Universiteit is geen markt
De academische vrijheid wordt door het marktdenken in haar voortbestaan bedreigd, betoogt Chris Lorenz.
Hoewel weinigen die aan Nederlandse onderwijsinstellingen studeren en werken spontaan op het idee zouden komen om hun instelling als een ‘bedrijf’ te zien en het onderwijs zelf als ‘markt’, denkt de politiek daar al ruim tien jaar heel anders over.
Studenten worden gestimuleerd hun studie te beschouwen als een ‘economische investering’ in zichzelf en om zich te gedragen als nutsmaximerende onderwijsconsumenten. Hun studiefinanciering is sinds kort zelfs officieel door Mark Rutte veranderd in een heuse ‘strippenkaart’ – en symptomatisch voor de algehele hegemonie van het marktdenken in de politiek is dat geen parlementariër er een probleem in zag dat ‘extra’ academische belangstelling nu alleen nog openstaat voor studenten die bereid zijn om voor ‘extra zones’ te betalen.
Docenten worden tegelijkertijd door dit onderwijsbeleid ‘geprikkeld’ om hun ‘onderwijsrendement’ te maximaliseren, omdat zij anders de financiering van hun instelling – inclusief van zichzelf – in gevaar brengen.
Ook het wetenschappelijk onderzoek is door de politiek steeds meer ‘de markt’ op gedreven, waardoor binnen de universiteiten steeds meer ‘prikkels’ tot strategisch en risicomijdend gedrag zijn ontstaan. Van tijd tot tijd worden de gevolgen van dit beleid door ingehuurde deskundigen geëvalueerd en consequent goed bevonden. Wat de wetenschapsbeoefenaren zelf van het marktdenken vinden wordt even consequent door de politiek genegeerd – en dit gebeurt natuurlijk op goede gronden.
Vanaf het moment waarop universitaire managers ‘hun’ universiteit als ‘hun’ bedrijf zijn gaan beschouwen, wordt elke boodschap niet meer primair op haar informatieve, maar op haar reclamewaarde beoordeeld. Niet de vraag of een bewering waar of waardevol is staat voorop, maar de vraag welk effect deze in de buitenwereld sorteert. Vandaar dat managers kritische geluiden over de universitaire binnen- en de buitenwereld vaak als ‘slechte’ reclame voor het ‘imago’ en de ‘concurrentiepositie’ van hun ‘bedrijf’ opvatten – letterlijk als bad for business of als ‘vuile was’. Zulke geluiden worden bij gevolg ‘ontmoedigd’ – met soms zelfs openlijke censuur van wetenschapsbeoefenaren als resultaat, zoals in de Utrechtse ‘affaire’ rond de afscheidsrede van professor Van der Horst.
Dit alles betekent natuurlijk niet dat de universiteiten daadwerkelijk in efficiënte ondernemingen zijn veranderd of dat daar wetenschappelijk gezien geen leuke dingen meer gebeuren. Het betekent alleen dat deze ‘leuke dingen’ ondanks en niet dankzij het universitaire ‘marktbeleid’ gebeuren en dat achter de meeste universitaire bedrijfsfaçades alleen Potemkinbedrijfjes schuilgaan.
Wie het economische principe ‘wie betaalt, bepaalt’ ook voor de wetenschap omarmt – en dat heeft politiek Nederland bijna Kamerbreed gedaan – begraaft op de universiteit tegelijkertijd het principe van de academische vrijheid. Dit principe veronderstelt immers dat wetenschapsbeoefenaren in onderling overleg zelf bepalen wat zij onderwijzen en onderzoeken. Dit idee wordt doorgaans door politici direct van tafel geveegd als een schoolvoorbeeld van ‘ivoren toren’-denken en van volkomen ‘wereldvreemdheid’, maar er is geen schijn van een bewijs dat politici en managers in dit opzicht over betere papieren beschikken dan de wetenschapsbeoefenaren. Integendeel: de wetenschap, zoals we die tot nu toe kennen, danken we grotendeels aan de afwezigheid van ‘wetenschapsbeleid’ en van universitaire ‘managers’ en aan de aanwezigheid van ‘academische vrijheid’ en van collegiale bestuursvormen.
Het is dus van tweeën één: wie de universiteit primair als economische onderneming ziet, hangt de academische vrijheid en collegiaal bestuur als leidende universitaire principes aan de wilgen; en wie de academische vrijheid en collegiaal bestuur als leidende principes van de universiteit beschouwt, kan de universiteit niet primair als economische, marktgerichte onderneming zien.
Het is dan ook allesbehalve toevallig dat de recente ‘economisering’ van de universiteit en de machtsovername door de managers hand in hand zijn gegaan. Onder het huidige ‘economische’ wetenschapsbeleid zijn voorstellen om de academische vrijheid te beschermen daarom net zo kansrijk als voorstellen om de dodo of de Tasmaanse buidelwolf alsnog te beschermen.
De gelijkenissen tussen de academische vrijheid en de dodo en buidelwolf reiken nog verder. We zijn in Nederland namelijk getuige van een politiek en een retoriek ten aanzien van de academische vrijheid, die grote gelijkenis vertonen met die ten aanzien van de buidelwolf in Tasmanië. Wat was daar namelijk het geval?
In de negentiende eeuw veranderden Britse kolonisten Tasmanië van een woest land in één grote schapenkolonie. Voor buidelwolven was in deze schapeneconomie geen plaats meer en de Tasmaanse regering introduceerde daarom in 1888 een premie op het doden van buidelwolven. Die financiële ‘prikkel’ kon in 1912 al weer worden afgeschaft, omdat men deze dieren bijna niet meer tegenkwam. Nadat in 1930 de laatste wilde buidelwolf was omgelegd, verklaarde de regering van Tasmanië in juli 1936, twee maanden nadat in Engeland het laatste gevangen exemplaar was gestorven, de Tasmaanse buidelwolf tot een beschermde diersoort.
Ik denk dat de situatie waarin de academische vrijheid zich anno 2006 bevindt, goed vergelijkbaar is met de situatie van de Tasmaanse buidelwolf anno 1906: serieus in haar voortbestaan bedreigd omdat deze niet langer in haar omgeving past.
Alles wijst erop dat de politieke acceptatie van het ‘wie betaalt, bepaalt’-principe aan de universiteit vergelijkbaar is met de premie op het doden van de buidelwolf. En alles wijst erop dat dit op termijn een vergelijkbaar effect zal hebben. Wie de academische vrijheid als organisatieprincipe van de wetenschap serieus neemt, zal daarom de onderneming en de markt als ‘economische’ dwaallichten voor de wetenschap moeten bestrijden.
