Drama in het onderwijs: vwo raakt te veel jongens kwijt

VWO christelijke scholengemeenschap De Lage Waard
Suzanne Dannenburg-Bijl, econometrist en docent wiskunde.

In het vwo voltrekt zich een drama. Steeds meer jongens slagen er niet in de eindstreep te halen, en de inhaalmanoeuvre van havo naar vwo is vrijwel onmogelijk geworden. Talenten blijven onontwikkeld. En dat in een land dat zo graag kénnisland wil zijn.

Verhullend taalgebruik. Het is een alledaags fenomeen. Wie zich ervan bedient, doet dat niet altijd per se met kwalijke intenties. Vervelend blijft wel dat de ware aard van iets erdoor wordt versluierd. Bijvoorbeeld als het gaat om de prestaties van jongens op het vwo. Zo stond in deze krant van 28 december dat er geen ‘jongensprobleem’ op het vwo bestaat. Dat klopt, maar daar houdt het goede nieuws ook meteen op. Er is namelijk geen sprake van een probleem, maar van een drama.

De achterstand van jongens op het vwo is nu even groot als de achterstand van meisjes 30 jaar geleden. En de samenleving moet jaarlijks duizenden mannelijke gediplomeerde vwo’ers ontberen.

Dat meisjes het beter zijn gaan doen dan jongens, blijkt al als je kijkt naar het aantal geslaagden in het vwo per schooljaar. Vanaf 1995 zitten daar meer meisjes dan jongens bij. Op basis van die CBS-cijfers schreef de krant over een ‘probleem’. Maar om goed te begrijpen wat er aan de hand is, om het drama achter deze onbewerkte cijfers te begrijpen, moet het aantal vwo-diploma’s behaald door jongens en door meisjes worden gedeeld door een gewogen gemiddelde van 17- , 18- en 19- jarige jongens en meisjes uit hetzelfde schooljaar. Het CBS heeft deze data óók op de website staan. Er zijn namelijk altijd meer 17-jarige jongens dan meisjes. Dit verschil is substantieel, met zo’n 4 procent meer jongens in deze leeftijdscategorieën dan meisjes. Verder schommelt de omvang van de totale groep jongelui in de loop van de jaren nogal. Zonder relatering aan de omvang van de relevante leeftijdscategorieën worden ontwikkelingen in de tijd versluierd.

Het beeld dat ontstaat na deze deling is indringend, zo laat de grote grafiek zien.

Duidelijk is dat het behalen van een vwo-diploma is weggelegd voor een klein deel van de Nederlandse bevolking. De grafiek verleidt tot het trekken van een horizontale lijn bij 15 procent van de jongeren. Minder dan 15 procent vwo-diploma’s betekent vermoedelijk het weggooien van talenten, meer dan 15 procent gaat lijken op verwatering van het vwo-diploma.

Van 1980 tot 1990 is een steeds groter deel van de meisjes in staat om het vwo-diploma te halen. Bovengenoemd artikel spreekt terecht over ‘emanciperen’. Maar in diezelfde periode ‘emancipeerden’ de jongens nog net zo goed, alleen vanuit een betere startpositie in 1980 dan de meisjes.

Maar vanaf 1995 vond een dramatische omslag plaats. In een paar jaar tijd kelderde het percentage jongens dat een vwo-diploma behaalde van boven de 15 procent tot net boven de 11 procent. Zijn ze dommer geworden? Zó snel en zó veel dommer? In absolute aantallen ‘miste’ de Nederlandse samenleving ruim 3.500 vwo-gediplomeerde jongens in 2002. Na het ramp examenjaar 2001/2002 trok het percentage gelukkig weer enigszins bij. Maar het huidige niveau van 13,2 procent is historisch gezien nog altijd laag. Het was 20 jaar geleden voor jongens even ‘waarschijnlijk’ om een vwo- diploma te behalen als nu. Hoezo ‘Hoger onderwijs voor iedereen’?

En dan het verschil met de meisjes. In het examenjaar 2005/2006 haalde 3,2 procent meer meisjes dan jongens het vwo-diploma. Om een dergelijk verschil te zien tussen jongens en meisjes moeten we ver terug in de tijd. Aan het begin van de jaren zeventig was het verschil tussen jongens en meisjes ook ruim 3 procent – in het nadeel van de meisjes welteverstaan. De achterstand die meisjes 30 jaar geleden hadden is even groot als de achterstand van jongens nu. Er is dus alle reden om te stellen dat er geen sprake is van een jongensprobleem op het vwo, maar van een jongensdrama.

Een blik in de CBS-cijfers helpt bij de zoektocht naar de oorzaken van dit drama. Inderdaad, het zijn de onderwijsvernieuwingen.

Meisjes zijn altijd al licht in de meerderheid geweest in de derde en de vierde klas van het vwo. Ze waren dus ook ‘vroeger’ al leergieriger leerlingen. Maar de invoering van de basisvorming begin jaren negentig zette het aandeel van jongens in de klas nog eens 1,5 procentpunt terug. De terugval in het aandeel jongens in vwo-3, en een jaar later in vwo-4, is duidelijk zichtbaar in de kleine grafiek rechts. Een dergelijk grote achterstand in de onderbouw kunnen de jongens niet meer goedmaken in latere jaren. In het recente verleden kregen de meisjes namelijk in vwo-5 gezelschap van veel jongens met een havo-diploma, zodat het eindresultaat in vwo-diploma’s in balans was. De havo-route naar het vwo-diploma was een ‘jongensroute’. Deskundigen geven ook aan dat jongens zich anders ontwikkelen dan meisjes en meer tijd nodig hebben om hun ambities te ontdekken.

Maar bij de invoering van de Tweede Fase ging deze route in de praktijk ‘op slot’. Dat laat de grafiek hiernaast zien. Het stapelen van opleidingen was inefficiënt en dus ongewenst.

Voor wie de moeite neemt om de CBS-cijfers echt te laten spreken, is het duidelijk. De achterstand van jongens op het vwo is dramatisch van omvang. De kans dat een jongen in 2008 zijn vwo-diploma haalt is aanmerkelijk kleiner dan 15 jaar geleden. De invoering van de basisvorming en van de Tweede Fase vallen samen met de klappen die het aandeel van jongens op het vwo krijgt. Een deel van de jongens komt niet tot zijn recht door zelfstandig te werken, samen te werken of werkstukken te maken. Talenten blijven onontwikkeld. Dat is frustrerend voor de desbetreffende jongens en hun ouders. En een drama voor Nederland dat zo graag een ‘kennisland’ wil zijn.

De praktijk: jongens hebben bonje

Dit jaar heb ik een gymnasiumbrugklas. Dat is ‘every teachers dream’: 20 leergierige kinderen. Laatst liet ik hen ruimtefiguren bouwen met pijpenragers en rietjes. Twee groepjes met meisjes en twee groepjes jongens gaan daar leuk mee aan de slag. Aan het eind van de les kreeg ik zowaar twee dodecaeders, twee twaalfhoeken! Maar het laatste groepje met jongens had direct bonje over wat ze gingen maken. Ze legden het weer bij met een rondje sterke verhalen vertellen. Maar daarna vlogen ze elkaar weer in de haren over wat te doen. In de laatste 10 minuten maakte één van die jongens nog snel een half prisma, en dat was het dan. Gelukkig voor hen was het werk niet voor een cijfer. Begrijp me goed, deze jongens zitten echt niet voor niets in de gymbrugklas. Ze leren snel, stellen soms verrassend goede vragen in de klassikale les en halen mooie cijfers voor pittige repetities. Maar samenwerken.... dat duurt echt nog wel wat jaartjes.

Vorig jaar zag ik nog grotere verschillen in een havo/vwo-brugklas. Vier meisjes voerden als volleerde vrouwen twee gesprekken tegelijk. Het belangrijkste gesprek ging over de relatieproblemen van één van hen. Maar dat gesprek werd soepel afgewisseld met het afstemmen van het nog te verrichten werk. Wat moet ik hun nog leren over samenwerken? Het tastbare resultaat was prima. Maar vier jongens hadden nog voor de instructie klaar was al hun eigen wedstrijd bedacht: wie kan de meeste rietjes in de meest verrassende lichaamsopeningen steken? Strontvervelend waren ze die les. Maar ook van hen kreeg ik regelmatig goede vragen in de klassikale lessen en ze haalden ook goede cijfers voor repetities. Ik probeer wel door vervelend gedrag heen te kijken wanneer ik moet adviseren over de vervolgrichting havo of vwo, maar makkelijk is dat niet.

Enkele weken geleden surveilleerde ik bij de praktische opdracht voor wiskunde. Dit is serieus werk, het telt mee voor het examencijfer. In groepjes van drie of vier werken ze van negen tot vier uur aan een opdracht. Mijn collega had gemengde groepen gemaakt. Voor mijn neus zag ik een stereotiep groepje. De twee meiden zorgden na elke aanval van meligheid weer voor de serieuze toon. Ze hielden de tijd in de gaten, verdeelden de taken, corrigeerden de jongens als ze de opgave niet goed hadden gelezen, zorgden voor een net en volledig verslag. De jongens lieten zich dit welgevallen en losten die dag een paar moeilijke opgaven op. Mijn verstandige collega hielp met deze groepssamenstelling alle vier de leerlingen. In een andere groep ontstond ruzie. De enige jongen had een oplossing gevonden voor een moeilijke vraag. Maar hij kreeg het niet goed uitgelegd aan de twee meiden. Dus wilden zij zijn werk niet opnemen in het verslag. Ik moest er aan te pas komen. Toen ik zijn oplossing had uitgelegd aan de dames, snapten ze het nog niet echt, maar ze namen zijn werk wél op in het verslag. Ik bleef zitten met de vragen: hadden die twee jongens het werk netjes af gekregen samen met twee andere jongens, was die andere jongen zonder mijn steun niet een paar belangrijke punten misgelopen?

Wie zei wat over de feminsering van het onderwijs?

Op 7 maart 2007 publiceerde Jan Latten, hoofd van het CBS, de cijfers van de prestaties van jongens en meisjes op scholen. „De Nederlandse samenleving gaat ingrijpend veranderen door de scholingsvoorsprong die vrouwen hebben genomen op mannen”, zegt hij in Het Financieele Dagblad de dag erna.

Volgens hem zijn meisjes ijveriger.

Volgens Mineke van Essen, emeritus hoogleraar genderstudies aan de Rijksuniversiteit Groningen heeft dit niets te maken met het feit dat er vooral vrouwen voor de klas staan. „Wanneer meisjes in het onderwijs dezelfde kansen krijgen als jongens presteren ze altijd beter, dat was honderd jaar geleden ook al zo”, zegt zij op 8 maart 2007 in Trouw. „Het heeft te maken met erfelijkheid en de genen maar ook met opvoeding en de pubertijd. Bovendien was er in het verleden geen sprake van feminisering in het onderwijs en toen deden meisjes het ook al beter.”

Ook Karin Bügel van toetsontwikkelaar Cito ontkent in NRC Handelsblad (28 dec. 2007) dat er bewijs is voor de theorie van de feminisering van het onderwijs: „Het blijkt dat meer mannen voor de klas nauwelijks effect heeft op de prestaties.”

Neuropsycholoog Jelle Jolles van de universiteit van Maastricht hangt de theorie wel aan. De Tweede Fase, waarin meer werkstukken moeten worden gemaakt, meer spreekbeurten worden gehouden en meer in groepjes gewerkt, passen volgens hem beter „bij de langer ontwikkelde taalverwerkingsstrategie van meisjes”. (NRC Handelsblad 28 dec. 2007)

José Groen, docent Nederlands en coördinator op een grote scholengemeenschap, gelooft ook in de feminisering. In de onderbouw van het vwo wordt volgens haar getoetst op vaardigheden die jongens in de leeftijd van 12 tot 15 jaar in aanleg weinig bezitten en onvoldoende worden aangeleerd. Zij haken af en stromen af naar de havo. (NRC Handelsblad 28 dec. 2007)

Leo Prick, columnist NRC Handelsblad, ziet de verdwijning van de mavo als een niet te onderschatten factor. Vroeger konden leerlingen die vanuit de havo terugvielen naar de mavo later alsnog naar de havo doorstromen. Vooral jongens maakten daar gebruik van. Dergelijke laatbloeiers komen nu op het vmbo terecht en daarvandaan is de havo moeilijk bereikbaar. Met bepaalde pakketten is het zelfs onmogelijk.

Dat er weinig mannen voor de klas staan heeft hier volgens onderzoekster Gerda Geerdink alles mee te maken. Op de pabo’s geeft de helft van de jongens er de brui aan. Ze willlen volgens Geerdink kinderen inhoudelijke kennis overdragen, maar ze worden doodgegooid met didactiek en aangespoord tot ‘zelfreflectie’, alweer in werkstukjes en groepjes. (Volkskrant 17 nov. 2007)

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie