‘Een elektronisch dossier is riskant’

Door onze redacteur Antoinette Reerink

Kindermishandeling komt honderden keren per dag voor. Artsen en hulpverleners hebben zich te lang verstopt achter ‘de privacy’ om zich er niet mee te bemoeien. Die tijd is nu voorbij.

Den Haag, 30 juli. Een kinderarts meldt een vermoeden van kindermishandeling nadat een leerling-verpleegkundige had gezien dat een moeder tijdens het baden het hoofdje van haar kind onder water hield. Niet voor alle artsen is zo’n melding vanzelfsprekend, want zelfs als zij getuige zijn van een strafbaar feit, hebben zij zich aan hun eeuwenoude medisch beroepsgeheim te houden. De ouders van het kindje stapten dan ook naar de tuchtrechter, ze waren woedend over de melding van de kinderarts. De tuchtrechter oordeelde in dit geval dat de dokter juist gehandeld had.

Artsen zijn zeer terughoudend om melding te maken van vermoedens van kindermishandeling, zegt gezondheidsjurist Johan Legemaate. „Dat heeft te maken met hun beroepsgeheim en hun idee over privacybescherming.”

De tijd van terughoudendheid is nu voorbij. De ‘mindset’ van dokters moet om, luidde de conclusie van deskundigen die op uitnodiging van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) eerder dit jaar discussieerden over kinderen in nood en de privacywetgeving. Nieuwe inzichten in het aantal kindermishandelingen in Nederland (tussen de 100.000 en 160.000 per jaar) en een opeenstapeling van familiedrama’s zoals die van het meisje Savanna en het Maasmeisje Gessica, hebben de privacybescherming en het medisch beroepsgeheim in een ander licht geplaatst. Net als met de terreurbestrijding lijkt de maatschappij, als het de veiligheid van kinderen betreft, bereid om het recht op privacy in te perken.

Bij veel van de dramatische incidenten bleek sprake van gebrekkige gegevensuitwisseling tussen hulpverleners. Onduidelijkheid over privacywetgeving speelt daarbij een belangrijke rol, stelde bijzonder hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning vorig jaar in haar oratie.

Die onduidelijkheid schuilt niet zozeer in de privacywetgeving zelf, licht Jacob Kohnstamm, voorzitter van het College Bescherming Persoonsgegevens (CPB) toe. Maar wél in de foute interpretatie ervan. „De wetgeving wordt soms als schaamlap gebruikt om onprofessioneel gedrag te maskeren”, zegt Kohnstamm.

Dat de autonomie van de patiënt en het gezin niet meer oneindig is, blijkt ook uit de uiteenlopende initiatieven van minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, CU) om snel in te kunnen ingrijpen bij families waar iets ‘niet pluis’ is. Zo wil hij vanaf 2008 van alle jeugdigen (tot 23 jaar) een elektronisch kinddossier aanleggen. Daarnaast komt er nog een verwijsindex, een alarmsysteem om professionals er op te attenderen dat een kind dreigt te ontsporen.

Waar ligt de grens van de opslag van informatie, die jaren met het kind mee zal gaan? Zijn de criminele activiteiten van ouders of gegevens over de hulpverleningsgeschiedenis van broertjes of zusjes ook relevant bij de risico-analyse van een kind?

De Nijmeegse hoogleraar sociale geneeskunde Ernst Roscam Abbing heeft ambivalente gevoelens. Hij ziet het gevaar dat kinderen worden gestigmatiseerd, terwijl „het wetenschappelijke bewijs dat het mis gaat beperkt aanwezig is”. Volgens Roscam moeten hulpverleners tijdens hun scholing veel beter leren dat zij twee plichten hebben: een zwijgplicht en een hulpverleningsplicht. „Soms is het nodig om het beroepsgeheim te doorbreken om aan de hulpverlenersplicht te voldoen. Nu zijn artsen onder het mom van hun beroepsgeheim ook vaak gemakzuchtig.”

Gemakzucht is met het elektronisch kinddossier en de verwijsindex niet te voorkomen. Integendeel, vreest Kohnstamm. „Het risico bestaat dat professionals denken dat zij hun plicht hebben volbracht als zij gegevens over een kind in de computer hebben ingevoerd. Dat negatieve effect mag natuurlijk nooit optreden. Het kind is niet gebaat bij het vastleggen van gegevens, maar bij hulp.”

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Privacy
Binnenland