Onderzoek jeugdhulp
Jeugd- en gezinsbeleid is topprioriteit van dit kabinet. Het is een taai gevecht: hulpverleners houden elkaar in een wurggreep, probleemkinderen raken ‘kwijt’ en minister Rouvoet oogst, behalve bijval, ook scherpe kritiek, schrijft NRC Weekblad (12 september).
Voor het verhaal is gesproken met circa dertig betrokkenen uit de jeugdhulp. Hier vindt u extra interviews en een lijst met alle geïnterviewden.
Bekijk hier enkele uitgewerkte interviews met betrokkenen:
AB CZECH , programmamanager onderwijs en jeugd van de gemeente Eindhoven:
JO HERMANNS, bijzonder hoogleraar algemene opvoedkunde aan de Universiteit van Amsterdam:
MARTIN DIRKSEN , directeur bureau jeugdzorg Overijssel:
IRMA HELMICH , directeur Jeugdgezondheidszorg De Stromen Opmaat Groep in Zwijndrecht:
TOM VAN YPEREN , expert bij het kenniscentrum van het Nederlands Jeugdinstituut en bijzonder hoogleraar onderzoek en ontwikkeling effectieve jeugdzorg aan de Universiteit Utrecht:
ERIK JAN DE WILDE, programmaleider bij het kenniscentrum van het Nederlands Jeugdinstituut:
ELLY VAN DER STORM , beleidsadviseur jeugd bij de gemeente Haarlemmermeer, betrokken bij de ontwikkeling van centra voor jeugd en gezin, waaronder een succesvolle in Nieuw-Vennep:
AB CZECH, programmamanager onderwijs en jeugd van de gemeente Eindhoven:
,,Ik werk al 30 jaar in de sector. Ik ben het wel eens met mensen die zeggen dat er onvoldoende hulp is in de omgeving van de jongeren en gezinnen. Naarmate wij in gemeenten actiever worden voor jeugdzorginstellingen, krijgen wij het steeds drukker en nemen de wachtlijsten daar af. Maar daar boeken wíj geen winst mee. Die winst komt bij de provincie of het Rijk. Wij betalen uit eigen zak gezinscoaches voor ouders. Jeugdzorg heeft immers alleen voorzieningen voor kinderen die geïndiceerd zijn. Dus een moeder, bijvoorbeeld alleenstaand en overspannen, kan geen jeugdzorg krijgen. Wij zijn als gemeente een soort schaduw jeugdzorg. Wij organiseren kinderopvangplaatsen om ouders te ontlasten, ook pleeggezinnen voor kinderen met ruziënde ouders.
,,Eigenlijk is de wet op de jeugdzorg voor ernstige gevallen, maar jeugdzorg doet deze ernstige gevallen niet want zij beperken zich tot vrijwillig gemelde kindjes, na indicatie. Op de ernstige gevallen sturen wij gezinscoaches af die andere hulpverleners aansturen, zoals leerplicht ambtenaar en schuldhulpverlener. Gezinnen die er een zooi van hebben gemaakt - schulden, spijbelen, overlast - krijgen deze gezinscoach verplicht opgelegd. Onder dwang. Die gezinnen - van criminelen, hennepverbouwers - , hebben een stapeltje pv’s op hun bordje: voor overlast, voor spijbelen, er dreigt een uit huiszetting door schulden. Tegen die gezinnen zeggen wij: wij halen het stapeltje voor u weg, als u hulp accepteert, zoals schuldsanering. De speciale coaches die wij daarvoor hebben aangesteld kosten ons klauwen met geld.
,,Wij moeten ons veel meer focussen op gezinnen en niet op één probleem kindje. Stel: een kindje moet naar medisch kinderdagverblijf. Dan gaan we toch niet wachten tot broertjes of zusjes ook komen. Maar zo zit de subsidie niet in elkaar. Het deugt niet dat iedereen zijn dingetje doet. Het gaat om één gezin, één plan. Dat is een hele hoge ambitie, en we zijn er bij lange na nog niet. Niemand heeft één gezin, één plan. Wij hebben dat als ideaal. Rouvoet heeft daar wel een start mee gemaakt. Maar als je er goed inzit, is het resultaat toch nog toe mager.
,,Het Inspectierapport ‘Horen zien en niet zwijgen’ legt haarfijn bloot hoe iedereen langs elkaar heen werkt. De minister heeft de loper uitgelegd, gemeenten moeten het nu zelf invullen. Er komt in wet: de gemeente dient die keten te organiseren, maar er staat niet in hoe. Het laat heel veel open. De gemeente die al weinig deed, zal niet verplicht worden meer te doen. Met dat probleem wordt niet afgerekend.
,,Ik vind niet dat het ministerie voldoende faciliteert. Als ik minister was, dan onthief ik morgen alle provincies van hun taak op de jeugdzorg. Ik vind het een buitensporige bestuurlijke drukte. Die is verschrikkelijk en levert niets op. Je moet dan werken met centrumgemeenten, de 35 grootsten die het moeten oppakken. Provincies voelen nooit de gevolgen van verkeerd beleid. Ze zijn daarom ook niet innovatief. Van criminaliteit merken zij niets.
,,Gemeenten zouden ook jeugdzorg instellingen moeten aansturen. Intramurale voorzieningen zijn duur, er zijn wachtlijsten. Laat sommige voorzieningen bij het Rijk zitten. De Raad voor Kinderbescherming kan bij gemeenten. Jeugdbescherming en Reclassering bij gemeenten, het is allemaal hetzelfde traject. Wij voelen het gehijg wethouders in onze nek, daar heeft provincie geen last van.
,,Het Elektronisch Kind Dossier (EKD) is een potsierlijke discussie. Het is
stuk gelopen in de Tweede Kamer door moties. Het slim gebruik van het EKD is
er niet van gekomen. Het is nu niet meer dan een elektronische kaartenbak
waarvan je je afvraagt waar Den Haag zich nou zo druk om maakt. Velen hadden
al zo’n elektronische kaartenbak. Het EKD zoals het er nu uitziet', voorkomt
niet dat mensen dingen weer overnieuw gaan doen. Dat is een gemiste kans. Er
mag geen verslag in van een casusoverleg over een probleemkind. Alleen de
arts mag er iets in hangen. Op dit moment kunnen we vooruit maar het EKD had
aanzet voor een historisch gezinsdossier kunnen zijn."
JO HERMANNS, bijzonder hoogleraar algemene opvoedkunde aan de Universiteit van Amsterdam:
,,Het gaat niet de goede kant op. Het programmaministerie ligt stil. Lokale initiatieven worden niet financieel en inhoudelijk gesteund door het ministerie. Alles wordt aan provincies, jeugdzorg en gemeenten overgelaten, maar die komen er niet uit. De minister laat het afweten. Het veld zit te wachten op sturing van het departement. Honderden bureaus vinden zelf het wiel uit wat een centrum voor jeugd en gezin is. Er zijn heel veel verschillende modellen, de richting is weg. ,,
,,Van ontkokering en meer eenheid is geen sprake. Hulp is ver weg en niet dicht bij huis en dus niet effectief. De belangrijkste boodschap in 2005 (Operatie Jong) was al: doorbreek de verkokering, zorg voor samenwerking tussen provinciale hulp, lokale hulp en hulp uit de zorgverzekeringswet (ggz) en de awbz (lvg). Maak daar één systeem van. Rouvoet wilde dat niet. Maar hoe krijg je in de centra voor jeugd en gezin dan mensen die echte hulp te geven en niet alleen voorlichting? Nu is het uitzonderlijk als drie partijen samenwerken.
,,Rouvoet had provincies moeten verplichten geld en professionals naar de centra voor jeugd en gezin te brengen. Dat is cruciaal. Maar dat vergt politieke moed. Er worden nu centra opgericht voor hulp, maar 90 procent van de cliënten die met problemen in het centrum voor jeugd en gezin komen, wordt doorverwezen. Daardoor is het weer een extra schakel in de keten die maakt dat jongeren en hun ouders nog langer op hulp moeten wachten. Er zouden hulpverleners direct in of rondom het centrum voor jeugd en gezin beschikbaar moeten zijn.
,,Hulpprogramma’s zijn immers alleen effectief in de eigen leefomgeving van de jongeren. Dat blijkt uit alle onderzoeken. Dáár hadden we de centra voor jeugd en gezin voor bedoeld. Veelplegers, kinderen uit multi-problem gezinnen en jeugdcriminelen schieten niets op in een jeugdgevangenis. Er gaan miljarden op aan niet werkende vormen van hulp. Het is een bodemloze put. Rouvoet heeft geen visie en geen geld. De hulp is nou op grote afstand van het huis van de kinderen met problemen. We exporteren jongeren ver weg. Ze moeten naar internaten, ambulante therapie (ggz) in behandelkamers. Maar bij kinderen in problemen ontbreekt het niet alleen aan een goede opvoeding, er is ook een chaos in het huishouden, er zijn schulden, of vader zit aan de drank. Dat zié je niet in die behandelkamers.
,,Daarom moeten hulpverleners naar dat gezin om te kijken hoe het er thuis aan toe gaat. Laat desnoods de financiering van de jeugdzorg bij de provincie, maar de uitvoering van de hulp moet dicht bij de mensen zijn. De minister zegt nu: zoek het maar uit. Lokale initiatiefnemers worden heel weinig gedekt door het beleid van de rijksoverheid. Soms gaat het fantastisch, maar dat komt door het enthousiasme van een wethouder of een gedeputeerde. Landelijk had er veel meer uitgehaald kunnen worden. Rouvoet geeft geen ondersteuning. Gemeenten betalen miljoenen belastinggeld aan allerlei adviesbureaus als Berenschot die een eigen draai geven aan de oprichting van een centrum voor jeugd en gezin omdat het programmaministerie het laat afweten.
,,Neem het aantal onder toezichtstellingen, dat is sterk toegenomen. Dat is hetzelfde patroon. Na constatering van een probleem zijn er geen middelen voor hulp, dus wordt het kind in een instelling geplaatst, maar dat lost niets op. Een gemiddelde onder toezichtstelling duurt daardoor ook jaren. De bedoeling was maximaal een half jaar. Het systeem loopt vast. Er is geen hulp daar waar het werkt. Dat is de kern van het probleem. Iedereen weet wel hoe het beter zou moeten, maar het gebeurt toch niet. Instellingen hebben institutionele belangen. Professionals verschuilen zich achter het medische model omdat ze zo zijn opgeleid. Zo houdt iedereen het systeem in stand.
,,De wachtlijsten blijven oplopen, dat is een onoplosbaar probleem. Je kan het alleen tijdelijk oplossen omdat het huidige systeem is gebaseerd op het exporteren van kinderen. Daardoor stoppen de groeicijfers niet en zullen de wachtlijsten een probleem blijven. Nu gaat er weer meer geld naar de wachtlijsten, maar dat betekent nog minder geld naar de centra voor jeugd en gezin.
,,De problemen worden erger want er is steeds meer nadruk op signalering van problemen komen te liggen, zonder dat effectieve hulp aangeboden kan worden. Er worden heel veel problemen bij kinderen gesignaleerd, maar er is weinig directe hulp. Er is een nieuwe toevlucht van kinderen in het zorgcircuit. Het aantal kinderen daarin is extreem.
,,De bedoeling was juist dat ze er niet in zouden komen, maar dicht bij huis
hulp zouden krijgen. Maar de centra voor jeugd en gezin gaan daar juist aan
bijdragen als ze niet in staat zijn de hulpvraag te beantwoorden. Je krijgt
een extra verwijsmachine en dat is heel tragisch. Er zit een enorme druk op
de achterliggende voorzieningen, de gespecialiseerde jeugdzorg. In vier jaar
tijd zijn er 60 procent meer kinderen in de ggz gekomen. Een gezin in de
problemen moet een steunpilaar krijgen die vanuit het centrum voor jeugd en
gezin werkt en die er andere deskundige mensen bij kan halen. De problemen
worden erger als er wel gesignaleerd wordt en er niet effectieve hulp
geboden kan worden. De signalering wordt verheven tot een soort
opvoedpolitie."
MARTIN DIRKSEN, directeur bureau jeugdzorg Overijssel:
,,Het ministerschap van Rouvoet heeft veel aandacht voor jeugd opgeleverd. Het is heel goed dat de minister er is. Maar de minister moet een paradoxale oplossing waarmaken. Wie kennis verzamelt, verzamelt ook smart. We weten steeds meer over wat niet goed gaat bij kinderen. Er zijn heel veel kinderen waar het niet goed mee gaat, terwijl we een rijk land zijn. Rouvoet heeft dat op de kaart gezet, dat is goed. Er wordt meer gepraat tussen ministerie, provincies en gemeenten. Maar nu de horizontale fragmentatie: Provincies die de jeugdzorg in beheer hebben, hebben geen bal te vertellen over jeugd ggz en de zorg voor licht verstandelijk gehandicapten of de justitiële jeugdinstellingen.
,,De wet op de jeugdzorg uit 2005 beoogde veel meer integratie van deze verschillende sectoren. Dat is niet gelukt. Elske ter Veld wilde het al. Dat is het programmaministerie ook niet geluk. Hulp moet er zijn als het nodig is. Het is ongelooflijk belangrijk dat er binnen regio’s een paar dingen veranderen. Er moet een betere afstemming komen, bijvoorbeeld bij indicaties door bureau jeugdzorg en het centrum indicatiestelling zorg (CIZ). Nu worden onderzoeken vaak overgedaan.
,,Er moeten ook meer hulpprogramma’s van provincies naar gemeenten toe. Het oplossend vermogen moet naar gemeenten. Jeugdzorg moet er samen mét gemeenten zijn, om te zorgen dat kinderen een toekomst hebben. Ze perspectief bieden. Als een jongen uit de jeugdgevangenis komt, moeten ze kijken of hij werk heeft en een vriendin. Veel gemeentes zijn te klein en het Rijk is te ver weg. Daarom hebben provincies een goede functie. Ze hebben veel geïnvesteerd in de jeugdzorg en een hoog kennisniveau.
,,Laten we beleidsmakers van provincies en gemeenten tot elkaar veroordelen. In Overijssel zie je met name in de regio Twente dat je een hele sterke samenwerking kunt organiseren. Ik geloof niet in één heilig model. Rouvoet is slim bezig. Je begint met centra voor jeugd en gezin, die ga je faciliteren en steeds meer faciliteren. De raden voor kinderbescherming moet je niet willen laten indalen in gemeenten.
,,Een kind heeft structuur en liefde nodig. Structuur zit bij Justitie, noem het de harde hand. Liefde zit bij VWS, dat is het perspectief en de hulp. Die twee moet je bij elkaar brengen. Mijn grootste angst is dat als je dat loslaat, jeugdbescherming iets wordt voor arme ouders die het niet redden en vrijwillige hulp iets voor ouders die het best wel redden. Daar stigmatiseer je kinderen mee. De groep die jeugdbescherming nodig heeft, heeft ook recht op psychosociale hulp. In regio’s gaat dat lukken, maar ik weet niet of dat gemeenten lukt.
,,Wat is bijdrage van het ministerie geweest? Iets nieuws beginnen betekent dat andere ministeries macht moeten afstaan. Rouvoet heeft een ongelooflijk ingewikkeld probleem gehad. Hij moet een totale organisatie uit de grond trekken. Dat kost een half jaar. En dan heb je nog steeds niets gedaan. In de overige 3,5 jaar moet je de rest doen. Het is ongelooflijk dapper dat hij het aandurfde. Vanuit goede ideële motieven. Je moet zijn moed prijzen. Nee, ik stem geen CU.
,,Rouvoet heeft gezegd: neem je eigen verantwoordelijkheid, ik wil geen stelselwijziging. Ik zie binnen dit stelsel ook mogelijkheden. Misschien dat je na een aantal jaar zegt dat alle hulp naar de gemeente gaat. De burger zelf zal ook veel meer moeten doen. De centra voor jeugd en gezin moeten het oplossend vermogen van het gezin zelf bevorderen. Heel strak signaleren of het kind veilig is.
,,Je kan gemeenten ook verplíchten alles in het werk te stellen om te voorkomen dat een kind in het gespecialiseerde hulpverleningscircuit komt. Dat moet de provincie niet doen, maar het ministerie. Ook de volgende kabinetsperiode, maar dan moet de minister meer gezag hebben. Belangrijk is het ook om resultaten goed bij te houden. Ik geloof niet in het mantra dat álle hulp in handen van de gemeenten moeten komen. De WMO lukt ze ook niet. De bejaardenzorg is enorm verbrokkeld.
,,Het programmaministerie zou gezag moeten hebben over jeugd-ggz en de zorg voor licht verstandelijk gehandicapten. Dat is nu niet het geval. De nadruk zou moeten liggen op een betere verbinding met het onderwijs. Dan kan er een krachtdadig ministerie ontstaan dat met swung meer kan doen dan nu. In de huidige omstandigheden hebben de mensen van Jeugd en Gezin dingen naar vermogen gedaan. Maar de hele constellatie van het ministerie is te mager. Wellicht had Rouvoet meer moeten verleiden. Dat past niet zo bij hem.
,,Ik vind één kabinetsperiode voor zo’n programmaministerie aan de korte kant. Rouvoet heeft een omslag bereikt, dat gemeenten krachtdadiger worden. Maar hij heeft veel minder het integrale denken bevorderd tussen Justitie en Onderwijs en Binnenlandse Zaken. Hij heeft een te klein mandaat. Het is ook niet mogelijk binnen vier jaar de gehoopte resultaten te boeken. Geen wachtlijsten meer, geen kindermishandeling...
,,Er zal juist veel meer kindermishandeling worden gesignaleerd. Wat kan Rouvoet dan straks op zijn conto schrijven? Dat er meer kindermishandeling geconstateerd wordt? Er komt een moment dat je de hulp aan al die kinderen die het nodig blijken te hebben, niet meer kunt aanbieden. Dan moet je hulp in gezinnen zelf organiseren en in de buurt. Wat is er met de maatschappij aan de hand dat zoveel jongeren hulp nodig hebben? Je moet weer terug de wijk in, voor hulp aan kinderen en ouderen. Laten we ons niet jaren verliezen in een discussie over het stelsel.
,,Rouvoet is ook vicepremier, partijleider van een kleine partij. Hij heeft
veel aan zijn hoofd. Het is misschien wat veel bij elkaar. De volgende
minister voor Jeugd en Gezin zou geen vicepremier moeten zijn. Zo’n zwaar
ministerie kan je niet laten leiden door iemand die zijn aandacht zo moet
versnipperen."
IRMA HELMICH, directeur Jeugdgezondheidszorg De Stromen Opmaat Groep in Zwijndrecht:
,,De aandacht voor preventie is echt verbeterd. Maar over de centra voor jeugd en gezin was ik veel hoopvoller. Ik heb er slechts één van de zes die ik hoopte, geopend. Dat is die in Ridderkerk. Discussie gaat met name over gebouwen. Ik zie een moeizame verbetering van de samenwerking. Het gaat tergend langzaam. Het is heel moeilijk het daar over te hebben en weg te blijven van de discussie over gebouwen. Wethouders zijn ijdel en willen graag een lintje doorknippen voor de verkiezingen. Maar voordat je het weet, heb je het alleen over de fysieke plek en niet over de essentie: daadwerkelijke samenwerking. Daarvoor moeten alle betrokken organisaties leren loslaten. Accepteren dat een ander beter het gezin kan helpen dan jij. Dat is heel moeilijk.
,,Rouvoet wil in de centra voor jeugd en gezin vrijwillige, lichte ondersteuning. Hij sleutelt aan het beeld van jeugdzorg; hij wil af van beeld dat als je daar aanklopt ze je kind afpakken. Maar daarvoor moet veel meer hulp dicht bij de gezinnen worden gebracht. Nu wordt er veel te veel doorverwezen. Ik denk aan een gezin in Dordrecht waarvan elk gezinslid ondersteuning van een andere hulpverlener krijgt. De vader van de ggz, de moeder van maatschappelijk werk, het kind volgen wij bij het consultatiebureau en het andere kind wordt gevolgd door de schoolarts. Dat is ongelooflijk veel aandacht en zorg, maar wie voelt zich nou verantwoordelijk voor het gezin?
,,Dit is een voorbeeld dat ik regelmatig hoor. Meerdere hulpverleners van één gezin die niet van elkaar weten dat ze dezelfde ouders en kinderen aan het ondersteunen zijn. Deze versnippering kost enorm veel geld, hier is veel efficiencywinst te behalen. We zouden veel meer moeten doen aan directere lichtere hulp, gewoon structureel in het gezin brengen. Geen ggz hulp, maar bijvoorbeeld er voor zorgen dat de kinderen regelmatig ontbijten, structuur in het leven krijgen. Ik zie gebeuren dat wij binnen de centra voor jeugd en gezin eerder signaleren en vervolgens de kinderen op de wachtlijst zetten. Hoe mooi zou het zijn dat een moeder die jeugdzorg nodig heeft, in het centrum voor jeugd en gezin in Ridderkerk er gelijk de volgende week met haar kind terecht kan voor de diagnostiek. Nu zit het consultatiebureau beneden en jeugd ggz op eerste etage. Wij willen als wij naar boven doorverwijzen, dat het ook snel gaat. Daar moet je afspraken over maken. Dan gaat het over het verlenen van voorrang aan anderen op de wachtlijst. Dat is een ethische discussie.
,,In Ridderkerk is een mooi gebouw geopend en iedereen zit erin. We hebben een mooi logo op de deur en visitekaartjes. Nu nog zorgen dat het een geïntegreerd werkproces is. Het was beter geweest om te beginnen met het werkproces en dan pas met het gebouw.
,,Je wilt dat ouders de meerwaarde zien van het feit dat je bij elkaar zit. Wij hebben een coördinator in het centrum die verantwoordelijk is dat de samenwerking goed verloopt. De intentie is om klanten sneller te helpen. Maar dat moet zich nog bewijzen. Ook op al die plekken in Rotterdam met een mooi logo van centrum voor Jeugd en Gezin moet de praktijk zich nog bewijzen. De bedoeling is dat mensen meteen hulp krijgen en niet worden doorverwezen. Professionals moeten worden opgeleid om met z’n allen om een gezin te gaan staan. Dat betekent dat je kijkt naar de behoefte van het gezin en dat je je afvraagt: ben ik de beste hiervoor of heb ik een collega nodig'? In het land is er een strijd tussen consultatiebureaus en de ggd-en, waar jeugdartsen onder vallen. Op heel veel plekken wordt consultatiebureaus bij grotere ggd-en ondergebracht. Dat levert vaak het gevoel op van winnaars en verliezers. Mijn baas wilde wel de eigen organisatie loslaten maar niet aan de ggd afstaan en vise versa. Niemand wilde dat de ander zou winnen.
,,Rouvoet legt niet één model Rouvoet op. Hij wil geen blauwdrukken opleggen. Het is heel goed om lokale dynamiek voorrang te geven. Hij geeft tijd een ruimte voor experimenten. Van mij had Rouvoet mogen zeggen hoe het moest, maar als hij mij had gezegd dat ik op moest gaan in de ggd was ik in verzet gekomen. Het is verstandig van Rouvoet dat hij het iedereen laat uitvogelen. Er is niet één model, niemand zou achter hem aangelopen zijn.
,,Er is wel absoluut herverdeling van inzet, mankracht nodig. De zorg moet veel meer hulp naar de gezinnen toe. Laat Rouvoet beginnen met een herverdeling van beschikbare middelen. Dan zet ie de boel op zijn kop. Als hij echt door had willen pakken, had hij zich moeten afvragen of het onderbrengen van bureaus jeugdzorg bij provincies verstandig is. Hij legt nu alle verantwoordelijkheden bij gemeenten en laat die kissebissen hoe zij om moeten gaan met bureau jeugdzorg.
,,Voor Rouvoet is het thema van het Elektronisch Kind dossier nog veel
moeilijker op te pakken geweest dan dat van de centra voor jeugd en gezin.
Vanwege de hoge verwachtingen en de negatieve beeldvorming. Het EKD ligt bij
mij al zes jaar stil. De hardware ligt er maar nu gemeenten moeten
investeren, blijven ze stil. Elke gemeente schrikt zich te pletter wat een
simpele digitalisering van papieren dossiers kost. De winst zit in de
toegang tot informatie van gezin en kind, maar bij een verhuizing gaan die
gegevens niet mee met het kind. Dat is niet zoals het was bedacht. Mijn
inschatting is dat het EKD nog 20 jaar werk kost. Ik ben al blij als de
jeugdgezondheidszorg over vijf jaar een digitaal kinddossier heeft, terwijl
we er al 10 jaar over praten. Natuurlijk moeten we papieren dossiers
digitaliseren, maar we willen ergens een gezinsdossier, dat ook voor
maatschappelijk werkers en jeugdzorg toegankelijk is. Pas dan hoeft de klant
niet telkens opnieuw zijn verhaal te vertellen. Dan is er ook inzicht in wat
een andere hulpverlener in een gezin gedaan heeft. Dan zit de overdracht wel
snor. Willen we de samenwerking in de sector verbeteren, dan zullen we de
digitale gegevens van kinderen onder meer professionals dan alleen artsen
moeten uitwisselen. Maar lukt gewoon niet. Ik hoop dat ik het nog ga
meemaken. Je zou verwachten dat Rouvoet op dat gebied met zijn vuist op
tafel zou slaan."
TOM VAN YPEREN, expert bij het kenniscentrum van het Nederlands Jeugdinstituut en bijzonder hoogleraar onderzoek en ontwikkeling effectieve jeugdzorg aan de Universiteit Utrecht:
,,Sommige politieke partijen zeggen dat het anders moet in de jeugdzorg. Ze willen definitief een einde maken aan de wachtlijsten en meer opvoedondersteuning bieden in gezinnen en minder nadruk leggen op gespecialiseerde zorg in internaten bijvoorbeeld. De minister zinspeelt op een stelselwijziging. Ik zeg: kijk uit met stelselwijzigingen of incidentele maatregelen. Voor dat we het weten is het dweilen met de kraan open. Ontwikkel nu eens een visie op de jeugdzorg en richt van daaruit het stelsel in. Mijn grote bezwaar is dat verschillende partijen slechts deeloplossingen bieden. Zij verzuimen naar het hele plaatje te kijken. Er is een expliciete, brede visie nodig van het ministerie van Jeugd en Gezin op de vraag hoe het Nederlandse stelsel van de jeugdzorg in elkaar zou moeten zitten. Het ministerie werkt daar aan. Dat is heel goed, want het is nu erg onoverzichtelijke allemaal. In de sector van de jeugdhulp zijn zo veel communicerende vaten. Knijp je ergens in, dan gaat het elders zeer doen.
,,De doelen van de reeds ingezette veranderingen in het stelsel, zoals met de vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG), zijn te weinig concreet. Die concretisering zou er wel moeten zijn. Bijvoorbeeld de doelstelling om het aantal verwijzingen naar gespecialiseerde voorzieningen te verminderen. Of de verbetering van vroegtijdige signalering. Daar hoort verbetering van het hulpaanbod in die centra. Het lijkt me goed als de beoogde resultaten van het CJG scherper zouden worden geformuleerd.
,,Juist de vraag naar gespecialiseerde voorzieningen laat een enorme stijging zien de laatste tijd. We moeten niet alleen inzetten op signaleren, maar een signaal ook meteen van een goed en een zo simpel mogelijk antwoord voorzien. Het gebeurt wel hier en daar in gemeenten, maar ik zou er een pleidooi voor willen houden om goed bij te houden of dit ook echt van de grond komt.
,,De commissie financiering jeugdzorg heeft geadviseerd dat met gemeenten taakstellende afspraken gemaakt moeten worden voor de realisering van adequaat hulpaanbod. Daar ligt voor een deel een overheidstaak, voor een deel betreft het ook een taak voor alle betrokken instanties. Het is niet alleen de overheid. Ik benadruk de laatste tijd dat er ook een belangrijke verantwoordelijkheid ligt bij beroepsbeoefenaren en brancheorganisaties om het aanbod goed te organiseren. Het doel is dat de druk op de zware voorzieningen afneemt maar ook dat problemen van jongeren niet onnodig escaleren. Dan moet je de kwaliteit en de beschikbaarheid van de lichte hulpverlening verhogen.
,,Er speelt in het stelsel tegelijkertijd een hele andere discussie. Overheden stellen dat professionals alleen nog maar bewezen-effectieve interventies mogen inzetten. Dat klinkt logisch, maar veel interventies zijn nog niet zo ver ontwikkeld. Ondertussen verlangen we van de professionals dat ze ingrijpen in probleemsituaties. Mijn punt is dat overheden zich niet met de inrichting van het werk moeten bemoeien. Doen ze dat wel, dan wordt de professional feitelijk verantwoordelijkheid uit handen geslagen. Dat is onwenselijk.
,,Je kan twee dingen doen: Ten eerste: De beroepsverenigingen van de professionals moeten eisen dat werknemers volgens laatste inzichten werken. Goede (bij)scholing hoort daarbij. Ten tweede: Gegevens bijhouden in hoeverre zij hun werk kunnen doen. Bijvoorbeeld aan de hand van de klanttevredenheid, afname van de problematiek en recidive. In de sector is men het eens dat standaard te monitoren. Je wilt weten wat de resultaten van de zorg zijn, dan heb je een heleboel andere gegevens niet nodig. Je moet formuleren wat je wilt bereiken en bijhouden of investeringen goed uitpakken. Dat betekent herorganiseren van afschuwelijke registraties die er niet zo toe doen.
,,Zijn de administratieve lasten de afgelopen 2,5 jaar afgenomen? Dat is moeilijk vast te stellen. Het blijft heel erg hangen in percepties en beelden over hoe het ermee is gesteld. Wat is de bureaucratische last die wordt opgelegd door de buitenwacht (financiers) en wat door de sector zelf? Daarin is de discussie niet helder genoeg.
,,De minister wil de lastendruk met 25 % verminderen. Als je dat doel zo scherp formuleert, ja, dan mag je ook veronderstellen dat het goed wordt bijgehouden. Voor de jeugdzorg sector heb ik daar geen materiaal van gezien, ook van de jeugdgezondheidszorg sector niet, nee.
,,Is er een betere samenwerking waarneembaar tussen de verschillende partijen? In de praktijk vormen de Centra voor Jeugd en Gezin een enorme motor voor het zoeken naar een betere samenwerking. Maar het CJG is een middel, geen doel. Het is een aanlooppunt met daarachter een betere samenwerking. In de Zorg en Adviesteams in het onderwijs wordt eveneens samenwerking gestimuleerd. Die samenwerking is ook geen doel op zich. Die moet wel iets voor de cliënten uitmaken. Ook dat moet veel scherper gedefinieerd zijn. Wat wil je er in termen van een snellere en betere hulp van terug zien?
,,Goede samenwerking is niet alleen een verantwoordelijkheid van overheden. Maar ook van professionals. Zij moeten zeggen: ik ben verantwoordelijk om zo goed mogelijk zorg te verlenen, dat betekent ook goed samenwerken en delegeren. Als professional hoor je het belang van de client voorop te stellen. Beroepsverenigingen moeten daarvoor betere richtlijnen opstellen. En zij moeten daarin goed gefaciliteerd worden. De wettelijke en financiële barrières moeten uit de weg geruimd worden.
,,Zet het ministerie daar goede stappen in? Het streven naar CJG’s is een goede impuls daarvoor. Om goede samenhang te brengen tussen instanties. Voor de concrete uitwerking moet je heel goed weten wat je terug wilt zien aan resultaat, zodat er ook goed gemonitord kan worden.
,,In jeugdzorg is ook een mooie ontwikkeling te zien. Alle jeugdzorg instellingen hebben afgesproken dat ze landelijk zicht gaan krijgen op de resultaten die ze boeken. Ze proberen dit met een zo zuinig mogelijk registratie te doen.
,,Bestaat er een overzicht van wat nu geregistreerd wordt en wie dat verlangt? Wat het rijk vraagt is vastgelegd in een AMVB, hele basale informatie verlangt het rijk, bijvoorbeeld hoe lang de zorgverlening duurt. Het gaat om de regeling beleidsinformatie jeugdzorg (versie 2008), gebaseerd op de wet op de jeugdzorg van 2005. Daarnaast heb je nog de brancheorganisatie, de financiers en de instelling zelf die verantwoording vragen.
,,Kun je zeggen wie de veroorzaker is van de bureaucratische last? Nee, want er is te weinig overzicht. Er zijn zoveel partijen bij betrokken. Instellingen worden er soms horendol van. Ze hebben te maken met de provinciaal gefinancierde jeugdzorg, met de AWBZ-zorg (lvg) en met de vanuit de zorgverzekeringswet gefinancierde jeugd-ggz. Deze organisaties hebben elk hun elke verantwoordingssystematiek.
,,Het zou goed zijn om de financiële schotten op te heffen, maar dan moet je
eerst een afweging maken van de baten en de lasten. Er is al een jarenlange
discussie gaande over het opheffen van het onderscheid tussen de AWBZ en de
provinciaal gefinancierde jeugdzorg. Als dat onderscheid al zou moeten
blijven bestaan, kan dat dan niet achter de schermen zijn waar de klant en
de hulpverleners weinig van merken?"
ERIK JAN DE WILDE, programmaleider bij het kenniscentrum van het Nederlands Jeugdinstituut:
,,Ik denk dat de CJG-ontwikkeling veel beter gemonitord kan worden. De ellende
is dat deze ontwikkeling wordt overgelaten aan het lokale initiatief. Er
wordt erg weinig dwang en drang gebruikt, maar de vraag is of dat iets op
zou leveren. Ik denk niet dat Rouvoet de deadline voor de CJG's van 2010
gaat halen. Ik vraag me af of bestaande CJG's ook echt iets betekenen. Ik
hoor van gemeenten die bordje ophangen en klaar is kees. Of gemeenten die
een virtueel CJG in de lucht houden. De bedoeling was om er een
laagdrempelig inlooppunt van te maken waar je laagdrempelige zorg kunt
krijgen en waar een schakel is met jeugdzorg. Het CJG dreigt een doel op
zich te worden."
ELLY VAN DER STORM, beleidsadviseur jeugd bij de gemeente Haarlemmermeer, betrokken bij de ontwikkeling van centra voor jeugd en gezin, waaronder een succesvolle in Nieuw-Vennep:
,,Er zijn een paar factoren waarom het met ons centrum voor jeugd en gezin in Nieuw-Vennep echt de goede kant op gaat. Dat heeft bijvoorbeeld te maken met schaalgrootte van Haarlemmermeer. Alle instellingen zijn er, tegelijkertijd is het klein genoeg om elkaar te kennen. De succesfactor zit heel erg in de focus op samenwerking en we zijn niet begonnen met het zoeken naar een gebouw. We wilden eerst de samenwerking goed organiseren en daarna kijken waar het gebouw voor het centrum voor jeugd en gezin moet komen. Nieuw-Vennep is er als eerste gekomen, er moeten in totaal vier centra voor jeugd en gezin komen in Haarlemmermeer. De eerste twee jaar hebben we als gemeente met partners gekeken waar behoefte aan is. Heel praktisch gekeken waar we snelle winst kunnen boeken. We hebben professionals bij elkaar gezet met deel opdrachten, om op onderwerpen zaken uit te werken. Een van de eerste dingen was: zorgen dat verloskundige en kraamzorg en consultatiebureaus aan elkaar gekoppeld worden. Zodat de consultatiebureauarts niet dezelfde vragen opnieuw hoeft te stellen. Dat is helemaal niet moeilijk om te organiseren, maar men moet het eens zijn over welke gegevens overgedragen moeten worden.
,,De rol van de gemeente was steeds het bij elkaar van alle partijen. En sturen op de resultaten. Maar de professionals moeten het doen.
,,De doorverwijzing van kinderen van peuterspeelzalen waar kinderen een extra taallessen krijgen bijvoorbeeld. Dat liep niet goed. Consultatiebureauartsen en de stichting kinderopvang Haarlemeermeer hebben we bij elkaar gezet met de welzijnsstichting Meerwaarde. Samen hebben zij gekeken hoe zij de verwijzing van kinderopvang naar peuterspeelzalen beter konden organiseren. Vaak zijn er ouders die overtuigd moeten worden van het nut van die taallessen. Iemand gaat nu naar de ouders toe, neemt ze mee naar Peuterspeelzaal. We hebben vooral gekeken hoe we het ouders makkelijker kunnen maken. Nu werken we aan de relatie met het onderwijs. En de relatie tussen jeugdzorg en de volwassenenzorg.
,,Twee jaar hebben we zo gewerkt in werkgroepen. Toen is het eerste CJG in Nieuw-Vennep geopend. Het gebouw was een consultatiebureau en daarnaast zat de Vestiging Stichting Meerwaarde. De gemeente heeft twee gebouwen met elkaar verbonden in één stijl. Daar zit nu maatschappelijk werk, het consultatiebureau, jeugdgezondheidszorg, logopedie, en een infobalie waar ouders naar toe kunnen.
,,Het gaat niet vanzelf, je moet het tijd geven. Wij begonnen omdat wij constateerden dat ouders en professionals zich afvroegen bij welke hulpverleners ze terecht konden. Ouders zeiden dat ze de weg in hulpverlenersland niet kenden, professionals ook niet. Toen hebben we ouders en pubers geïnterviewd en de wensen geïnventariseerd. We hebben daar rekening mee gehouden. Ouders zeggen heel sterk dat ze behoefte hebben aan een makkelijke plek voor vragen over de opvoeding. Maar ouders willen niet betutteld worden. Ze willen op een serieuze manier aangesproken worden en niet van het kastje naar de muur worden gestuurd.
,,Er is een heleboel verbeterd voor onze doelgroep. De samenwerking tussen verloskundigen en consultatiebureau artsen is verbeterd, maar er is nog nooit een ouder gekomen die ons zegt dat die samenwerking zo fantastisch is. Ze vinden het vanzelfsprekend. Het loopt niet altijd van een leien dakje, maar omdat de samenwerking iets oplevert is men bereid erin te investeren.
,,De deelname aan de taalprogramma’s is heel erg toegenomen. Er wordt veel meer gebruik gemaakt van het opvoedspreekuur omdat mensen waarschijnlijk makkelijker doorgeleid worden. De afgelopen twee jaar hebben wij werk overgenomen van jeugdzorg: cursussen opvoeden, hulp bij echtscheiding. Ik denk dat wij bijdragen aan vermindering jeugdzorg behoefte door onze preventie. Wij kunnen eerder handelen. Maar het effect is moeilijk te bewijzen. Kan je pas over drie jaar zeggen. Wij houden alles bij. Het is wel allemaal nog in opbouw.
,,In Haarlemmermeer komen vier CJG’s, waarvan één voor zwaardere zorg. In die
laatste zit de samenwerking tussen jeugdzorg en volwassenenzorg voor
multiprobleem gezinnen. De GGZ is nog wat terughoudend vanwege de privacy,
maar het komt wel."
