Niets verkeerd met het bewaren van telefoongegevens

Door Pieter Kleve en Richard de Mulder

De bezwaren van vijftien hoogleraren tegen dataretentie zijn weinig wetenschappelijk, vinden Pieter Kleve en Richard de Mulder.

Vorige week pleitten vijftien hoogleraren voor verlaging van de voorgestelde wettelijke bewaartermijn van telefoon- en internetgegevens van 18 maanden tot 6 maanden (Opiniepagina, 2 april). Hoewel het beroep van de schrijvers de suggestie van een wetenschappelijke inbreng wekt, blijkt het te gaan om een politieke stellingname.

Nu is het een bekend verschijnsel dat wetenschappers naast hun wetenschappelijke arbeid ook andere maatschappelijke belangen dienen, bijvoorbeeld in de hoedanigheid van advocaat of consultant, of in de betaalde onderzoekspraktijk, maar in het stuk over de wettelijke bewaartermijn blijkt niets van deze andere rollen. Het is daarom gissen naar wat de vijftien hoogleraren heeft bewogen tot hun gemeenschappelijk schrijven.

Behalve het tijdstip van publicatie – de dag voorafgaand aan de geagendeerde parlementaire behandeling van het wetsvoorstel (die overigens is verplaatst naar de tweede week van mei) – lijkt ook de argumentatie eerder gericht op beïnvloeding van de politieke besluitvorming dan op het verspreiden van wetenschappelijke inzichten.

Het aantal naar voren gebrachte argumenten is gering – nog niet één argument per hoogleraar; bovendien zijn ze niet steeds wetenschappelijk. Een wetenschappelijke argumentatie bestaat immers uit falsificeerbare uitspraken, en in een wetenschappelijk discours leidt de enkele instemming van (andere) hoogleraren – zelfs als het er veertien zijn – nu eenmaal niet tot een vermeerdering van kennis of een groter waarheidsgehalte van de stellingname.

Briefschrijvers halen drie uitingen aan die door voorstanders van een langere bewaartermijn zouden worden gehanteerd: ‘Jij wilt toch niet verantwoordelijk zijn voor de volgende aanslag?’, ‘Wie niets te verbergen heeft, heeft ook niets te vrezen’ en ‘Privacy is de schuilplaats van het kwaad’. Deze uitingen, die zouden zijn „ingegeven door opspoorders die zoveel mogelijk middelen willen om boeven en terroristen te pakken”, worden onder de noemer van „dooddoeners” verder onbesproken gelaten.

Een eerste kanttekening is daarom al of het niet getuigt van een te beperkte visie door deze uitingen uitsluitend toe te schrijven aan ‘opspoorders’, met voorbijgaan aan de mogelijkheid dat dit ook een belangrijke opvatting in de rest van de samenleving zou kunnen zijn.

Een tweede kanttekening is dat het niet zomaar duidelijk is wat er mis zou zijn aan de wens van die ‘opspoorders’ om zoveel mogelijk middelen te willen om misdaad en terrorisme te bestrijden. Opmerkelijk is echter dat de briefschrijvers hun betoog vervolgen door op hun beurt zelf een aantal ‘dooddoeners’ – naar analogie – aan te voeren.

Het tegenargument (volgens schrijvers het belangrijkste argument) dat ‘iedereen als verdachte wordt beschouwd’, is onbegrijpelijk nu het een discussie betreft over de duur van de bewaartermijn. Voorts is de conclusie ook principieel niet juist, omdat het inwinnen van inlichtingen door justitie immers niet beperkt is tot ‘verdachten’. Het argument is verder ook wel merkwaardig, want op diezelfde manier zou bijvoorbeeld surveilleren op straat betekenen dat alle burgers als verdachte worden beschouwd.

Een ander bezwaar volgens schrijvers is dat een langere bewaartermijn tot hogere kosten voor providers leidt. Of dit al juist is (gelet op de situatie dat providers deze kosten, omdat ze voor hen alle gelden, kunnen doorbelasten aan hun abonnees) en of de kosten zo hoog zijn als wordt beweerd (gelet op de afnemende kosten voor opslag onder toename van de opslagcapaciteit) valt te betwijfelen. Maar dit argument gaat eigenlijk alleen om de vraag wie de kosten zou moeten dragen. En die vraag staat los van de vraag naar het nut van de bewaartermijn. Dat ‘internetbedrijfjes’ zich wegens deze kosten in landen zouden vestigen met een kortere bewaartermijn, is dus niet erg aannemelijk, maar dan nog zal het toch niet zo zijn, dat briefschrijvers hogere criminaliteitscijfers en lagere pakkansen prefereren boven het verlies van enkele internetbedrijfjes?

De laatste twee tegenargumenten zijn dat het bewaren van meer gegevens leidt tot meer fouten en dat het risico op misbruik wordt verhoogd. Dit klinkt niet onlogisch, maar kan niet dienen als argument om dan maar van allerlei maatregelen af te zien. Wie zo redeneert, zou bijvoorbeeld zijn auto ook maar liever in de garage laten. Het is natuurlijk wel een argument om zorgvuldig te zijn bij de opslag en de verwerking van de data, en – vooral – het toezicht op de toezichthouder goed te organiseren.

Met de stelling van schrijvers dat „een nieuwe visie nodig [is] over de machtsbalans tussen burger en overheid in een hoogtechnologische samenleving” zijn wij het eens. Een visie gebaseerd op normatieve inpassing van nieuwe technologie leidt echter tot ongewenst conservatisme, zoals de klassieke privacystuip waarin de vijftien hoogleraren zijn geschoten.

De wereld verandert. De stap vooruit ligt in de onderkenning van de normatieve werking van nieuwe technologie. En dat lijkt in het Wetsontwerp Dataretentie nu juist te gebeuren. Nieuwe technologie maakt meer toezicht mogelijk, vaak tegen geringe kosten en met niet geringe opbrengsten. Het probleem van het potentiële misbruik zouden we willen oplossen door meer en effectiever toezicht op de toezichthouders.

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie