Politicus Ronald Plasterk maakt verwachtingen nog niet waar

Minister Ronald Plasterk (Onderwijs, PvdA).
Door onze redacteuren Wubby Luyendijk en Pieter van Os

Den haag, 29 aug. Bestuurders uit het hoger onderwijs, betrokkenen uit de Nederlandse cultuurwereld, partijgenoten op het Binnenhof en ook de voorzitter van de homo-organisatie COC zijn teleurgesteld in minister Plasterk (OCW, PvdA).

„Slaat bij het hoger onderwijs tot nu toe geen flinke deuk in een pak boter”, zegt de voorzitter van de HBO-raad Doekle Terpstra aan de vooravond van het academisch nieuwjaar tegen NRC Weekblad. „Geen enkele lijn in zijn beleid”, oordeelt de voorzitter van de Kunstraad Jan Riezenkamp. „Gaat kopje-onder in een kabinet vol mannenbroeders”, reageert Wouter Neerings, voorzitter homovereniging COC. „Moet fanatieker op de zeepkist van het onderwijs gaan staan”, zegt Frits van Oostrom, hoogleraar Nederlandse letterkunde. Leden van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer noemen Plasterks optreden rond de vestigingsplaats van het Nationaal Historisch Museum „geblunder”.

De verwachtingen waren hooggespannen toen de veelvuldig gelauwerde wetenschapper, directeur van het Hubrecht Laboratiorium en scherpe columnist Plasterk in 2007 de minister werd. Maar halverwege zijn ambtstermijn is het enthousiasme over hem getemperd. De tweede man van de PvdA in het kabinet wordt stilstand verweten, gebrek aan daadkracht en te weinig visie. Een kennisagenda, die Nederland internationaal weer op de kaart zou zetten, is vooralsnog uitgebleven. Op mediabeleid propageert Plasterk zelfs actief de status quo. En binnen de PvdA hadden ze meer verwacht van zijn bijdrage aan de discussie over de koers van de partij.

Zelf zegt de minister, in reactie op de kritiek: „Ik heb over onderwijs en cultuur keuzes gemaakt waar belangengroepen niet altijd blij mee zijn. Kritiek hoort erbij, maar ik sta voor mijn keuzes. De kritiek van het COC raakt me wel: geen kabinet heeft zoveel voor homo’s gedaan als wij, en ik ga daar zeker ook mee door.”

Vandaag in NRC Weekblad (29 augustus) een uitgebreid verhaal over de kritische geluiden over minister Plasterk, of neem een webabonnement of tijdelijke toegangspas.

Bekijk hier enkele uitgewerkte interviews met bekenden van minister Plasterk:

De hogescholen over Ronald Plasterk

De kennismaking van de hogescholen met Ronald Plasterk was veelbelovend. Tijdens het jaarcongres van de HBO-Raad op 27 april 2007 besloot de minister zijn toespraak met de woorden: „U bent mijn grootste agendapunt, laat daar geen misverstand over bestaan.” Lees hier de speech van Plasterk.

Maar tweeënhalf jaar later is van Plasterks voornemen volgens de hogescholen nog niks terecht gekomen. „Nog steeds vragen we ons af: wie is onze minister eigenlijk?”, reageert Doekle Terpstra, voorzitter van de HBO-Raad, de vereniging van de hogescholen.

Terpstra’s oordeel over Ronald Plasterk als minister van hoger onderwijs is negatief. Ronald Plastrek heeft in het hoger onderwijs halverwege zijn termijn nog te weinig gepresteerd, zegt hij: „Tot nu toe slaat Ronald Plasterk in het hoger onderwijs geen flinke deuk in het bekende pak boter.”

Henk Pijlman, collegevoorzitter van de Hanzehogeschool Groningen beaamt dat. „Voor de problemen die het nieuwe bekostigingsstelsel oproept laat hij de HBO-Raad een oplossing zoeken. Een internationaal perspectief schetst de minister niet. De Nederlandse hogeschooldiploma’s zijn in het buitenland vaak onherkenbaar door de onduidelijke titulatuur. En als sociaal-democraat ziet Plasterk ook geen rol voor de hogescholen weggelegd in zijn emancipatiebeleid. Terwijl hij dat perspectief wel schetste in zijn eerste speech bij ons.” "

Sijbolt Noorda over Ronald Plasterk

Sijbolt Noorda, voorzitter van de Vereniging van Universiteiten (VSNU), heeft geen klachten over de minister. „Het enige dat je hem zou kunnen verwijten is dat hij een collegiaal minister is in het kabinet Balkenende IV, een kabinet dat te weinig doet, veel te weinig, aan lange-termijninvesteringen in de samenleving. Zo zie je aan alle indicatoren dat Nederland op het gebied van het hoger onderwijs langzaam maar zeker achteruit kachelt. Dat weet Plasterk ook. En toch lijkt het kabinet zich daar geen enkele zorgen over te maken.”

Maar Noorda zegt ook: „Wat niet is, kan nog komen. Plasterks termijn is nog lang niet voorbij.” Bovendien vindt de voorzitter van de samenwerkende universiteiten het prettig omgaan met „een minister die begrijpt wat er speelt in de wetenschap”. Noorda: „Er blijft je daardoor veel ongein bespaard. In het verleden heb ik dat wel anders meegemaakt met staatssecretarissen en ministers, die zonder enige kennis van zaken met grote stelligheid hun plannen en ideeën op je afvuurden.”

Noorda plaatst ook kanttekeningen bij de zin van een tussentijdse balans, zoals NRC Handelsblad die probeert op te maken: „Ook Plasterk zal vooruitkijken, net als de rest van het kabinet. En dan zal hij zich de vraag stellen: Met welke boodschap wil je de verkiezingen in? Dat je achteruitkachelt? Vast niet. Ik sluit niet uit dat Plasterk in de komende tijd alsnog met extra investeringen in het hoger onderwijs komt.” De teleurstelling van wetenschappers die hoopten dat Plasterk zich meer als voorman van het hoger onderwijs zou ontpoppen, deelt hij niet. „Een Popeye-rol voor de wetenschappen past hem niet. Dat moeten we ook niet willen, want zoiets werkt nooit.” "

Jan Riezenkamp over Ronald Plasterk

Jan Riezenkamp, voormalig directeur generaal op OCW en tegenwoordig voorzitter van de Kunstraad. „Ik zie geen enkele grote lijn bij Plasterk. Niet op mediagebied, niet in het hoger onderwijs, en al helemaal niet bij de kunst.”

„Hij laat zijn concentratie voortdurend breken door mediamomenten en incidenten. Je ziet dat vaker bij ministers die uit de wetenschappelijke wereld komen. Plasterk weet alles van een wormpje, maar overziet het dierenpark niet. In zijn geval letterlijk: hij heeft zijn wetenschappelijke carrière gebouwd op het kraken van de genetische code van de C. Elegans, een worm. Besturen moet je vergelijken met een fruitmachine. Er moeten drie aardbeiden op een rijtje komen te staan, aan één heb je niets. Dit soort slimme ministers concentreren zich op één aardbei, zonder te zien waar de andere twee vallen.”

„En daar komt nog iets bij: Net als Ritzen denkt hij altijd overal alles van af te weten. Dat gaat tegen je werken, want daardoor luistert hij te weinig, maakt hij geen gebruik van de kennis die aanwezig is op een ministerie. Al moet in zijn voordeel worden aangevoerd dat zijn ambtelijke staf inhoudelijk weinig is ingevoerd. Sinds enkele jaren zijn dat de typische managers waar hij in het onderwijs tegen ten strijde trekt. Regelaars zonder veel kennis en liefde voor het eigen beleidsterrein.”

Plasterks probleem is allesbehalve uniek, zegt Riezenkamp. „Ik zag het ook bij Jo Ritzen, Rick van der Ploeg. Hele slimme mannen, maar om een goede minister te zijn, moet je niet alleen over cognitieve vaardigheden beschikken. Het gaat vooral ook om sociale intelligentie. Dat heeft Plasterk, voor zover ik het kan zien, veel minder dan de pers tot nu heeft beweerd. Hij lijkt heel soepel, op het eerste gezicht, maar dat is hij helemaal niet.”

„Als je Plasterk in perspectief zet, kun je achteraf zeggen dat Brinkman en D’Ancona de besten waren. Zij stelden zich bescheiden op tegenover hun ambtenaren, maar wisten in de ministerraad veel voor elkaar te boksen voor hun ministerie. Neem Hedy d’Ancona. Ik herinner me goed dat die eens aan ons vroeg: ‘Jongens, moet ik dit echt allemaal weten?’ We spraken toen over kunst in de depots van nationale musea. ‘Ik ben geen kunstkenner’, zei ze. ‘Dat maken jullie mij vast ook niet in een paar dagen. Maar ik ben wel een jiddische marktkoopvrouw, dus vertel me wat er nodig is, dan regel ik dat jullie dat krijgen.’ Niet iedere minister hoeft zo’n ideale houding te hebben, maar die van Plasterk is het andere uiterste. Hij weet alles al en is niet erg geneigd om zijn ambtenaren hun inbreng te laten leveren.”

Wouter Neerings over Ronald Plasterk

Wouter Neerings, voorzitter van homo-organisatie COC. „Als persoon heb ik Ronald heel hoog zitten. En natuurlijk is het mooi dat hij onze zaak is toegedaan, zichtbaar en uitgesproken. Maar het is jammer dat als we iets concreets aan hem vragen, hij kopje onder blijkt te gaan in dit kabinet Balkenende, vol christendemocraten en andere mannenbroeders.”

Het COC vindt dat homoseksuele leraren een betere wettelijke bescherming verdienen tegen ontslag op basis van hun geaardheid dan nu het geval is. Brussel vraagt hetzelfde van het Nederlandse kabinet.

Neerings vertelt hoe de wetenschapper Ronald Plasterk hem imponeerde: „Een paar jaar geleden was ik met een bijeenkomst van Nintes, een club van bestuurders van de toekomst. Plasterk sprak daar over hele gevoelige materie. DNA en het DNA-paspoort. Hij deed dat geweldig. Helder, zonder om de hete brei heen te draaien en in het volle bewustzijn van de politieke en maatschappelijke gevoeligheden. Ik weet nog goed dat ik met Willemijn Baas, de jonge voorzitter van de Avro, over hem sprak. We waren het roerend eens: zo’n man moeten ze nu eens vragen de politiek in te gaan. En toen hij minister werd, hebben we elkaar opnieuw gesproken. Nu gaat het gebeuren, dachten we. Maar al snel bleek de man toch te veranderen in een politicus, in de oude zin van het woord. Hij zoekt nu voortdurend het compromis in het kabinet. Slaat nooit voor ons met de vuist op tafel. Dat is jammer, niet goed voor de homo-emancipatie en ook niet goed voor de persoon Plasterk. Hij zal toch een balans moeten vinden tussen de beschouwer Plasterk en de politieke tacticus.”

Paul Bordewijk over Ronald Plasterk

Paul Bordewijk en Ronald Plasterk zijn al jaren bevriend. In de jaren tachtig waren ze samen namens de Partij van de Arbeid actief in de lokale politiek van Leiden. Bordewijk was lange tijd wethouder van die stad. Hij las altijd alle columns van Plasterk voor publicatie.

Bordewijk meent dat Plasterk als minister opereert „in drie dimensies op de links-rechtsschaal”.

Eén, op het gebied van de verzorgingsstaat. „Hij is altijd een groot verdediger geweest van de voorzieningen van de verzorgingsstaat. Zijn afkeer van Europese-integratie-zonder-vragen- stellen is daar ook aan verbonden. In 1992 hebben we samen nog een artikel voor Socialisme&Democratie geschreven over het Deense referendum over de EU. Toen al zeiden we: je kunt maar niet steeds alle neoliberale besluiten uit Europa accepteren met het verhaal dat er door Europa nooit meer oorlog komt.”

„De tweede dimensie is wat Ronald wel het ‘Anne Frankisme’ heeft genoemd. Dat komt er op neer dat je de positie van moslims gelijk stelt aan die van joden in de jaren dertig en begin jaren veertig. Dat heeft de Anne Frank Stichting in zekere zin gedaan met het besluit, jaren geleden, zich in te zetten tegen alle vormen van racisme en discriminatie jegens allerhande minderheden. Ronald heeft zich daar altijd tegen verzet. Hij heeft ook altijd gezegd dat de PvdA op het gebied van de multiculturele samenleving steken heeft laten vallen.”

Religie vormt de derde dimensie op de links-rechtsschaal. „Ronald is meer gebrand op mensen die vaag in ‘iets’ geloven, door hem ‘ietsisten’ genoemd, dan op orthodoxe christenen. In zekere zin is hij zelf ook orthodox, maar dan voor de redelijkheid en het wetenschappelijke verhaal.” De bemoeienissen van Plasterk met de Gay Pride moeten in dit licht worden gezien, zegt Bordewijk. „Het is toch wel indrukwekkend, dat hij vorig jaar nog veel kritiek kreeg op zijn deelname aan die grachtentocht, terwijl het CDA dit jaar een eigen boot had?”

Bordewijk wijst er op „hoe ver terug” Plasterks opvattingen gaan. Hoe groot zijn consistentie van denken is. „Hij was begin jaren negentig sterk gekant tegen de ingrepen in de Ziektewet en WAO. Hij meent dat PvdA-politici het vertrouwen niet moeten schaden van de minderbedeelden voor wie ze in de politiek zitten.”

En wat de teleurstelling van wetenschappers betreft: „Die is vertekend. Want Ronald doet wel degelijk iets. Zo heeft hij geld weggehaald bij de instellingen, om direct aan de wetenschappers te geven. Dat vinden de universiteiten natuurlijk niet prettig, en dat is waar je de klachten hoort.”

Plasterk, zo legt Bordewijk uit, is altijd betrokken gebleven bij de politiek, al werkte hij als wetenschapper in een laboratorium. Plasterk heeft al eens eerder geïnformeerd naar het Kamerlidmaatschap. „De partij had een procedure om Kamerlid te worden. Ik heb hem toen al eens aanbevolen. Ronald had er ook wel oren naar. Maar gek genoeg werd het hem afgeraden door de partij zelf. Ze vonden dat hij ‘te zwaar’ was voor het Kamerlidmaatschap.”

Bestuurders uit de cultuurwereld klagen over de ijdelheid van de minister, die hem in de weg zou staan bij het ontwikkelen van een strategie voor het verwezenlijken van enkele lange-termijndoelenstellingen. Bordewijk verdedigt zijn vriend tegen deze kritiek. „Onzin, Ronald komt naturel over op tv, schiet niet in de stress. Als hij bijvoorbeeld een strandbibliotheek moet openen, dan vindt hij het leuk om met twee bibliothecaressen het strand op te gaan voor een foto. En ja, die foto belandt dan in het Stan Huygensjournaal. Dat heeft met ijdelheid niets te maken. Ronald is gewoon heel fotogeniek.”

Rudo Jockin over Ronald Plasterk

Rudo Jockin vertelt over student Ronald Plasterk. Hij zat met hem in het 8-koppige bestuur van de Leidse studentenvereniging Augustinus, in 1977/1978. Ze probeerden er een open jongerenvereniging van te maken:

„Het was de tijd van polarisatie. Veel leden verkeerden op voet van oorlog met elkaar. Je had aan de ene kant de ballen, de zooiers, en er waren de linkse langharigen met slobbertruien. Tot die laatsten behoorden wij, wij wilden een linkse, pluriforme vereniging, die open stond voor alle jongeren. En toen werd het vechten in het pand. De prangende vraag was: moet je je studententijd doorbrengen met uitsluitend bier drinken en lol maken of moet je je bewust zijn van je bevoorrechte positie en je openstellen voor anderen?

„Als bestuur kozen wij voor een open jongerenvereniging. Bouwvakkers, werklozen, iedereen was welkom. We dachten, heel naïef, dat we dan met z’n allen ‘s avonds gezellig een biertje zouden kunnen drinken. Maar dat werkte natuurlijk niet. Die jongens moesten de volgende ochtend weer op de steiger staan. Intussen was tien procent van de leden vertrokken. Die richtten een nieuwe vereniging op, Quintus. Na acht jaar werd het besluit om jongerenvereniging te zijn weer teruggedraaid.

„Ronald was een van de architecten van het plan achter de open jongerenvereniging. Aanjager, dynamisch, actief. Een van degenen die het hele plaatje in zijn hoofd had. De gedachte erachter: als je in Leiden komt studeren ben je niet alleen student maar ook inwoner van de stad. Dat betekende dat de studentenvoorzieningen ook toegankelijk moesten zijn voor jongeren en dat we ook een grote rol voorzagen voor vormingswerk. We gaven taallessen aan gastarbeiders, organiseerden een Kerst-In voor mensen in de stad. En we schreven een beleidsnota met de titel: ‘En de boer, hij ploegde voort.’

„Als student was Ronald net een tikje anders dan de rest van het bestuur. Hij was een jaar later lid geworden dan wij. Hij was redelijk briljant, werkte overdag in het lab en hij woonde al samen, niet met zijn latere vrouw trouwens. Huisje, boompje beestje. Op Augustinus koos hij, op basis van zijn gevoel en zijn opvattingen voor de “alternatieve” vleugel, maar dat betekende in zijn geval niet dat hij er volledig in op ging. Hij hoorde bij die scene maar een die hard was- ie niet. Ik geloof niet dat ik hem ooit heb zien blowen of spacecake heb zien eten.

„We waren als bestuur een enorm hecht team: we hadden ook veel meegemaakt met elkaar. Het was lustrum, het gebouw brandde af en we hadden die richtingenstrijd. Na ons bestuursjaar zaten we hele dagen samen op de Universiteitsbibliotheek. En we starten een traditie om een verrassingsact voor elkaar te doen. Voor de één organiseerden we een tentoonstelling over diens leven in het universiteitstheater, voor een ander schreven we samen een boek. Voor Ronald bedachten we een overval op het lab. Gettoblaster mee, en met zijn allen in het tenue van The Village People het YMCA-lied zingen, met aangepaste tekst en danspasjes natuurlijk. Ik herinner me nog hoe hij daar toen stond. Lichtelijk in verlegenheid gebracht. Gingen er ineens vrienden studentikoos staan doen op het lab waar hij serieus met zijn carrière bezig was.

„Als je me vraagt of Ronald destijds berekenend lijntjes heeft uitgegooid, denk ik dat niet. Hij heeft oprecht de mogelijkheid meer dingen naast elkaar te doen. Hij doet in één mensenleven waar een ander drie levens voor nodig heeft. Hardlopen, schilderen, muziek maken, politicus zijn, bioloog zijn. En voor hem was de gemeenteraad eigenlijk een logisch vervolg op de zeer rumoerige en heftige ledenvergaderingen van Augustinus.

„Ronald is een zondagskind dat zijn universele belangstelling heeft uitgebouwd en verdiept. En hij beschikt over politieke deugden. Zo is hij een waanzinnig snelle denker, met boerenslimheid. Hij doorziet spelletjes van anderen aardig. En weet zich op het goede moment niet te verbinden aan A of B. Dan wordt het geen halszaak. Een soort wonderboy. Hij heeft bovendien een redelijk optimistisch karakter: gaat niet oeverloos zitten griepen. En ook belangrijk: hij vindt politiek oprecht leuk. Omdat ie zich overal mee mag bemoeien. Hij sms’t met JP, belt met Wouter en een chauffeur brengt hem met zijn vrouw op de achterbank naar de filmdagen met Rutger Hauer. En deep down zitten de idealen. Eén: dat mensen kansen moeten krijgen. En twee: dat je dat niet kunt overlaten aan het recht van de sterkste.”

Gepubliceerd in:
NRC Weekblad