EU spaart en de VS geven het weer uit

Al onze spaarcenten gaan naar riskante financiële producten in Amerika die de consumptiedrift ondersteunen, terwijl we beter kunnen investeren in Afrika, meent Luc Soete.

In wezen is er een groot verschil in motieven voor het nieuwe Angelsaksische ‘socialisme’ en het Rijnlandse ‘socialisme’, waarbij de overheid participeert in particuliere bedrijven en de gedeeltelijke overnames van bedrijven zoals we onlangs hebben gezien in de Verenigde Staten, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.

De Amerikaanse vorm van ‘socialisme’ bestaat uit de redding door de Amerikaanse overheid van de twee grote hypotheekinstellingen Fannie Mae en Freddie Mac. De problemen bij deze instellingen ontstonden door de tomeloze consumptiedrang van ook de minder gegoede Amerikaanse klasse die haar droom op een steeds groter huis dankzij lage instaprente, een variabele hypotheeklening en snelle doorverkoop met veel winst, dacht gerealiseerd te zien.

De hypotheekcrisis vormt dan ook een perfecte illustratie dat de Amerikaanse droom van opwaartse mobiliteit voor de meeste minder gegoede Amerikanen altijd een droom zal blijven: too good to be true.

Zoals vele modellen van micro-kredietfinanciering in ontwikkelingslanden aantonen, houdt het hoger kredietrisico van armen juist in dat een hogere rente geheven zal moeten worden met veel striktere voorwaarden aan afbetaling. Arm zijn is duur. In die zin zou de Amerikaanse overheid gebruik kunnen maken van de ervaringen bij de Grameen Bank voor de armen in Bangladesh. Die zou bij Fannie Mae en Freddie Mac goed van pas komen.

Eigenlijk is er in Amerika dan ook geen sprake van socialisme. De overheid greep juist in om de gegoede klasse te verzekeren van toekomstige hypotheekleningen tegen goedkope vaste rentetarieven. Het laatste jaar profiteerden de klanten op geen enkele manier van de achtereenvolgende renteverlagingen van de Amerikaanse centrale bank. Integendeel, de rente voor hypotheken met een dertig jaar lange rentevastheid steeg zelfs. Het Rijnlandse ‘socialisme’ daarentegen heeft weinig te maken met geldproblemen bij banken als gevolg van consumptiedrift.

Integendeel, de Europese overheden grepen juist in om het spaargeld te bewaken en om zo de spaarzaamheid van de burgers in stand te houden.

Fortis komt voort uit Belgische en Nederlandse instellingen die altijd konden rekenen op de spaarcenten van de gewone man of vrouw. Daarom dacht men bij Fortis altijd dat men het Beneluxdeel van ABN Amro zonder al te veel kleerscheuren zou kunnen inlijven. Een algemene run op de bank was totaal onvoorstelbaar. Uit deze optiek was ‘nationalisatie’ van Fortis en Dexia logisch, al was het maar om het nationale ‘Rijnlandse’ voordeel van een spaarzame bevolking te behouden. De kredietcrisis mocht geen spaarcrisis worden.

In die zin zijn de trans-Atlantische verschillen in de huidige financiële crisis ondanks uitdijende, wereldwijde effecten, nog steeds illustratief voor de fundamentele verschillen in economisch consumptie- en spaargedrag tussen de VS en Europa.

In de VS is de reeds lang verwachte financiële crisis het rechtstreeks gevolg van een verruiming van het recht op krediet tot groepen en objecten met een steeds hoger risicoprofiel. In Europa (en ook in Azië) betaalt men, ondanks de spaarzaamheid van de babyboomers, de prijs voor het gebrek aan riskante maar lucratieve financiële investeringsmogelijkheden in eigen gebied.

Al die Europese en Aziatische spaarcenten zoeken dus nog steeds hun weg naar Amerikaanse financiële producten ter ondersteuning van de consumptiedrift van het rijkste land ter wereld en niet ter ondersteuning van de investeringsbehoeftes in de armere delen van de wereld.

Misschien tijd om, zoals NRC-redacteur Maarten Schinkel suggereert, eens naar alternatieve investeringsmogelijkheden te kijken.

Luc Soete is hoogleraar Internationaal Economische Betrekkingen aan de Universiteit van Maastricht. Voor meer informatie over investeringen in Afrika, ga naar www.myc4.com.

Gepubliceerd in:
Opinie