Hulp aan arme landen heeft zo geen zin

Door Eddy Szirmai

Ontwikkelingshulp zorgt niet voor economische groei en heeft nauwelijks invloed op armoede. Hulp heeft in het beste geval een licht positieve invloed, betoogt .

Ook het gisteren gehouden debat in de Tweede Kamer over ontwikkelingssamenwerking verliep langs voorspelbare lijnen. Partijen ter rechterzijde stellen dat ontwikkelingshulp niet effectief is, dat geld op grote schaal verspild wordt en dat corrupte regimes te veel steun ontvangen. Zij pleiten voor forse kortingen op het budget van ontwikkelingssamenwerking.

Partijen ter linkerzijde stellen dat er onvoldoende wordt gedaan om de millenniumdoelstellingen te realiseren. Verspilling en ineffectieve besteding moeten natuurlijk worden bestreden. En er moet veel meer nadruk komen op armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling. Het budget moet bij voorkeur omhoog.

De verwachtingen ten aanzien van ontwikkelingshulp zijn sterk overtrokken. Eerst de economie. Succesvolle economische ontwikkeling is nooit en te nimmer het gevolg van hulpstromen, maar van inspanningen van burgers, ondernemers, en overheden.

De economische geschiedenis kent geen enkel voorbeeld van een land dat als gevolg van ontwikkelingshulp van buitenaf een omslag heeft gemaakt van economische stagnatie naar economische dynamiek. Ontwikkelingshulp heeft in het beste geval een marginale positieve invloed. Het effect van ontwikkelingshulp op groei is bovendien moeilijk vast te stellen omdat veel hulp wordt gegeven aan de armste landen, waar het economisch slecht gaat.

Hulpstromen hebben met name sinds de jaren negentig een bescheiden omvang vergeleken bij andere internationale financiële stromen naar ontwikkelingslanden. Investeringen, leningen en overmakingen van migranten zijn een veelvoud van hulpstromen.

Voor de allerarmste landen waar hulpstromen niettemin een aanzienlijk percentage van het nationaal inkomen vormen, zijn andere factoren belangrijker voor economische groei en het terugdringen van de armoede: de prijsontwikkeling van primaire producten als koper of voedsel, buitenlandse investeringen, toegang tot de markten van de rijke landen of omvang van overmakingen van migranten naar hun familieleden.

De hooggespannen en onrealistische verwachtingen leiden keer op keer tot diepe teleurstellingen, of wat men hulpmoeheid noemt. Het politieke draagvlak voor hulp wordt ondermijnd en hulpstromen fluctueren sterk, afhankelijk van de mode van de dag.

Dan armoede. Ontwikkelingshulp heeft weinig of geen directe invloed op armoede in ontwikkelingslanden. Keer op keer is aangetoond dat hulp die bedoeld is om de positie van specifieke groepen armen te verbeteren, de doelgroep niet bereikt. Dit was al zo tijdens het ontwikkelingsbeleid van minister Pronk (PvdA) in de jaren zeventig, en dit is nog steeds het geval. Als hulp de pretentie heeft om armoede te bestrijden, dan is een gezond wantrouwen op zijn plaats.

Het enige dat werkelijk leidt tot vermindering van de armoede is zeer snelle economische groei. Zo hebben honderden miljoenen arme mensen in landen als China, India, Indonesië, Maleisië, Vietnam of Thailand geprofiteerd van snelle economische groei. Het aantal mensen beneden de armoedegrens van een dollar per dag is in deze landen sterk afgenomen. Met name een economisch beleid dat effectief gebruikmaakt van zeer goedkope arbeid draagt bij tot armoedebestrijding.

Dit zien we bijvoorbeeld in Vietnam en China. Een van de meest typische verschillen tussen Afrika en Zuidoost-Azië is dat Afrika zijn goedkope arbeid niet heeft benut, terwijl Zuidoost-Azië dat wel heeft gedaan.

De millenniumdoelstellingen van de VN zijn een typisch voorbeeld van de overschatting van de effecten van hulp. Men lijkt alle lessen uit het verleden te zijn vergeten. Men verwacht dat een verdubbeling van hulpstromen naar Afrika zal leiden tot versnelling van de groei en dat hulpinterventies zullen leiden tot directe vermindering van de armoede.

Maar ik kan stellig voorspellen dat dit niet zal gebeuren. We weten dat als het opnamevermogen van een economie onvoldoende ontwikkeld is, verruiming van de financiële hulpstromen geen effect heeft op de economie.

In de kern moet ontwikkelingssamenwerking zich richten op verbetering – hoe bescheiden ook – van de voorwaarden voor technologische en economische dynamiek. In de veelheid van doelstellingen van de millennium development goals is dit inzicht ondergesneeuwd geraakt. Een heroriëntatie is op zijn plaats.

Een realistische benadering van het hulpvraagstuk zoekt het midden tussen onrealistische verwachtingen en ongefundeerd cynisme. Hulp kan een rol spelen in de bevordering van de economische dynamiek, als het complementair is aan de eigen inspanningen van burgers en overheden in ontwikkelingslanden. Er zijn verschillende terreinen te noemen waarop hulp in het verleden effectief is geweest, zoals: de opbouw van onderwijssystemen, biotechnologisch en agrarisch onderzoek, de opbouw van researchcapaciteit, landbouwvoorlichting, investeringen in de infrastructuur, sommige gevallen van schuldvrijstelling en geboorteregeling en bevolkingspolitiek.

Een realistische benadering van het hulpvraagstuk gaat er tenslotte vanuit dat te veel hulp ondermijnend is voor de economische dynamiek en de zelfredzaamheid van een land.

De laatste jaren zijn er twee nieuwe accenten gelegd in het denken over ontwikkelingssamenwerking. In de eerste plaats is hulp het meest effectief als het gegeven wordt aan landen die een effectief sociaal economisch beleid voeren. Het economisch onderzoek hierover geeft nog steeds geen ondubbelzinnige resultaten. Maar vanuit een breder perspectief op groei en dynamiek is dit een geloofwaardige strategie die ondersteuning verdient. Ten tweede is er op de lange termijn een verschuiving opgetreden van projecthulp op microniveau naar meer sectorale hulp, budgetsteun of schuldkwijtschelding op macroniveau. Deze vormen van hulpverlening zijn minder paternalistisch en stellen veel hogere eisen aan de kwaliteit van het bestuur in het ontvangende land. Zonder twijfel zullen ook de uitkomsten van dit beleid soms teleurstellend zijn. Toch verdient het, juist vanwege de eisen met betrekking tot goed bestuur, aanbeveling om de ingeslagen weg te blijven volgen.

Eddy Szirmai is hoogleraar ontwikkelingseconomie aan de Universiteit Maastricht.

U kunt hier deelnemen aan de Expertdiscussies over ontwikkelingssamenwerking

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie
Opinie
Ontwikkelingshulp