Een identiteitsfabriek is echt uit de tijd
Een nog nieuw te bouwen Nationaal Historisch Museum moet de nationale identiteit versterken. Wat een onzin, meent . We leven niet meer in de negentiende eeuw.
In de laatste maanden voordat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een beslissing zal nemen over ons Nationaal Historisch Museum (NHM) is een wat koddige eindsprint ontstaan tussen mogelijke vestigingsplaatsen. De ene stad komt met Romeinse, de andere zelfs met prehistorische opgravingsresten op de proppen. Ook middeleeuws en vroegmodern erfgoed wordt in de strijd geworpen. Door dit kleinsteedse imponeergedrag verdwijnen belangrijke vragen naar de achtergrond: waarom was zo’n NHM ook al weer nodig? Welke hooggespannen verwachtingen werden Kamerbreed gekoesterd? En: zijn die verwachtingen realistisch?
SP-leider Jan Marijnissen heeft vriend en vijand ervan overtuigd, dat een historisch museum zal werken als een ‘identiteitsfabriek’. Historisch besef, kennis van de cultuur en geschiedenis van ons land zullen de inburgering van ‘nieuwe Nederlanders’ bevorderen en de identiteit van ‘oude Nederlanders’, in het bijzonder de jongere generaties, versterken. Maar is dat wel zo?
In de negentiende eeuw was een historisch museum misschien zo’n identiteitsfabriek. Net als de dienstplicht en het onderwijs was het museum gericht op het aankweken van een overkoepelende, nationale identiteit. De naties in Europa hadden geschoolde arbeiders, ambtenaren en soldaten nodig die niet meer aan hun regio, maar aan hun natie loyaal waren. Nationale en wereldtentoonstellingen toonden de macht, de rijkdom, het vernuft en de vooruitgang van naties. Historische musea lieten burgers, boeren en buitenlui in de hoofdstad kennismaken met het glorieuze verleden van ‘de natie’.
Zo bewonderden Volendammers en Brabanders sinds 1888 in het Rijksmuseum in Amsterdam de achterspiegel van de Royal Charles die De Ruyter voor ‘ons’ in 1667 op Engeland had buitgemaakt. In hetzelfde museum vergaapten Friezen en Limburgers zich aan een lange rij paspoppen met klederdrachten uit het hele land. De boodschap was: iedereen hoort erbij.
In onze tijd werkt de identiteitsfabriek niet meer op deze manier. Om te beginnen is het gewenste eindproduct niet meer een nationalistische Nederlander. Kabinet en bedrijfsleven willen dat Nederlanders deelnemen aan de mondiale kenniseconomie. Het ideaalbeeld is een Nederlandse staatsburger (m/v) die trots is op de culturele en wetenschappelijke traditie van het land waar hij woont en werkt, en die vanuit die zekerheid ondernemend uitziet naar een toekomst als burger van Europa en de wereld.
Maar ook de grondstof van de identiteitsfabriek is radicaal veranderd. De input bestaat niet meer uit boerse provincialen. De ‘oude Nederlanders’, 80 procent van de bevolking, zijn in culturele termen wereldburgers. Zij werken grotendeels in de dienstensector. Door studie, werk en als toerist reizen zij de hele wereld over. Thuis consumeren ze culturele uitingen uit de hele wereld. Van de 20 procent ‘nieuwe Nederlanders’ bestaat ongeveer een kwart uit stedelijk georiënteerde wereldburgers afkomstig uit ontwikkelde gebieden. Hooguit 15 procent van de bevolking is dus enigszins te vergelijken met de negentiende-eeuwse ‘buitenlui’. Maar ook voor hen geldt, dat zij – dankzij de media – kunnen switchen tussen diverse identiteiten. Kortom: het wordt een hele klus om een historisch museum uit eenentwintigste-eeuwse grondstof een negentiende-eeuws eindproduct te laten fabriceren.
Onzinnig dus, de plannen voor een NHM? Dat hoeft niet. Een goed historisch museum kan ook in onze eeuw een bijdrage leveren aan debatten over burgerschap en identiteit. Maar wordt het NHM een goed museum? Twee onderdelen van de plannen wekken zorg: het museum krijgt geen eigen collectie, en het personeelsplan telt slechts vijf historici.
Wil een museum de concurrentiestrijd met pretparken en nieuwe media overleven, dan moet het iets bieden dat alleen musea hebben: authentieke objecten. Musea zonder collectie worden ‘een boek aan de muur’, of tegenwoordig misschien ‘een multimediaspektakel’, maar ze missen de overtuigingskracht en de magie van het ‘echte’. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat bezoekers door die echte objecten aan een museum meer vertrouwen geven dan aan historische films en televisie, en zelfs meer dan aan geschiedenisboeken en -docenten. In een museum ondergaat iemand die daarvoor gevoelig is een ‘historische sensatie’, een ervaring die volgens Johan Huizinga „even diep [is] als het zuiverste kunstgenot”.
Onderzoek en presentatie van collecties vraagt een uitgebreide staf met up-to-date kennis. Historisch onderzoek is niet meer gericht op individuele naties, maar op vergelijking van de ontwikkeling van verschillende naties in internationale, transnationale en globale processen. Ook de geschiedenis van ‘ons’ land is heel goed te onderwijzen in zo’n niet-nationalistische context. Maar om de Nederlandse geschiedenis op een verantwoorde manier te onderzoeken en te presenteren zijn de vijf vakhistorici uit het NHM-plan (elk één voor de perioden Oudheid, Middeleeuwen, Nieuwe – en Nieuwste geschiedenis, plus een ‘overdrachtshistoricus’) onvoldoende.
Ter vergelijking: het in 2006 geopende Deutsches Historisches Museum (DHM) in Berlijn heeft resoluut gekozen voor het verzamelen van bijzondere authentieke objecten. Bewust heeft men afgezien van het ‘zoeken van plaatjes bij een didactisch verhaal’. Door dit ‘archeologisch onderzoek van de wereld van de historische objecten’ kan de bezoeker het verleden van heel dichtbij ondergaan. Het resultaat doet niet onder voor het zuiverste kunstgenot.
Het DHM vervult wereldwijd een voorbeeldfunctie voor historische musea en voor het geschiedenisonderwijs, door de schoonheid van zijn collectie en door de kritische manier waarop in de presentatie afstand wordt genomen van ouderwets nationalisme. Om dit resultaat te bereiken en te handhaven telt het museum 12 afdelingen voor de verschillende soorten objecten, bemenst door een veelvoud van de in het NHM voorziene vijf historici. Zonder een eigen collectie, met een te beperkte historisch-wetenschappelijke staf en met een politieke opdracht die herhalingsrecepten uit de negentiende eeuw voorschrijft, dreigt het NHM een lege huls te worden, een identiteitsfabriek die nog vóór haar oprichting het predikaat ‘industrieel erfgoed’ verdient.
