De uitverkoop van Nederland is een mythe
Wat meer feitelijkheid en wat minder Oranjegevoel. Daarvoor pleit Wouter Bos in de discussie over de vermeende uitverkoop van Nederlandse bedrijven.
John Kenneth Galbraith introduceerde ooit de term ‘conventional wisdom’. Dat zijn wijsheden die zo vaak herhaald worden dat ze als waar worden beschouwd. Terwijl ze dat vaak niet zijn. Een van die ‘wijsheden’ is de notie dat Nederland in de uitverkoop is door de globalisering. In Nederland leidt die notie hier en daar tot een misplaatst Oranjegevoel. Zelfs in de meest liberale krant van Nederland lijkt het sentiment het soms te winnen van de feiten. ‘Zou Parijs zich afzijdig houden als dit BNP Paribas overkwam?’, ‘Filiaal Nederland, wie volgt De Bank?’, ‘De rode loper gaat uit voor het nieuwe kapitaal’, ‘De BV Nederland: tegen elk aannemelijk bod’.
Als KLM fuseert met Air France, of buitenlandse investeerders aandelen Stork kopen of ABN Amro wordt overgenomen, dan is Nederland kennelijk in de uitverkoop. Dat nog niet zo lang geleden ABN Amro het Italiaanse Antonveneta overnam of dat AKZO in het verleden het Zweedse Nobel heeft overgenomen en nu het Britse ICI wil overnemen, dat wordt gemakshalve vergeten.
Nederland verdient al sinds de Batavieren zijn inkomen voor een groot deel door internationale handel. Nederlandse bedrijven hebben al sinds jaar en dag financiële belangen in de hele wereld. Juist daarom heeft Nederland zich altijd ingezet voor open economieën en zo vrij mogelijke handel. Als globalisering niet al zou bestaan, hadden we het uitgevonden. Het brengt Nederland immers veel voordeel.
De internationalisering is geen zwakte of uitverkoop, maar is juist onze economische kracht. Voor de overheid is het daarom veel belangrijker om dat wat klein en veelbelovend is, de ruimte te geven om te groeien, dan om dat wat groot en oud is, te beschermen. Kortom, om eraan bij te dragen dat bedrijven zich in Nederland willen vestigen of in Nederland willen blijven. Dat bedrijven hier komen en blijven zodat ze hier werkgelegenheid bieden, hier innoveren en, niet onbelangrijk, hier belasting betalen. En dat beleggers en investeerders bereid zijn en zullen blijven om hiervoor het benodigde kapitaal te leveren. Het eigendom van die bedrijven is daarbij minder belangrijk.
De discussie over het Oranjegevoel staat voor de breder gevoelde onzekerheid die mensen voelen in een wereld waarin veranderingen sneller plaatsvinden, complexiteit toeneemt en veel mensen het gevoel hebben de greep op hun eigen lot te verliezen.
Politici moeten deze zorgen serieus nemen. Door werknemers te helpen zich te wapenen en mee te gaan in veranderingen. Door al te grote excessen in aandeelhoudersmacht te beteugelen. Onder meer de Commissie Frijns heeft daarvoor de nodige voorstellen gedaan. Ik denk dan aan verhoging van de drempel voor het agenderingsrecht, de responstijd voor bestuurders om na te denken over strategische voorstellen van aandeelhouders en de verlaging van de meldingsdrempels voor aandelenbezit. Door ervoor te zorgen dat de belangen van alle stakeholders in bedrijven de aandacht krijgen die ze verdienen. Maar ook door eraan bij te dragen dat de discussie gevoerd wordt aan de hand van feiten. Feiten, die nogal eens over het hoofd worden gezien.
Er is niets nieuws onder de zon. Al sinds jaar en dag worden Nederlandse bedrijven overgenomen. Het Kruidvat? Al sinds 2002 in Chinese handen. Het slaatje van Johma? Al sinds 1999 in Britse handen. Douwe Egberts? Al sinds 1978 in Amerikaanse handen. Gazelle? Sinds 1987 Amerikaans, maar onlangs opgekocht door* Nederlandse private equity. Wie voor de gelegenheid een ‘Officiële prijscourant’ uit de vijftiger jaren van de beurs openslaat, herkent bijna geen bedrijf. Veel allang verdwenen rubber-, suiker- en tabaksondernemingen. Ons zogenoemde erfgoed verandert continu en intensief. Geen revolutie maar evolutie.
Zo’n 80 procent van Nederlandse beursgenoteerde bedrijven is in handen van buitenlandse beleggers. 90 procent van de omzet van Nederlandse bedrijven wordt in het buitenland behaald. In 80 procent van de hoofdkantoren in Nederland is de voertaal Engels. Dat is niet iets van de laatste jaren. Dat is al geruime tijd zo.
Nederlandse bedrijven nemen meer over in het buitenland dan dat ze zelf overgenomen worden. In de afgelopen twee jaar is het aantal overnames van Nederlandse bedrijven in het buitenland verdubbeld. Het bedrag dat daarmee was gemoeid, is 80 miljard euro. Het aantal buitenlandse overnames in Nederland groeide slechts met 10 procent. Het daarmee gemoeide bedrag is 50 miljard.
Nederland bestaat uit méér dan een paar gezichtsbepalende beursgenoteerde ondernemingen. Juist in het midden- en kleinbedrijf vinden we de groeidiamanten. Bedrijven die kunnen uitgroeien tot de nieuwe Tomtoms van Nederland.
Kortom, er is geen sprake van een uitverkoop van Nederland. Enkele gezichtsbepalende bedrijven vormen niet het hele Nederlandse bedrijfsleven. De ons elders zo vertrouwde aanpak om dijken op te werpen tegen naderend onheil werkt hier niet. Eenvoudigweg omdat we niet worden bedreigd door een wassende vloed van buiten. Globalisering betekent dat de evolutie van ons bedrijfsleven internationaler wordt. Nederland staat daarbij in een rijke traditie en doet daar volop mee. Aan de hand van een zakelijke discussie zullen we moeten bekijken waar de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven en het vestigingsklimaat van Nederland verder kan verbeteren. Juist ook als het aankomt op het zien en grijpen van kansen in een globaliserende wereld.
Een discussie over Oranjegevoel zet ons daarbij al snel op het verkeerde been, omdat het oud en groot beschermt, terwijl het geen ruimte biedt aan jong en dynamisch. Omdat het vloekt met onze geschiedenis. Omdat het een ongrijpbare en dus wankele basis is voor ons economisch beleid. Echt, dit land kan zo veel beter!
