Vrouwen zouden nu eindelijk eens écht aan het werk moeten gaan

Heleen Mees

Nederlandse vrouwen werken massaal in deeltijd. Daarmee benadelen ze niet alleen zichzelf, maar ook alle andere vrouwen, en de maatschappij.

Afgelopen najaar verzamelde de crème de la crème van wat Nederland op het gebied van vrouwen te bieden heeft zich in de Beurs van Berlage voor de eerste editie van het grote vrouwenfestival Women Inc.. Het festival in Amsterdam werd één grote lofzang op de vrouwelijkheid. Alle aanwezigen waren het er roerend over eens dat het stadium van zeuren voorbij was; de vrouwenbeweging zou voortaan vooral fun zijn.

Het was de feestvierende vrouwen kennelijk ontgaan dat, buiten de muren van de Beurs van Berlage, vrouwen nagenoeg geheel ontbreken in de bestuurlijke elite van Nederland. Vrouwen die wel een toppositie weten te bemachtigen zijn vaak ongehuwd, kinderloos, of beide. Samen met Pakistan, het land waar groepsverkrachting tot op de dag van vandaag wordt gezien als een acceptabele straf voor een vrouw die is beschuldigd van overspel, bezet Nederland de laatste plaats op de internationale ranglijst als het gaat om vrouwen in de top van het bedrijfsleven. Niet meer dan 4 procent van de leden van raden van bestuur en raden van commissarissen in Nederland is een vrouw.

Het percentage vrouwelijke hoogleraren in Nederland is de afgelopen tien jaar, dankzij een intensief stimuleringsprogramma, verdubbeld tot 9 procent.

Niet dat het hier schort aan vrouwelijke promovendi om de leerstoelen mee te vullen; hun aandeel is het afgelopen decennium opgelopen van 30 procent naar ruim 40 procent.

In de ambtenarij doen vrouwen het iets beter dan in de wetenschap. Het percentage vrouwelijke secretarissen-generaal en directeuren-generaal op de ministeries bedraagt respectievelijk 8 procent en 15 procent. En in 2005 is bij de Nederlandse strijdkrachten de eerste vrouw tot generaal benoemd. Daar staat tegenover dat, sinds het vertrek van Winnie Sorgdrager, er geen vrouw meer tot procureur-generaal is benoemd bij het openbaar ministerie.

In de landelijke politiek zijn vrouwen wèl goed vertegenwoordigd, net als in de Europese politiek trouwens. In Den Haag is het aandeel vrouwen nagenoeg 40 procent, of het nu om Kamerleden gaat, of om leden van het tweede kabinet-Balkenende. Bovendien loopt er, met types als Rita Verdonk en Ayaan Hirsi Ali voorop, maar Femke Halsema niet te na gesproken, een aantal zeer uitgesproken vrouwen rond.

De opkomst van vrouwen in de landelijke politiek is voornamelijk door vrouwelijke kiezers afgedwongen. Politieke partijen die vrouwen onvoldoende aan bod laten komen, worden daarvoor electoraal afgestraft. Hoe naarstig gingen VVD en CDA niet op zoek naar vrouwelijke kandidaten, toen het eerste vrouwarme kabinet-Balkenende voortijdig ten val kwam?

De grote vraag is wat er buiten de politieke arena met al het vrouwelijk toptalent gebeurt. Niet alleen gaan in Nederland meer vrouwen dan mannen naar de universiteit, ze presteren in academia ook nog eens beter dan mannen. Dat geldt voor alle studierichtingen, maar bij de studies natuurwetenschappen, wiskunde en informatica is de voorsprong van vrouwen op mannen het grootst.

Het nagenoeg ontbreken van vrouwen in de top van het bedrijfsleven, en in de top van vrijwel alle andere sectoren van de Nederlandse samenleving, kan dus niet worden verklaard aan de hand van tekort schietende academische prestaties. Ook is het niet louter een kwestie van een aanloopperiode, zoals vaak wordt beweerd, alsof de eerstvolgende generatie vrouwen wèl de topposities in de wacht zal weten te slepen.

Eind jaren tachtig waren vrouwen immers al ruimschoots in de meerderheid op de faculteiten rechtsgeleerdheid. Maar tot op de dag van vandaag moet je bij de grote Nederlandse advocatenkantoren vrouwelijke partners met een lantaarntje zoeken. Het kan interessant zijn om na te gaan wat er van de gulzige meiden uit Sanderijn Cels' boek Grrls! over post-feminisme en girl- power is geworden.

Onder invloed van de tweede feministische golf, en de economische bloeiperiode in de tweede helft van de jaren negentig is de arbeidsdeelname van vrouwen gestegen. In 2004 had ruim 65 procent van de vrouwen een betaalde baan van minimaal één uur in de week tegenover 53 procent van de vrouwen in 1995. De overtuiging over wie verantwoordelijk is voor het huishouden en de opvoeding van kinderen, lijkt evenwel uit steen gehouwen. Vrouwen mogen dan alom tegenwoordig zijn in het publieke domein, het zijn nog steeds mannen die de dienst uitmaken.

Tweederde van de vrouwen in Nederland gaat minder uren werken zodra het eerste kind zich aandient, of stopt zelfs helemaal met werken. Des te meer kinderen er komen, des te minder uren vrouwen werken. Minder dan 10 procent van de werkende vrouwen met kinderen heeft een voltijdbaan, dit in tegenstelling tot mannen. Van de mannen die werken heeft 90 procent een voltijdbaan, en de komst van één of meer kinderen verandert daar niets aan.

Slechts in 2 procent van de gezinnen met kinderen werken beide partners in deeltijd. Het anderhalfverdienersmodel, waarin de man voltijd werkt en de vrouw in deeltijd, is in Nederland de norm geworden. Het gemiddelde inkomen dat vrouwen mee naar huis nemen is bijna de helft lager dan dat van mannen. Het mag niemand verbazen dat werkgevers vrouwen niet voor vol aanzien.

Meer dan een halve eeuw na de publicatie van Simone de Beauvoirs feministisch handboek vormen vrouwen nog steeds de tweede sekse. Het liberaal-feminisme van ‘alles moet kunnen maar niets hoeft’, dat in de plaats is gekomen van het radicaal-feminisme van de jaren zeventig, heeft hier geen antwoord op. Hoogopgeleide vrouwen kiezen immers zelf voor deze levensstijl?

Maar hun keuze verschilt niet wezenlijk van die van moslima’s met een hoofddoek of een burqa. Het anderhalfverdienersmodel is een verraderlijk brouwsel van traditionele rolpatronen aangelengd met een vleugje feminisme. Nederlandse vrouwen drinken de beker die hen wordt aangereikt tot de bodem leeg.

Linda Hirschman, een Amerikaanse hoogleraar gender-studies, ageerde in een vlammend betoog in The American Prospect tegen deze keuzefeministen. Het huishouden is een noodzakelijk onderdeel van het leven, maar biedt met zijn repetitieve, sociaal onzichtbare en fysieke werkzaamheden, minder mogelijkheden voor ontplooiing dan de arbeidsmarkt. Wie hieraan twijfelt moet zich maar eens afvragen waarom het uurtarief van een beetje advocaat in Nederland al gauw het vijftigvoudige bedraagt van dat van een huishoudelijke hulp of oppas.

Volgens Hirschman rust op vrouwen geen bijzondere natuurlijke of morele verantwoordelijkheid om het huishouden, met de opvoeding van kinderen inbegrepen, te doen. Het is daarom onrechtvaardig om huishoudelijke taken aan vrouwen toe te wijzen. Als vrouwen zichzelf deze taken toewijzen, is dat net zo onrechtvaardig. Om Mark Twain te parafraseren: „Een man die ervoor kiest niet te lezen, is net zo onwetend als een man die niet kan lezen.”

Hoogopgeleide vrouwen die niet een volwaardige carrière nastreven, verkwisten niet alleen hun eigen kapitaal – en doen zo zichzelf én de samenleving tekort –, ze verkwanselen ook de positie van andere vrouwen, inclusief die van hun eigen dochters en hun dochters dochters. De American Conservative Union adviseerde werkgevers onlangs om geen vrouwen meer in dienst te nemen als ze een faillissement wilden vermijden.

De huidige generatie hoogopgeleide vrouwen zadelt de komende generatie vrouwen op met een gemankeerd zelfbeeld, namelijk dat voor hen geen plaats is weggelegd in de ruling class. Wie de eerder genoemde cijfers nog eens langs loopt, 4 procent vrouwen in het bestuur van grote bedrijven, 9 procent vrouwelijke hoogleraren, en iets meer dan 10 procent vrouwen in de ambtelijke top, moet concluderen dat het verzuim van hoogopgeleide vrouwen in Nederland groteske vormen aanneemt.

Een beroep op te dure of gebrekkige kinderopvangfaciliteiten als verklaring voor het vrouwelijk falen schiet zijn doel voorbij, omdat die stoelt op de overtuiging dat vrouwen een bijzondere verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het reilen en zeilen van het huishouden.

Het is verleidelijk om de kosten van kinderopvang exclusief af te zetten tegen het inkomen van de vrouw als haar inkomen lager is dan dat van haar partner op het moment dat het eerste kind geboren wordt, wat vaak het geval zal zijn als de vrouw wat jonger is. De economische calculus is evenwel ondeugdelijk, omdat die eraan voorbij gaat dat vrouwen a priori een hogere verdiencapaciteit hebben dan mannen; niet alleen overtreffen hun academische prestaties die van mannen, ze hebben ook een hogere levensverwachting.

Wie de keuze baseert op macro-economische statistieken waaruit blijkt dat vrouwen per uur gemiddeld 20 procent minder verdienen dan mannen, haalt oorzaak en gevolg door elkaar. Het geconstateerde beloningsverschil is voornamelijk het resultaat van het feit dat vrouwen massaal in deeltijd werken, en daardoor blijven steken in inferieure banen. Voor een individuele vrouw kan het geen motief zijn om af te zien van een volwaardige carrière.

Om de kinderklem te omzeilen, zouden hoogopgeleide vrouwen tijdig een strategie moeten ontwikkelen. De beste manier is een man uit te kiezen die òf veel ouder, òf veel jonger, òf een drop-out is. Een oudere man kan het qua werk wat rustiger aan doen, en beschikt veelal over voldoende financiële middelen voor kinderopvang en huishoudelijke hulp. Jonge mannen en drop-outs, daarentegen, zijn juist economisch afhankelijk, en dat schept weer de broodnodige onderhandelingsruimte. Aan dat laatste ontbreekt het vrouwen vaak, omdat de kinderwens van de vrouw, bij de huidige stand van de techniek, net iets urgenter is dan die van de man.

Verruiming van de regelingen voor ouderschapsverlof biedt, anders dan vaak wordt aangenomen, vrouwen geen uitweg uit de kinderklem. Zonder nadere bepalingen zullen de voorzieningen immers hoofdzakelijk door vrouwen worden gebruikt, en de lasten een zijdig op de werkgever van de vrouw worden afgewenteld. In dat geval daalt, over de gehele linie, de netto contante waarde van vrouwenarbeid, dat wil zeggen de prijs die werkgevers bereid zijn voor vrouwen te betalen.

Als gevolg daarvan zullen vrouwen zich gedwongen zien een baan te accepteren onder hun niveau, of genoegen moeten nemen met een beloning die lager is dan die van hun mannelijke collega’s. Geen van beide opties is erg bevorderlijk voor de carrièrekansen van vrouwen, en waarschijnlijk ook niet voor hun arbeidsmotivatie. Uitbreiding van zorgverlof biedt daarom alleen soelaas als mannen verplicht worden er in dezelfde mate gebruik van te maken als vrouwen, zoals in Zweden gebeurt.

Behalve in Zweden kan de overheid ook in Noorwegen inspiratie opdoen om de positie van vrouwen te verbeteren. Daar is vorige maand een wet aangenomen die eist dat het aandeel vrouwelijke bestuursleden van Noorse bedrijven ten minste 40 procent bedraagt. Het Noorse initiatief is helemaal zo gek nog niet. Zoals we in de Europese en landelijke politiek al hebben kunnen zien, doet een beetje vraagregulering wonderen voor vrouwen aan de top.

Vrouwen in Nederland liggen overigens helemaal niet wakker van hun rol als halfverdiener, en zijn juist erg content met hun leven, aldus het lifestyle magazine voor 35-plus-vrouwen Esta. Volgens een onderzoek dat het blad afgelopen zomer liet uitvoeren onder 3.000 vrouwen uit de eigen doelgroep, is de ‘Nederlandse vrouw TEVREDEN over ongelijke verdeling’ (hoofdletters afkomstig van de onderzoekers).

Op het bovengenoemde vrouwenfestival Women Inc. was er naast debatten vooral veel ruimte voor cabaret, buikdans en entertainment. Er werden workshops als ‘strip je vrij’, ‘spelen met speeltjes’ en ‘manicuren’ aangeboden. De meest heikele kwestie op het festival, die ook alle krantenverslagen haalde, was welke vrouwen het meest klaarkomen. Uit alles kon je opmaken hoe leuk ‘vrouwzijn’ is.

De keuzefeminist kan alles, mag alles, maar ze hoeft niets. Om het gebrek aan maatschappelijk engagement te maskeren stemt ze bij verkiezingen op een vrouw. Ze windt zich op over meisjesbesnijdenis, eerwraak, burqa’s en ander onrecht dat allochtone vrouwen uit naam van god of familie wordt aangedaan. Zaken waarover ze zelf thuis of op het werk, de strijd in ieder geval niet hoeft aan te gaan. Het moet immers wel fun blijven.

Niet voor niets heeft Cisca Dresselhuys destijds Ayaan Hirsi Ali met open armen ontvangen. De lezeressen van Opzij hebben Ayaan met een even grote begerigheid uitverkoren tot emancipatievoorvechtster van het jaar 2004 en onderscheiden met de Harriët Freezerring. Zij is de ultieme schaamlap van keuzefeministen.

In zijn laatste boek, Mogelijkheid van een eiland, beschrijft de Franse schrijver Michel Houellebecq op treffende wijze een kunstmatige, frivole mensheid, die nooit meer open zal staan voor serieuze dingen, maar tot zijn dood zal leven in een steeds wanhopiger zoektocht naar fun en seks; een generatie van eeuwige kids.

Grrls die niet schrikken van het beeld dat Michel Houellebecq schetst, of het juist weer sexy vinden zichzelf te herkennen in het werk van zo'n belangrijk literair schrijver, moeten eens het nieuwste boek van New York Times columnist Thomas Friedman De aarde is plat proberen. Daarin beschrijft hij hoe door de globalisering de wereld er anders uit zal gaan zien, en hoezeer dat gevolgen zal hebben voor hoogopgeleide werknemers in het Westen.

De snelle opkomst van landen als India en China bedreigt namelijk niet alleen de positie van fabrieksarbeiders in Nederland, maar evenzeer die van radiologen, accountants, journalisten en andere hoogopgeleiden. In Azië liggen de salarissen aanzienlijk lager, en bovendien grijpen de aanstormende Aziaten wel gretig hun kansen.

Als Europeanen hun levensstandaard in de toekomst op peil willen houden, zullen ze harder moeten werken en innovatiever moeten worden, waarschuwt Friedman. Genoegen nemen met inferieure baantjes is er dan niet langer bij.

Wie het meer dan 400 pagina's tellende boek van Thomas Friedman van begin tot einde leest, weet dat het gemakzuchtige keuzefeminisme zijn langste tijd heeft gehad.

Gepubliceerd in:
Opinie