Superioriteitsgevoel funest voor hulp aan arme landen

Door Rene Grotenhuis

Het begrotingsdebat over ontwikkelingssamenwerking staat bol van het woord effectiviteit. Helaas mist de Nederlandse effectiviteitsdiscussie de kern van de zaak – ontwikkeling – steeds meer. Omdat we met een provinciaalse en naar binnen gerichte blik ons blind staren op maakbaarheid elders. Handelend vanuit een managerial superioriteitsgevoel slaan de effectiviteitkampioenen de plank mis, betoogt Rene Grotenhuis.

Het Nederlandse ontwikkelingsdebat is in de effectiviteitsparadox terecht gekomen: naarmate we overal op de wereld harder tamboereren op effectiviteit, worden onze inspanningen voor ontwikkelingshulp minder effectief. Een kort voorbeeld moge dit illustreren. Tijdens de internationale conferentie in Accra, Ghana, over effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking (begin september) vertelde de minister van Oost-Timor precies hoe zaken in de praktijk gaan. Na haar aantreden en in het zicht van de noodzaak contracten te sluiten met de internationale donoren, zette ze zich, bij gebrek aan voldoende capabele ambtenaren, aan het opstellen van één model contract. Na twee avonden dacht ze dat ze alles goed bij elkaar had wat er in zo’n contract moest staan, bruikbaar voor de verschillende relaties. Ze presenteerde het aan donoren. Dit resulteerde in achttien maanden onderhandelen en zesentwintig verschillende contracten. Want elke donor had eigen voorwaarden, prioriteiten en rapportage-eisen en wilde eigen garanties voor effectiviteit. En dus is de minister in Oost-Timor een staf met ambtenaren kwijt (als eerste besteding van donorgelden!) om aan al die gevraagde en regelmatig met elkaar conflicterende voorwaarden te voldoen.

Dit is tragisch. Werken aan effectiviteit vraagt dan niet om er nog meer bovenop te zitten, maar vooral om afstand te houden en ontwikkelingslanden zelf het stuur in handen te geven. Dat is echter niet wat in Nederland gebeurt. Het ontwikkelingsdebat in ons land dreigt steeds meer een verschrikkelijk Nederlands debat te worden, waarbij de inbreng van ontwikkelingslanden nauwelijks een rol speelt: over hen maar zonder hen.

Een vergelijkbaar kortzichtig effectiviteitsdenken ligt ook ten grondslag aan het aanzwellende debat over de veelheid aan ontwikkelingsorganisaties. Daarbij wordt – heel provinciaals - alleen naar het Nederlandse veld gekeken. Een groot aantal organisaties (Unicef, Save the Children, OxfamNovib, Care, Cordaid, Rode Kruis) maakt echter juist deel uit van stevige internationale samenwerkingsverbanden. Dat onttrekt zich misschien aan de enge Nederlandse blik, maar is van grote waarde voor samenwerking en coördinatie in het bij uitstek internationale terrein van ontwikkelingssamenwerking.

Die Nederlandse organisaties zouden volgens de minister nu schaalvergroting en fusies moeten zoeken. Maar schaalvergroting is niet per definitie een gunstig alternatief. Wie de treurige gang van schaalvergroting in onderwijs en gezondheidszorg heeft meegemaakt, zou zich er niet aan wagen om datzelfde medicijn toe te dienen aan de OS-sector: het middel is vaak erger dan de kwaal. Wat zou je moeten met grote uitgedijde instituties die honderd landen bestrijken en misschien wel een tiental thema’s variërend van kleine boeren tot democratisering en van moeder en kind zorg tot stedelijke planning?

Het ontwikkelingsdebat wordt daarnaast steeds meer beheerst door de vraag of en hoe we elkaar de maat kunnen nemen. Met grote regelmaat worden nieuwe spelers aangewezen als de nieuwe troetelkindjes van ontwikkelingssamenwerking. De ene keer zijn het kleine particuliere initiatieven, dan weer de militairen met hun vredesmissies, het bedrijfsleven met zijn economische macht of gemeenten met hun kennis van decentraal bestuur.

In Nederland zelf zouden we het niet wagen om zo met onze eigen ontwikkeling om te gaan. We weten namelijk heel goed dat bedrijfsleven, particuliere initiatief, nationale en lokale overheid elk hun eigen rol te spelen hebben. In ontwikkelingslanden is dat niet anders, het zijn net gewone samenlevingen. Daar heb je overheden nodig om infrastructuur aan te leggen en instituties op te bouwen. Daar heb je het bedrijfsleven nodig om werkgelegenheid te scheppen. En je hebt maatschappelijke organisaties nodig om het belang van armen in de stad, kleine boeren en vrouwen te organiseren, door zelf initiatieven te nemen of de overheid onder druk te zitten. Voor ons eigen land vinden we die heldere rol- en taakverdeling allemaal betrekkelijk vanzelfsprekend, waarom dan niet in Oeganda of Colombia? Alleen op basis van de erkenning van de specifieke rol van verschillende actoren krijgt samenwerking zin en betekenis. Als je zo naar de zaak kijkt is de huidige toonzetting van het ontwikkelingsdebat in termen van: een ‘ontwikkelingsindustrie die moet worden opengebroken’, niet erg dienstig.

Bovenstaande geeft aan dat de huidige effectiviteitsdiscussie in essentie een naar binnen gekeerd Nederlands debat dreigt te worden, met een grote behoefte aan maakbaarheid van complexe samenlevingen in verre landen. Die behoefte aan maakbaarheid is een reflectie van ons gebrek aan vertrouwen in ontwikkelingslanden en van een overspannen geloof in onze managerial en technocratische superioriteit. Het is een debat waarbij effectiviteitskampioenen zich opwerpen of naar voren worden geschoven. Echter, een zinvol effectiviteitsdebat ontstaat alleen als we terughoudender zijn en op voet van gelijkheid luisteren en handelen.

Rene Grotenhuis is directeur van Cordaid, een Nederlandse ontwikkelingsorganisatie.

U kunt hier deelnemen aan de Expertdiscussies over ontwikkelingssamenwerking

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie