De mantra van ‘minder overheid’ werkt niet meer
Na de crises van de jaren 30 en 70 wist Amerika zich telkens terug te vechten. Om opnieuw terug te keren moeten we ons bevrijden uit de dwangbuis van het Reagan-tijdperk, aldus Francis Fukuyama.
De instorting van de grootste Amerikaanse investeringsbanken. De verdwijning van meer dan duizend miljard dollar aan belegde waarde op één dag. Een rekening van 700 miljard dollar voor de Amerikaanse belastingbetaler. Grootschaliger zou de ravage op Wall Street nauwelijks kunnen zijn. Maar zelfs nu de Amerikanen zich afvragen waarom ze zulke breinbrekende bedragen moeten betalen om de economie voor instorting te behoeden, praten maar weinig mensen over een minder tastbare maar mogelijk nog veel hogere prijs voor de Verenigde Staten – de schade die de financiële rampspoed aan het ‘merk’ Amerika toebrengt.
Tot onze belangrijkste exportartikelen behoren ideeën, en vanaf het begin van de jaren tachtig, toen Ronald Reagan tot president werd gekozen, wordt het mondiale denken beheerst door twee ideeën die in wezen Amerikaans zijn.
Het eerste idee is een bepaalde kijk op het kapitalisme – volgens welke lage belastingen, geringe regelgeving en een gekortwiekte overheid de motor voor economische groei zouden zijn. Het Reaganisme maakte een einde aan de tendens van een steeds grotere overheid, die een eeuw had geduurd. Deregulering werd het parool, niet alleen in de Verenigde Staten maar overal ter wereld.
Het tweede grote idee was Amerika als wereldwijde bevorderaar van de liberale democratie, die gezien werd als de beste weg naar een welvarender en opener internationale orde. De Amerikaanse macht en invloed berustten niet alleen op onze tanks en dollars, maar ook op het gegeven dat de meeste mensen de Amerikaanse vorm van zelfbestuur aantrekkelijk vonden en hun maatschappijen in dezelfde geest wilden hervormen – dat wat de politicoloog Joseph Nye als onze ‘zachte macht’ heeft bestempeld.
Het is moeilijk na te gaan hoe ernstig deze kernelementen van het merk Amerika aan vertrouwen hebben ingeboet. Tussen 2002 en 2007, toen de wereld een ongekende groeiperiode beleefde, kon eenvoudig worden voorbijgegaan aan de Europese socialisten en Latijns-Amerikaanse populisten die het Amerikaanse economische model voor ‘cowboy-kapitalisme’ uitmaakten. Maar nu is de motor van die groei, de Amerikaanse economie, ontspoord en dreigt deze de rest van de wereld met zich mee te sleuren. Erger nog, de schuldige is het Amerikaanse model als zodanig: onder de mantra van minder overheid heeft Washington verzuimd de financiële sector naar behoren te reguleren en daarmee toegestaan dat deze de rest van de maatschappij enorm veel kwaad heeft gedaan.
De democratie was zelfs al eerder bezoedeld. Zodra bleek dat Saddam geen massavernietigingswapens bezat, probeerde de regering-Bush de oorlog met Irak te rechtvaardigen door deze te verbinden aan een bredere ‘vrijheidsagenda’: opeens was de bevordering van de democratie een voornaam wapen in de oorlog tegen het terrorisme. Voor veel mensen over de hele wereld klinkt de Amerikaanse retoriek over democratie sterk als een excuus om de Amerikaanse hegemonie te bevorderen.
De keuze waarvoor wij nu staan reikt veel verder dan het reddingsplan voor de kredietcrisis of de presidentscampagne. Het merk Amerika wordt zwaar beproefd op een ogenblik dat andere modellen – het Chinese dan wel het Russische – steeds aanlokkelijker lijken. Het herstel van onze goede naam en van de aantrekkingskracht van ons merk is in menig opzicht net zo’n grote uitdaging als de stabilisering van de financiële sector. Barack Obama en John McCain hebben daarbij elk hun eigen sterke punten te bieden. Maar voor beiden zal het jarenlang een hels karwei worden.
[*] Veel commentatoren hebben opgemerkt dat de instorting van Wall Street het einde van het tijdperk-Reagan inluidt. Daar hebben ze ongetwijfeld gelijk in, ook als McCain zich in november tot president weet te laten kiezen. Grote ideeën ontstaan in de context van een bepaald historisch tijdperk. Weinige houden stand als die context ingrijpend verandert, en daarom verschuift de politiek meestal van links naar rechts en weer terug in cycli van een generatie.
Het Reaganisme (of in zijn Britse vorm: het Thatcherisme) paste bij zijn tijd. Sinds de New Deal van Franklin Roosevelt in de jaren dertig waren over de hele wereld de overheden alleen maar steeds groter geworden. In de jaren zeventig bleken omvangrijke welvaartsstaten en economieën, verstikt door bureaucratie, bijzonder slecht te functioneren. Telefoon was duur en moeilijk te krijgen, vliegen was een luxe voor de rijken en de meeste mensen zetten hun spaargeld op een bankrekening die een lage, vastgestelde rente betaalde. Bijstand aan alleenstaande ouders ontnam arme gezinnen de prikkel om te werken en getrouwd te blijven, en gezinnen vielen uiteen.
De Reagan-Thatcher-revolutie vergemakkelijkte het aannemen en ontslaan van werknemers, wat enorm veel pijn bracht toen traditionele bedrijfstakken inkrompen of sloten. Maar ze legde ook de basis voor bijna dertig jaar groei en de opkomst van nieuwe sectoren als de informatie- en biotechnologie.
Internationaal vertaalde de Reagan-revolutie zich in de ‘Washington-consensus’, waarmee Washington – en instellingen onder zijn invloed, zoals het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank – de ontwikkelingslanden dwongen om hun economieën open te stellen. Populisten als Hugo Chávez van Venezuela hebben er weliswaar geen goed woord voor over, maar begin jaren tachtig, toen landen als Argentinië en Brazilië door hyperinflatie werden geteisterd, verlichtte de Washington-consensus met succes de pijn van de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis. Dankzij eenzelfde marktvriendelijk beleid zijn China en India de economische krachtpatsers geworden die ze nu zijn.
En wie nog meer bewijs nodig heeft, zou kunnen kijken naar ’s werelds meest extreme voorbeelden van een grote overheid – de centraal geleide economieën van de vroegere Sovjet-Unie en andere communistische landen. Deze bleven in de jaren zeventig in vrijwel elk opzicht bij hun kapitalistische rivalen achter. Hun ineenstorting na de val van de Berlijnse Muur bevestigde dat zulke opgepompte welvaartstaten een historisch doodlopende weg waren.
Zoals alle hervormingsbewegingen raakte de Reagan-revolutie het spoor bijster omdat ze voor veel aanhangers een onbetwistbare ideologie werd, in plaats van een pragmatische reactie op de uitwassen van de welvaartsstaat. Twee concepten waren heilig: ten eerste dat belastingverlagingen zichzelf zouden terugbetalen en ten tweede dat financiële markten zelfregulerend zouden kunnen zijn. [*]
De laatste tien jaar waren er duidelijke tekenen dat de Reagan-revolutie gevaarlijk was afgedreven. Een vroege waarschuwing was de financiële crisis van 1997-98 in Azië. Op advies en onder druk van de VS liberaliseerden landen als Thailand en Zuid-Korea begin jaren negentig hun kapitaalmarkt. Hun economie werd overstroomd door vluchtkapitaal dat tot een speculatieve zeepbel leidde, maar bij het eerste teken van problemen was dit meteen weer vertrokken. Klinkt bekend? Intussen bleken landen als China en Maleisië, die het Amerikaanse advies niet opvolgden en hun financiële markt gesloten hielden of streng reguleerden, veel minder kwetsbaar.
Een tweede waarschuwingssignaal school in het steeds hogere structurele begrotingtekort van de VS. Na 1997 gingen China en een aantal andere landen Amerikaanse dollars kopen, als onderdeel van een bewuste strategie om hun munt onder te waarderen, hun fabrieken draaiende te houden en zich te beschermen tegen financiële schokken. Na 11 september 2001 kwam dit Amerika goed van pas: daarmee konden wij onze belastingen verlagen, consumptief uit de band springen, twee dure oorlogen betalen en tegelijkertijd een begrotingstekort hebben. De onthutsende en groeiende handelstekorten die hieruit voortvloeiden – in 2007 al 700 miljard dollar per jaar – waren duidelijk onhoudbaar: vroeg of laat zouden de buitenlanders besluiten dat Amerika niet zo’n beste plek was om hun geld te beleggen. Het dalen van de Amerikaanse dollar is een teken dat we op dit punt zijn aanbeland. Kennelijk, en anders dan Cheney denkt, zijn tekorten wel degelijk van belang. [*]
Dit alles doet vermoeden dat het tijdperk-Reagan al enige tijd geleden had moeten eindigen. Deels bleef dit uit omdat de Democratische Partij niet met overtuigende kandidaten en argumenten op de proppen kwam, maar ook vanwege een bijzonder aspect waarin Amerika sterk van Europa verschilt. Daar stemmen lager opgeleide burgers uit de arbeidersklasse meestal op socialistische, communistische en andere links georiënteerde partijen, op grond van hun economische belangen. In de Verenigde Staten kunnen zij links of rechts de doorslag geven. Ze behoorden tot de grote Democratische coalitie van Roosevelt tijdens de New Deal, een coalitie die standhield tot aan de Great Society van Lyndon Johnson in de jaren zestig. Maar in de jaren van Nixon en Reagan gingen ze Republikeins stemmen, waarna ze in de jaren negentig overstapten naar Clinton en onder George W. Bush weer in de Republikeinse schoot terugkeerden. Als zij Republikeins stemmen, komt dat omdat culturele thema’s als godsdienst, patriottisme, gezinswaarden en wapenbezit boven economische kwesties gaan.
Deze groep kiezers zal de verkiezing van november beslissen; vooral door hun concentratie in een handvol swing states zoals Ohio en Pennsylvania. [*]
Het andere wezenlijke bestanddeel van het merk Amerika is de democratie, en de bereidheid van de Verenigde Staten waar ook ter wereld andere democratieën te steunen. Dit idealistische trekje liep de afgelopen eeuw als een rode draad door de Amerikaanse buitenlandse politiek, van de Volkenbond van Woodrow Wilson via de Vier Vrijheden van Roosevelt tot de oproep van Reagan aan Michail Gorbatsjov om ‘die muur neer te halen’.
De bevordering van democratie – door middel van diplomatie, hulp aan groeperingen uit het maatschappelijke middenveld, vrije media en dergelijke – is nooit omstreden geweest. Het probleem is alleen dat de regering-Bush de democratie heeft gebruikt ter rechtvaardiging van de oorlog met Irak en daarmee nu bij velen de indruk heeft gewekt dat ‘democratie’ een codewoord is voor militair ingrijpen en een machtswisseling. (Ook de chaos die volgde in Irak was niet echt bevorderlijk voor het imago van de democratie.) Het Midden-Oosten is voor elke Amerikaanse regering een mijnenveld bij uitstek [*]. Wij zijn niet erg geloofwaardig als voorvechters van een ‘vrijheidsagenda’.
Het Amerikaanse model is ook ernstig bezoedeld doordat de regering-Bush gebruik heeft gemaakt van foltering. Na 11 september 2001 bleken de Amerikanen een verontrustende bereidheid te vertonen om grondwettelijke beschermingen prijs te geven ten bate van hun veiligheid. Voor veel niet-Amerikanen hebben sindsdien Guantánamo Bay en de gevangene met de kap in Abu Ghraib als symbolen van Amerika de plaats van het Vrijheidsbeeld ingenomen. [*]
Mondiaal zullen de Verenigde Staten de oppermachtige positie verliezen die ze tot nu toe bekleedden, iets wat werd onderstreept door de Russische inval in Georgië van 7 augustus. Amerika zal minder bepalend voor de wereldeconomie kunnen zijn, via handelsakkoorden en het IMF en de Wereldbank, en ook onze financiële middelen zullen beperkter zijn. En in veel delen van de wereld zullen ideeën, adviezen en zelfs hulp uit Amerika minder welkom zijn dan nu het geval is.
Welke kandidaat is onder zulke omstandigheden beter in staat het merk Amerika een herstart te geven?
Barack Obama is duidelijk het minst belast door het jongste verleden en zijn partij-overstijgende stijl probeert de huidige politieke verdeeldheid te ontstijgen. In wezen lijkt hij een pragmaticus, geen ideoloog. Maar zijn bemiddelende vaardigheden zullen zwaar op de proef worden gesteld als hij moeilijke keuzen moet maken en niet alleen Republikeinen maar ook weerspannige Democraten in toom moet houden.
McCain daarentegen praat de laatste weken juist als Teddy Roosevelt, door te fulmineren tegen Wall Street en het hoofd van beursvoorzitter Chris Cox te eisen. Hij is misschien wel de Republikein die zijn partij schoppend en schreeuwend een post-Reagan-tijdperk binnen kan voeren. Maar het lijkt wel of hij nog niet helemaal heeft besloten wat voor Republikein hij eigenlijk is, of welke beginselen bepalend voor het nieuwe Amerika zouden moeten zijn.
Uiteindelijk kan en zal de Amerikaanse invloed zich weer herstellen. Omdat de hele wereld vermoedelijk een economische neergang te wachten staat, is het nog niet duidelijk dat het Chinese of Russische model merkbaar beter af zal zijn dan de Amerikaanse versie. De Verenigde Staten zijn in de jaren dertig en zeventig na ernstige tegenslagen teruggekomen, dankzij het aanpassingsvermogen van ons systeem en de veerkracht van ons volk.
Maar een nieuwe terugkeer hangt af van ons vermogen enkele fundamentele veranderingen door te voeren. Ten eerste moeten we ons bevrijden uit het dwangbuis van het Reagan-tijdperk inzake belastingen en regelgeving. Belastingverlagingen geven een prettig gevoel maar stimuleren niet per se de groei of betalen zichzelf niet per se terug. Gezien de toestand van onze begroting op lange termijn moet de Amerikanen eerlijk worden voorgehouden dat ze zelf hun toekomst zullen moeten betalen.
Deregulering, of het verzuim van regelgevers om markten die snel bewegen bij te houden, kan ongelooflijk kostbaar worden, zoals we hebben gezien. De hele Amerikaanse publieke sector – armlastig, gedeprofessionaliseerd en gedemoraliseerd – moet opnieuw worden opgebouwd en een hernieuwd gevoel van trots krijgen. Er zijn bepaalde taken die alleen de overheid kan vervullen.
Bij de uitvoering van deze veranderingen lopen we natuurlijk het gevaar om door te slaan. Financiële instellingen hebben krachtig toezicht nodig, maar het is niet duidelijk of dit ook geldt voor andere sectoren van de economie. Vrije handel blijft niet alleen een sterke motor voor economische groei, maar ook een instrument van de Amerikaanse diplomatie. [*]
De weinig verheffende reactie op de crisis op Wall Street toont aan dat de grootste verandering in onze politiek zal moeten worden doorgevoerd. De Reagan-revolutie doorbrak de vijftigjarige overheersing van progressieven en Democraten in de Amerikaanse politiek en maakte ruimte voor een andere aanpak van de problemen van die tijd. Maar met het verstrijken van de jaren zijn die eens zo frisse ideeën tot vergrijsde dogma’s verhard. Het politieke debat is verruwd door partijtijgers die niet alleen de ideeën maar ook de motieven van hun tegenstanders in twijfel trekken.
Door dit alles wordt het lastiger ons aan te passen aan de nieuwe en moeilijke werkelijkheid waarvoor we ons gesteld zien. De uiterste beproeving voor het Amerikaanse model zal dan ook zijn in hoeverre het zichzelf eens te meer weet te vernieuwen. Een goed merk staat of valt met een goed product, anders is het een vlag op een modderschuit. Of om de gewraakte uitdrukking te citeren die een presidentskandidaat gebruikte: ‘het is geen kwestie van een varken lippenstift opdoen.’ Er is werk aan de winkel voor de Amerikaanse democratie.
De Amerikaanse politicoloog en filosoof Francis Fukuyama (1952) werd wereldberoemd door zijn essay The End of History, dat verscheen in 1989, vóór de val van de Berlijnse Muur.
In het essay schreef hij dat de mensheid met de naderende implosie van het communisme was aanbeland bij het eindpunt van de ideologische evolutie. De westerse liberale democratie zou overblijven als de enige vorm van menselijk bestuur, aldus Fukuyama.
Zijn stelling raakte in diskrediet na 11 september 2001. Bekende commentatoren als Fareed Zakaria riepen het ‘einde van het einde van de geschiedenis’ uit.
Fukuyama was in 1997 een van de oprichters van de neoconservatieve denktank Project for a new American century. De laatste jaren heeft Fukuyama echter de manier bekritiseerd waarop de regering-Bush invulling geeft aan het neoconservatisme. Zo verzette Fukuyama zich in 2003 tegen de invasie in Irak.
Francis Fukuyama is hoogleraar internationale politieke economie aan de Johns Hopkins University © Newsweek
Gerelateerde artikelen:
- Eindelijk weer een bevrijdende crisis!
- Het Rijnlandse model en de Chinese variant op kapitalisme worden aantrekkelijker
- Wij bankiers moeten ons schamen
- Dit is niet het einde van het kapitalisme
- Europees bankenplan is goed. Maar red geen zwakke bank
- Europees bankenplan is goed. Maar red geen zwakke bank
- Europees bankenplan is goed. Maar red geen zwakke bank
- India, Brazilië en China moeten G7 bijstaan
- India, Brazilië en China moeten G7 bijstaan
- India, Brazilië en China moeten G7 bijstaan
- Media verergeren de financiële crisis door het gebruik van oorlogstermen
- Media verergeren de financiële crisis door het gebruik van oorlogstermen
