studenten, met het oog op de gebeurtenissen in Parijs, nog wensen hadden. Ik mompelde in het jargon van die tijd dat eerst de achterban moest worden geraadpleegd. Drie maanden later trokken de Russen Praag binnen. Leiden ontving geen studenten maar vluchtelingen.
Annelies Dirkse
Voorjaarsvakantie
1 mei 1968, de laatste dag van een reisje naar Parijs. Deze dag willen we in ieder geval nog de Sorbonne bekijken. Het lijkt een feestelijke dag te worden. De métro- stations geuren naar lelietjes-van- dalen die traditiegetrouw op 1 mei verkocht worden. Bij de Sorbonne zien we nauwelijks studenten, die zullen wel vrij hebben op de dag van de arbeid. Wel zijn er veel overvalwagens van de politie bemand door jonge agenten. Ontspannen hangen ze tegen hun voertuigen. Wij veronderstellen dat het politiebeambten zijn van het platteland die een excursie maken naar de hoofdstad. Later die dag zien we in een andere wijk opvallend veel mensen met pleisters op hun gezicht. Mijn zusje denkt dat er in de buurt een ziekenhuis is met als specialiteit plastische chirurgie. Het zouden pas ontslagen patiënten zijn. Volgens mij is hier sprake van beroepsdeformatie: zij is namelijk verpleegkundige. Wij breken ons hoofd er niet over. De volgende dag reizen we per trein terug naar Den Haag. Onze ouders halen ons op. Als we uit de trein stappen worden we zo hevig begroet en stevig omhelsd dat het lijkt alsof we van een gevaarlijke wereldreis thuiskomen. Pas dan op dat Haagse perron van station Hollands Spoor horen we dat we midden in een Parijse studentenopstand zijn geweest.
Tineke Plettenberg
La commune
Al voor mei 1968 was ik mij bewust van mijn verbondenheid met studentenopstand, rebellerenen, opkomen voor idealen en uitkomen voor wie je bent, en daardoor vluchten. De grootvader van mijn moeder, de vader van haar vader en mijn overgrootvader had mede opstand gemaakt aan de Sarbonne ten tijden van 'La commune de Paris' in 1871, zo vertelde mijn moeder regelmatig aan mij en haar andere kinderen als wij aan tafel zaten te eten. Niet de eerste keer, dacht ik in mei 1968. Ik was nieuwsgierig, voelde opwinding, herkende ik iets, herhaalde de geschiedenis zich? Ik wilde op mijn manier alles weten, was in die tijd nog geen 14 jaar, maar ervoer wel de onrust in mijn omgeving, op school, onder vrienden en familie over de gaande studentenrellen in Parijs. Ik zag foto's van barricaden en opgebroken straten en stenen gooiende mensen. Ik knipte deze uitde krant zodat ik er nog over kon nadenken. Ik was te jong om mee te doen, niet te jong om te beseffen hoe belangrijk deze uitingen van veranderingswens waren. Wat was ik graag daar ook geweest, dacht ik wel eens. Tijdens mijn laatste lagere schooljaar was ik al getroffen door 'Kikkers en Plu's'. Ik droeg in navolging van deze groepen een zwarte cape, of een legercape, een zeemansbroek. Deze kleine rebellie leverde mij heel wat commentaar op mijn nonnen lagere school. Mijn verbondenheid met eigenzinnigheid, klein verzet, laten zien wie je bent, werd wel gerespecteerd. Mei 1968 kreeg mijn respect, dat besefte ik op een manier van een 14jarige.
Michèle Segond von Banchet
Internaat
In mei 1968 was ik tweedejaars rechtenstudent in Utrecht en ik genoot met volle teugen van de verworven vrijheid na het uitzitten van een detentie van vijf jaren in een halfgesloten inrichting, te weten een internaat van de paters Augustijnen in het zuiden des lands. In vergelijking met het bedompte klimaat van Brabant in de zestiger jaren was het universitaire klimaat van de Domstad een regelrechte verademing. Ik was dan ook verbijsterd door de ontwikkelingen in Parijs en Amsterdam en begreep weinig van de eisen van de opstandige studentenleiders. Ik vond die nieuwe wereld nog steeds machtig interessant en had weinig te klagen. Medezeggenschap van alle geledingen over onder meer de inhoud van het studieprogramma was de nieuwe boodschap, maar dat heeft alleen zin als je daarover iets te zeggen hebt en dat gold in elk geval nog niet voor mij (en waarschijnlijk ook niet voor de schoonmaaksters van de collegezalen) Het was desalniettemin een spannende periode en ik heb me zelfs laten verleiden om mee te lopen in een studentenbetoging in Amsterdam en kreeg toen van een agent in een motorzijspan de klappen die ik verdiende. De bezetting van het maagdenhuis ging mij een stap te ver. De ongeregeldheden in mei 1968 in Parijs passen wellicht in een Franse traditie, maar de navolging daarvan in Nederland was een dwaasheid.
hans bijvoet
Inspraak
De aula van de Utrechtse universiteit (bekend van de oprichting van de Unie van Utrecht) zat vol tot bijna tegen de muren op. Het College van Bestuur was ontboden om uitleg te geven over zijn categorische weigering inspraak van studentenzijde te accepteren. De voorzitter, graaf van Lynden van Sandenburg, kwam het podium op, een klein, gezet mannetje in een sleets pak, de benen uit elkaar, buik vooruit, handen in de zakken van zijn colbert, de duimen er wiebelend bovenuitstekend. De secretaris van het bestuur, bijgenaamd schaamhaar, was nergens te bespeuren, terwijl hij juist gold als de drijvende kracht achter de opstelling het College. Een voorman van studenten trad naar voren en vroeg aan de voorzitter, waarom de secretaris schitterde door afwezigheid. De graaf keek geamuseerd en antwoordde: ‘Hij ken nie komme.’ Hilariteit en gejoel. De studentenvoorman schudde ongelovig het hoofd en herhaalde op ultimatieve toon zijn vraag. De graaf stak zijn buik nog wat verder vooruit, wiebelde nog meer met zijn duimen, en herhaalde: ‘Hij ken nie komme.’ Homerisch gelach en gefluit.
Gerard Verhoeven
Vurig gesprek
Op het eindexamen van de ‘kweekschool’ in Arnhem raakte ik, meisje van 19, vurig in gesprek met je gecommitteerde over studentenoproer, Parijs, op de barricade gaan en Cohn-Bandit (die mij fascineerde). Mijn leraar zat er stilletjes bij. Had hij mij daar nou jaren voor klaargestoomd om mij zo te horen praten? Zijn mooie vak en nu dit, bijna een uur lang! Ik genoot en werd ook nog eens beloond met een 9, mijn hoogste cijfer ooit. Het vak was? Pedagogiek!
Francine M. Timmer-de Haas
Makelaar
Mei 1968 was ik 20 jaar oud. Ik woonde in een klein dorp Nieuwerkerk a/d IJssel 12 km van Rotterdam. Opgegroeid in een gereformeerd gezin. Ik werkte als assistent-makelaar bij een groot makelaarskantoor in Rotterdam. Werktijden maandag t/m vrijdag van 9 tot 17 uur en ’s avonds van 20 tot 22.30 uur (2 afspraken) En zaterdag van 10.00 tot 13.00 uur. De hele hippietijd/flower power en alles wat daarbij hoorde is aan mij voorbij gegaan om de doodeenvoudige reden, dat er gewerkt moest worden. Mijn ouders hadden een agrarisch bedrijf. Dat betekende hard werken. Ze hadden het niet zo breed en er moest brood op de plank komen.
Margreet Hagendijk-van den Herik
Eindexamen mms
Ik weet nog precies wat ik in mei 1968 deed: eindexamen mms (middelbare meisjes school) aan het katholieke St. Bonifaciuslyceum in Utrecht. Voor het mondeling eindexamen en de diplomauitreiking golden duidelijke kledingvoorschriften, zoals er kledingvoorschriften bestonden voor vrijwel alledaagse en onalledaagse aangelegenheden. De jongens van het gymnasium en de hbs moesten een colbert of pak dragen. Stropdas verplicht. Weken van te voren werd ons verteld hoe we ons moesten kleden. Zo deed mijn zuster anno 1966 nog eindexamen gymnasium in een camelkleurig, wollen mantelpak met onflatteuze, rechte rok tot ruim over de knie. Een broek was ondenkbaar. In die jaren hing vernieuwing en verandering in de lucht: in de politiek, de kerk, etc. en dus ook op het gebied van omgangsvormen en kleding. We zochten de grenzen van het toelaatbare. Ik droeg tijdens het eindexamen een lichtblauwe, trevira jurk met daar overheen een blazer. De roklengte kan het best omschreven worden met bovenkant knie. De roklengte was cruciaal. Op het eindexamen hoorde je „de stof onder de knie te hebben”. De stof van mijn jurk (trevira) was typerend voor de tijdgeest: makkelijk uit te wassen, strijken overbodig, een zegen voor de moderne vrouw. De lerares geschiedenis had een hekel aan me. Ik zie haar nog afkeurend naar mijn knieën kijken. In mijn herinnering besloeg de stof van het vak geschiedenis het tijdvak Franse Revolutie tot en met de Eerste Wereldoorlog. Typerend voor het geschiedenisonderwijs in die tijd.
Corrie van Dijk
Democratie/ Theocratie ?
Toen in begin 1970 bij de VU in Amsterdam werkte kwam ook daar de democratisering golf door. Veel plenaire vergaderingen en veel onderdachte uitspraken van de studenten. Tenslotte kwam ook de hoogleraar-directeur van mijn subfaculteit aan het woord die verklaarde dat hij zich niet hoefde te verdedigen want hij was goddelijk uitverkoren om leiding te geven. Navraag bij collega's bij andere subfaculteiten leverden soortgelijke uitspraken op. Niet iedereen was het met het zelfverkoren leiderschap eens en met veel moeite werd deze geest weer in de fles gestopt. Die fles is niet vernietigd maar van een verstuiver voorzien en wordt nu regelmatig gebruikt om het geloof te verspreiden. Nu kunnen we genieten van het geloof dat ieder leerling gelijk is, dat de markt de beste regulator van de samenleving is, dat politie en justitie elke cirkelredenatie moeten gebruiken die maar denkbaar is, dat (top)ambtenaren onfeilbaar zijn en wat er nog verder te constateren valt. We hoeven dus niet bang te zijn of te worden voor een ander geloof; we zijn al helemaal blind en doof voor elke vorm van verstand en niet door een ander te beïnvloeden. De revolutie heeft een theocratie opgeleverd.
H.van Ingen
Eerste baan
Mei 1968 Het was mei, en ik stond pas sinds een paar maanden voor die klas, een 6e klas gymnasium van een zeer Christelijk lyceum. Het was mijn eerste baan; ik was kersvers afgestudeerd en werd geacht ze op te leiden voor het eindexamen Frans. Soms twijfelden ze aan mijn competentie, en regelmatig deed ik dat dan zelf ook. Hier leerde ik wat voor de klas staan inhield: in principe viel het gezag mij toe, maar ik moest het nog wel waar maken. Toen werd het mei 1968 in Parijs, met ‘les événements’, de gezagscrisis. Elke ochtend dat ik les gaf, las ik eerst verplicht een stukje voor uit de Bijbel, maar daarna gingen we door met iets uit de krant over Parijs. Ze hingen aan mijn lippen. Langzamerhand kregen we hetzelfde gevoel: ook in Nederland moest er iets veranderen. De Franse studenten streefden naar meer vrijheid en riepen: ‘Het is verboden te verbieden’, of: ‘ni Dieu, ni Maître’. Het ging om democratie, om gelijkwaardigheid, en zowel bij de klas als bij mij begon het te dagen. Het moest allemaal anders, we stonden niet tegenover elkaar, maar naast elkaar. Voor mij was dat een essentiële verandering, en ik denk ook voor hen. De ‘Umwertung aller Werten’ was begonnen, niet alleen in het grote Parijs, maar ook in die kleine klas in Amsterdam. Het gezagsidee verdween en maakte plaats voor een gevoel van samenwerking op hetzelfde niveau. We hadden elkaar gevonden en bij het eindexamen ging het goed met hun Frans.
Helena Erwich
Negen
In mei ’68 was ik negen. Mijn broers van elf gingen elke zondagmiddag spelen bij een vriendje. Een van mijn broers vertelde wat ze daar deden, op voorwaarde dat ik het aan niemand zou vertellen. Natuurlijk niet, aan niemand. Mijn andere broer vertrouwde mij niet. Hij had een hekel aan mij en ik aan hem. Toch kreeg ik het verhaal. Onder leiding van de 18-jarige broer van het vriendje werd elke week een van de aanwezige kinderen door de hele groep gegrepen, uitgekleed en betast. De meeste kinderen waren niet ouder dan dertien. Aanvankelijk maakte ik mij zorgen om mijn broers, maar de broer die het mij verteld had verzekerde mij dat zij beschermd werden door hun vriendje.
De week daarop vertelde diezelfde broer dat afgelopen zondagmiddag het enig aanwezige meisje te grazen was genomen. Ze hadden haar uitgekleed en vastgehouden. Daarop had iedereen van alles in haar vagina mogen stoppen. Volkomen geshockeerd vertelde ik het mijn vader. Eerst liet ik hem beloven aan niemand te vertellen van wie hij het had. Hij moest een beetje lachen om mijn paniek, maar beloofde toch om de verklikker niet, nooit, echt nooit te noemen. Toen vertelde ik hem alles, wat het onmiddellijke einde van de zondagmiddagspelletjes betekende.
De volgende dag siste mijn broer, de gehate, in mijn oor: “Jij bent het geweest!! Als ik er achter kom, sla ik je helemaal verrot!”
Jarenlang heeft hij me bedreigd en af en toe geslagen. Maar hij kwam er niet achter. Mijn vader hield woord.
Marian Wijnen
In de Sorbonne!
Als jongvolwassenen gingen, mijn toekomstige echtgenoot en ik, in de meivakantie naar Parijs. Logeren bij mijn grote broer in het Quartier Latin om daar volop te genieten en rond te slenteren. Op 3 mei zei mijn broer, kom we gaan nu direct naar de Sorbonne, daar is iets aan de hand! Hij had de ontwikkelingen op de radio en buiten gevolgd – tot ons waren die nog niet doorgedrongen. We sprongen bij hem zijn Citroën DS en reden tot vlak bij de Sorbonne, waar zich reeds een flinke menigte had verzameld. In rap tempo begaven we ons naar de aula en daarbinnen begon het al aardig te borrelen. Buiten zag het blauw van de gehelmde gendarmes in politiebusjes en te voet met schilden en aanverwante afweermiddelen, klaar voor de charges. En voor het moment suprême verlieten wij schielijk het toekomstige slagveld. Zo hebben wij dus even aan de ‘grote’ geschiedenis geroken.
M. van As-van der Noordaa
Baardje en snor
Opgevoed in de traditie: wie niet luisteren wil moet voelen, ofwel gehoorzamen. Dan merk je langzaam maar zeker dat er iets aan het veranderen is. Niet alles wat wordt opgedragen hoef je te doen, tegenspraak en discussie kan en zorgt voor zelfvertrouwen, zeker als je dan ook nog je zin krijgt. Ik blijf me wel kleden volgens de norm, dus colbert, overhemd, stropdas. Ik sta immers voor de klas, maar mijn haar ga ik laten groeien! en ik wil een baardje en een snor. De kapper kan me wat. Ik ga langzaam maar zeker behoren tot het langharige deel van de bevolking. het is geen gezicht, maar ik zet door. Tot ik op een bepaald moment toch naar de kapper ga om het een beetje te laten fatsoeneren. Ik kom al jaren bij een duo dat wel van een geintje houdt, maar zelf was ik dan niet het lijdend voorwerp. De twee kappers speelden elkaar de bal toe en daar was niemand tegen op gewassen. Dus op naar de kapper. Ik deed de deur open, de een keek in de spiegel om te zien wie er binnen kwam, en op exact het juiste moment stotterde hij tegen zijn collega: „Jezus is terug op aarde.” Het ringbaardje ging er af, het haar iets korter. De revolutie ging aan mij voorbij.
Wim Vlijm
Vreselijke jaren
In mei 1968 heb ik net eindexamen havo gedaan (eerste lichting) en vakantie(werk) ik me door de zomermaanden heen in afwachting van mijn vertrek naar Engeland als au pair. Ik ben niet politiek bewust of sociaal geëngageerd, draag bij voorkeur mini- jurkjes van bloemetjesstof en heb mijn haar in twee staartjes met gekleurde linten erin. Ik ben nog maagd en heb geen enkele ambitie of voorstelling van de toekomst. In de jaren daarop zal ik bedolven raken onder de nieuwe dogma's van links die volgen op de vrolijke vrijheid van het midden van de jaren zestig. In mijn vrije tijd trek ik me terug in popmuziek, literatuur, beeldende kunst en ik ga een avondopleiding grafische vormgeving doen. In 1980 krijg ik een kind, zeg mijn baan bij de Universiteitsbibliotheek op en begin langzaam aan te begrijpen waar het mij in het leven om gaat. In 1985 vraag ik echtscheiding aan en leef nog lang en steeds gelukkiger want een heel stuk bewuster, socialer en geëmancipeerder dan in die vreselijke jaren 70.
Marja de Rode
Aan boord
In mei 1968 was ik gewoon aan het werk, op zee, aan boord van een schip in het Caraïbisch gebied. Ik herinner het mij nog als de dag van gisteren. In juni 1969 keerde ik weer terug in Nederland. Ik deel dus die merkwaardige fascinatie met mei 1968 niet met de nationale media waaronder tot mijn verwondering ook de NRC. Heb mij wel heel vaak de vraag gesteld wat de commentaren toen en nu zouden zijn geweest wanneer kaalhoofdige ontevreden neonazi-achtige typen een spoor van vernieling en brandstichting hadden getrokken door de straten en over de boulevards van Parijs op weg naar de Renault-fabrieken om te ‘verbroederen’ met de arbeiders in de fabrieken. Ik vermoed zomaar dat de empathie en mildheid een stuk minder zouden zijn (geweest), en terecht. Alsof de studentenrevolte van mei 1968 alleen maar zegeningen heeft gebracht. Geen enkele aandacht voor de uitwassen of vraag hierover, slechts nostalgie naar een tijd toen het nog spannend was. Merkwaardig, de maatschappelijke ontwikkelingen zouden ook zonder brandstichting en vernieling niet tot stilstand zijn gekomen. Panta Rrei, de Griekse filosoof Heraclitus wist het al.
W.J.J. van der Knaap
Niet leuk
Ik zat op een bankje in het door dicht struikgewas en hoge bomen van de wereld afgesloten volksparkje in Zaandam te janken als een van de wal in sloot gegleden kind dat niet meer weet hoe het op het droge moet komen. Hoe kon het toch zover zijn gekomen? 1961, net terug uit militaire dienst in Nieuw-Guinea en nog geen jaar later trouwen met het buurmeisje omdat ze zwanger van me was. ’t Heeft geen half jaar geduurd. Toen werd ik kunstenaar en speelde voor de kost in een rock&rolbandje dat al snel veranderde in een Beatles-bandje. Alles kon, alles mocht, alles werd anders, alleen maar door die Beatles. Naar Duitsland met de band, elke dag spelen, meiden, zuipen en neuken. „Bei uns ist alles Besser!” Marlies en die had al twee kinderen. Nu ja, toch maar terug naar Nederland, fabrieksbaantje want ja, je moest toch wel economisch gebonden zijn. Kinderen groeien op, nieuwe kinderen worden geboren, een groter huis. Alles kan, alles mag, alles is anders? Welnee, wat een puberale onzin. Ik kan de hypotheek nauwelijks betalen, m’n huis moet gerepareerd. Marlies heeft een inzinking omdat er wéér een kind aan zit te komen en ik ben m’n baan kwijt. Drumstel verkocht, platen verkocht, in godsnaam de pick-up ook maar dan kunnen we weer wat eten. Maar in het parkje hoor en zie je niks van de wereld en kan ik me laven aan het muzikale getsjirpt van de vogels. Mei 1968, nee, erg leuk was het niet.
Dick Visser.
Examenfraude?
Mei 1968, niks revolutie of anderszins. Gewoon mondeling eindexamen gymnasium B. We deden nog eindexamen in twaalf vakken. Onze leraar klassieke talen voorvoelde dat wij als rechtgeaarde beta’s meer gevoel hadden voor cijfers dan voor letters. Het examen Grieks zou bestaan uit het vertalen van een fragment van ongeveer twintig regels uit de Ilias of de Odyssee van Homerus. Om enigszins tegemoet te komen aan onze vrees om bij het mondeling examen Grieks te falen, stelde de leraar een lijst van driehonderd woorden samen die we absoluut moesten kennen. Een klasgenoot, de zoon van de conrector, was een computernerd avant la lettre! Aan de hand van een uitgebreid Grieks-Nederlands woordenboek wist hij bijna alle vijftien stukken uit het werk van Homerus te lokaliseren met een marge van vijf regels. We wisten dus wat ons te wachten stond. Tijdens het examen veinsden we ten opzichte van de rijksgecommitteerde dat we het tekstfragment voor het eerst zagen. Met veel moedwillig aarzelen haalde ik een zeven. Daarna werd het een fantastische zomer, tien weken lang feesten, elke ochtend beneveld om zes uur thuis, Jan Jansen won de Tour de France. Het is met mijn klasgenoten en mijzelf toch goed gekomen: na fysiotherapie orthopedisch chirurg geworden, wellicht over drie of vier jaar met pensioen. Enkele jaren geleden is mijn leraar klassieke talen overleden, iets te veel gerookt, net als ik. Ik was bij zijn uitvaart, ik heb hem bedankt.
A.F.M. Diepstraten
Geen trein
In mei 1968 woonden wij dichtbij Parijs. Op de 11de werd daar onze zoon Francis geboren. Kort voor zijn geboorte wandelden wij bij ‘het Luxembourg’ toen ik een geur rook die me deed denken aan mijn militaire diensttijd: traangas. Om de hoek, op de Boulevard St. Michel, bleek een veldslag tussen studenten en de politie gaande te zijn. De kleine in de buik liet blijken dit niet leuk te vinden. Gauw maar omgekeerd. Na de geboorte zou mijn moeder komen bakeren, maar de hekken van het Gare du Nord waren erg dicht. Er reed geen enkele trein, ook geen internationale. Ze werd een dag later gebracht door zwager Johan, die zijn eend van voldoende benzine voorzag om op de terugweg België weer te kunnen halen. Nergens benzine te krijgen. Na een week vertrok mijn moeder weer met Finnair, de enige maatschappij die nog op Parijs vloog, vanaf de vliegbasis Brétigny. Haar ticket Paris Brétigny-Amsterdam is een onwezenlijk souvenir.
Fransois van Haaff
Docent
April 1968. Een groep van 50 studenten zit verwoed te pennen: zelf zit ik op een tafel (uit veel collegezalen zijn de podia verwijderd, te hiërarchisch) en leg de kneepjes van de Spaanse grammatica uit. Een jongen achterin is mij al een paar keer opgevallen: hij kijkt dromerig voor zich uit en noteert nooit iets! Mei 1968. Ik zie dezelfde jongen met grote aandacht de les volgen en de ene notitie na de andere maken. Bij het uitgaan van het college vang ik hem op, informeer nieuwsgierig naar de reden voor zijn zichtbaar toegenomen interesse. Schutterig geeft hij de verklaring: „Ja, eh, ziet u, ik volg de cursus: Hoe beoordeel ik mijn docent.”
J.B. Vuyk-Bosdriesz
Verse echtgenoot
In mei 1968 was ik net 3 weken getrouwd. Mijn verse echtgenoot was voor zijn afstudeerproject, met zijn hoogleraar en een paar mede studenten, in Parijs. Van daar uit belde hij me: "Ik bel je vanuit een café! ! We zijn hier naar binnen gedreven door de politie en we mogen er niet uit!! Er zijn rellen op straat....schreeuwende studenten en gewapende politie!! Je kunt ze horen...Hoor je ze??!! Ik hoorde vooral de intense opwinding van mijn man, die ook nog maar een jongen was, maar echt begrijpen deed ik het niet. Na een degelijke jaren-'50-jeugd waren de veranderingen van de jaren '60 nog nauwelijks tot mij doorgedrongen en in 1968 was ik eigenlijk nog een zoet vlak-na-de-oorlogs-kind. Het woord 'revolutie' bestond voor mij alleen maar uit letters.
Mathilde Rauwerda
Evolutie
Dat 1968 een revolutionair jaar was moge waar zijn voor Parijs en andere hoofdsteden, in Nederland heb ik daar niets van gemerkt. We hadden hier in voorgaande jaren al provo, boer Koekoek en in zijn kielzog de succesvolle start van D66, dat als een doorbraak werd gevoeld. Ook de acceptatie van homoseksuelen was in die tijd al goed op gang, althans in de kroegen van Eindhoven. Zo ook de discussie over de oorlog in Vietnam. Er hing iets in de lucht, een tastbaar optimisme over de toekomst. Er was plezier in de maatschappij, alsof we een bevrijding meemaakten. Deze evolutie bereikte ook bredere kringen met in 1969 incidenten als ‘Johnson moordenaar’ en de Maagdenhuisbezetting. Van een seksuele revolutie was hier geen sprake. In mijn beleving was het een evolutie die al ten minste 10 jaar eerder was begonnen en zich daarna heeft doorgezet. Ik kan dat weten want had in mei 1968 de leeftijd van 30 jaar, was een mooie jongen en een liefhebber van vrouwelijk schoon. De meisjes waren ver voor 1968 al heel willig! De komst van de pil heeft de evolutie versneld. In mei 1968 had ik juist mijn afstudeerwerk aan de TU te Eindhoven afgerond. Na een studie van bijna 7 jaar, pas begonnen op de leeftijd van 24 jaar. Met een terug te betalen renteloos voorschot dat per jaar werd verlengd op basis van studieprestaties. Als je erg goed presteerde werd achteraf het voorschot omgezet in een beurs! Zo ging dat indertijd, een simpel maar wel effectief systeem.
P. Verberne
Binnen en buiten
In mijn studententijd bezocht ik op 30 mei 1968 in Carré een ‘politiek-demonstratief experimenteel concert’. Daar werden werken uitgevoerd van Louis Andriessen, Peter Schat en Misja Mengelberg. Het stuk van Peter Schat was getiteld ‘On Escalation’. Daarin bevond zich het ene moment een speler ‘binnen’ de partituur en het volgende moment er ‘buiten’ en dit in toenemende mate zodat tenslotte steeds meer musici zich aan de invloed van de dirigent onttrokken en het stuk als het ware uit de hand liep. Vooraf kregen we een pamflet uitgereikt met een tekst van Peter Schat waarop stond ‘In naam van de samenleving’. De aanhef was nogal dreigend: “De wereld brandt. Mensen vernietigen elkaar. De Nederlanden worden geregeerd vanuit een ziek parlement.” En natuurlijk werd er ook ingegaan op de rellen op straat: “De jeugd wordt op straat geslagen omdat de jeugd zich verzet tegen onrechtvaardigheid. Wij zijn in opstand , de politieke partijen doen niets. Dus de samenleving neemt het bestuur van de samenleving zelf in handen.” Voorts heel veel kritiek op de macht van de reclame. En onderaan was met de hand geschreven: “Daarom zijn wij hier en willen antwoord. Sluit de ogen en hoort het konsert van Peter Schat.” De eerlijkheid gebiedt te vermelden dat er toen ook al musici waren die nadrukkelijk afstand namen van de politieke context. In het programmaboekje stonden hun namen met daarbij de vermelding dat ze zich distantieerden van elke politieke opvatting en uitsluitend meewerkten uit artistiek oogpunt.
In de beste traditie van Bertolt Brecht: kunst als ‘wapen’ tegen onrecht en uitbuiting. Het publiek werd als het ware meegenomen in de strijd en kreeg het idee dat er iets ‘gebeurde’. In Parijs gebeurde nog veel meer. Al was het voor mij een grote teleurstelling toen ik in een studentenbetoging terecht kwam en zag dat het geen idealistische studenten waren die streden voor hun mening, maar dat er professioneel aandoende vechtersbazen rondliepen die de oproerpolitie met stenen bekogelden.
Daan Thoomes.
Bloembollenschuit
Acht maanden eerder waren we getrouwd en zijn toen gaan wonen op een oude bloembollenschuit gelegen in het Zuiderbuiten Spaarne bij Haarlem. Wij kozen voor primitieve vrijheid in de natuur boven een verdieping ergens in onrustig Amsterdam. Onze woonboot lag zonder vergunning, dus geen water, gas en licht! Ik zaaide gras op een reepje grond langs het jaagpad en knipte in mei het eerste gras op de knieën met een heggenschaar (ƒ 3,95). Dagelijks op de fiets naar het station om met de trein naar Amsterdam te reizen. Ik was in opleiding bij de Amrobank op de hoek Dam/Damrak. Ik had oogcontact met de provo’s gezeten rond het Monument. Als bankman keek ik letterlijk en figuurlijk op hen neer. Volgde de studie economie bij de Ring van Rotterdamse Repetitoren. Daarvoor ging ik op zaterdag naar de Keizersgracht 327 of naar een zaaltje aan het Vreeburg in Utrecht. Een retourtje Amsterdam-Utrecht kostte ƒ 3,90. Op zaterdag 11 mei had ik mijn eerste schoolreünie van de bijzondere hbs F. de Munnik in Utrecht. Een eerste vervreemding van het jonge verleden. Op 25 mei vertrokken wij op één Mobylette via de afsluitdijk naar Harlingen om met de ‘Friesland’ over te varen naar Terschelling. Eén week vakantie! Begin mei maakte ik mijn eerste afspraak met professor dr. Haex in Leiden, die later vaststelde dat ik de ziekte colitis ulcerosa had. Bij hem was ik in goede handen, want ik leef nog steeds!
H. Doeleman
Provocatie
In mei 1968 ben ik acht jaar en zie vanuit ons raam aan de Vijf mei- laan in Leiden Zuidwest op het Vijf mei-plein het bronzen beeld in de fik staan. Eromheen een massa protesterende studenten. Waartegen ze protesteerden wist ik niet, maar wel vond ik het heel bedreigend omdat zij veel grotere jongeren waren en ook met zoveel. Ik maakte ook wel vuurtjes, maar nooit zo openlijk en we waren met hooguit vijf man. Weliswaar had ik een kleinburgerlijk kikkerperspektief, maar ik ervaarde het als echt satanisch; het plein was niet meer hetzelfde na deze seance. Die zomer kwamen bij ons in de flat ‘de hippies’ wonen. Ze schilderden hun muren paars en vanaf de straat was duidelijk te zien dat ze op de muur ook nog het silhouet van een zwarte panter hadden aangebracht. Deze buurman leek op Jimmy Hendrix, zijn vrouw op Mariska Veres. Hij werd door ons geprovoceerd meer dan goed was. Zo liep ik op een dag na die zomer op de Segaarstraat met een vriendje al tergende, pal achter hem aan. Hij draaide zich plotseling om en haalde zijn vuist uit naar mij. Ik sloeg achterover. Er zat een barstje in mijn gehemelte. Ik weet nog dat mijn vader met mij aan de hand terug van het ziekenhuis die avond bij hen aanbelde en dat mevrouw open deed en zei „dat kan hij niet gedaan hebben”.
Martin van den Oever
Volwassen
Ik deed mijn laatste tentamens voor mijn kandidaatsexamen. En ik was verliefd op een nieuw meisje. Mijn oude vlam zette ik aan de kant op een manier waar ik me nóg over schaam. Zij bezocht me thuis in de verwachting voor het eerst seks met me te hebben. Mijn moeder was met vakantie en de kust was dus klaar. We zouden onze eerste ervaring hebben, dacht zij. Maar, ik ging haar vertellen dat er net met karnaval iemand anders in mijn leven was gekomen. Gelukkig vertelde ik het wel vóór ik de daad met haar deed. Die kwam er dus niet echt van, alleen wat halfhartige pogingen uit woede en verdriet. Twee dagen later ging ik mijn moeder op haar terugreis ophalen in Parijs. Ik liep met haar over de Place de l’Odeon, toen we een grote groep demonstrerende studenten tegen kwamen. De politie zorgde voor een vrije doorgang tussen hen en de toekijkende burgers en toeristen. Ik keek mijn ogen uit: zo kon het ook, geweldloos en met respect. Toen ik thuiskwam zag ik nieuwe beelden uit het Parijs van een paar dagen later: barricades en waterkanonnen, bulldozers en brandende auto’s, gewonden en toevallig verpletterde doden, woede en verdriet. Ik was 21. Volwassen, zeggen ze.
Hans Bergmans
Harde aksies
In mei 1968 zat ik nog op de mms in de Gerrit van der Veenstraat in Amsterdam. Het waren mooie jaren. We hadden een schoolparlement dat een staking uitriep als de verwarming te laag stond. We hadden een koffieautomaat op de gang en we mochten tijdens de les de klaslokalen verlaten als we zin in een bekertje koffie hadden. Daar was harde actie voor gevoerd. Maar we hadden ook vermaarde leraren zoals Piet Calis (schrijver en literatuurpsecialist), Emmanuel Kummer (de met de Martinus Nijhoff-prijs begiftigde vertaler van Céline’s Reis naar het Einde van de Nacht), Rob Nieuwenhuys (de meermalen bekroonde schrijver van o.a. de Oost-Indische Spiegel) en Richter Roegholt (Amsterdams stadshistoricus), die onze ‘harde aksies’ van harte aanmoedigden. We hielden bruisende schoolfeesten en interessante thema-avonden. Simon Vinkenoog kwam gedichten voorlezen en ons vertellen over de geneugten van het roken van wiet. Boudewijn de Groot zong ‘Welterusten, meneer de President’ en wij zongen uit volle borst mee. Het was de tijdgeest. Ik geloof niet dat wij, meisjes op de mms, zo geïnspireerd werden door de studentenrevolte in Parijs of de bezetting van het Maagdenhuis. Zeker is dat de docenten ons in opperste anti-autoriteit veel over kunst en cultuur hebben bijgebracht, niet gehinderd door rigide richtlijnen van een op hol geslagen ministerie van Onderwijs. Ik ben ze er nog altijd dankbaar voor.
Patty Oosterbaan
Songs
In april 1968 was ik als 15-jarige voor het eerst van mijn leven in Parijs. Op toeristenbezoek, in de hoofdstad van De Gaulle’s trotse en stabiele Frankrijk. Niets deed veronderstellen dat dit ooit zou veranderen, en ik vergaapte mij dan ook zonder ruis aan het Louvre, de impressionisten, de Eiffeltoren en het graf van Napoleon. Natuurlijk zweefde er in april 1968 ook een vleugje ‘sixties’ door de Franse hoofdstad. Zoals de prachtige psychedelische posters van Peter Max. En de hit Lady Madonna van de Beatles, een niemendalletje dat je te pas en te onpas hoorde. Lady Madonna gaat over een slovende huisvrouw. Na mei 1968 zongen ook de Beatles in een andere klankkleur. En over minder onschuldige onderwerpen. Eén van hun songs heette toen Revolution.
Wout Visser
In Accra
In mei 1968 woonde ik in Lagos, toen nog de hoofdstad van Nigeria. De Biafraanse burgeroorlog was een jaartje aan de gang. De Nigerianen vonden in die burgeroorlog een welkom excuus om niets te willen weten van de diensten die het International Labour Office, een dochterorganisatie van de Verenigde Naties, hun zo graag door de strot hadden geduwd. Daarom weken wij vaak uit naar andere West-Afrikaanse landen die ook onder ons bureau ressorteerden. Zo kwam je nog eens in plaatsen als Ouagadougou of Bobo Dialasso. Tijdens de meidagen van 1968 logeerde ik bij vrienden in Accra, Ghana. Pas langzaam kregen wij door dat er in Frankrijk iets gaande was. Ik herinner me een weekeinde, waarop we niet anders deden dan in de tuin zitten en drinken. Mijn gastheer had zijn draagbare radio in het gras gezet, maar we luisterden nauwelijks. De evenementen vervulden voor ons dezelfde functie als het radioverslag van Hitlers bezoek aan Mussolini in de film: Una Giornate Particolare. Namelijk die van achtergrondgeruis. Vaag vingen we het bericht op dat de Gaulle in Baden Baden (of all places) zou zijn aangekomen. De houseboy kwam steeds weer met nieuwe glazen campari aanzetten. Ik zag hoe een groen slangetje over de radio kronkelde. In het woonhuis liet een gekko zijn schrille kreet horen. En een continent verderop kraaide de revolutie boven de Boulevard Saint Michel.
Rik Kuethe
