Nederland is nog volop multicultureel (volledige tekst)

Door Ruud Koopmans

Nederland is helemaal niet een bang, nationalistisch landje geworden dat allochtonen tot assimilatie dwingt. Multiculturalisme is nog de standaard, meent Ruud Koopmans.

Volgens Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan – auteurs van Het bange Nederland – is “Ella Vogelaar gestruikeld over het geborneerde nationalisme dat het bang gemaakte Nederland nu al zo’n zeven jaar in zijn greep houdt. In zeven jaar tijd is Nederland van een open samenleving een land geworden dat meent dat het integratievraagstuk alleen kan worden opgelost met een harde, polariserende aanpak die ontevreden autochtonen hun vertrouwen in de politiek moet teruggeven door allochtonen te dwingen zich aan te passen” aldus de auteurs in NRC Handelsblad van 14 november. “Er zijn weinig landen die zo dwingend homogeen zijn als Nederland”, aldus Duyvendak. Engelen spreekt over "neonationalistisch beleid" en schuwt niet recente ontwikkelingen in het Nederlandse integratiebeleid in verband te brengen met "Blut und Boden".

Van wetenschappers mag je verwachten dat wanneer ze met grote woorden, harde oordelen over anderen, en onwankelbaar geloof in het eigen gelijk in het publieke debat intervenieren, ze dit doen op basis van een gedegen feitenkennis. De onderbouwing van de stelling dat het Nederlandse integratiebeleid radicaal veranderd is en dat we in in vergelijking met andere landen op een uiterst intolerante, assimilationistische manier omgaan met het integratievraagstuk is echter bij de auteurs ver te zoeken, en dat terwijl de relevante informatie voor het oprapen ligt.

In 2007 onderzocht de Brusselse Migration Policy Group in samenwerking met de British Council en tientallen internationale experts het integratiebeleid in 27 Europese landen plus Canada. De daaruit resulterende Migrant Integration Policy Index (MIPEX) bestaat uit 140 beleidsindicatoren verdeeld over zes gebieden: toegang tot de arbeidsmarkt, regels met betrekking tot de verkrijging van een permanente verblijfsvergunning, gezinsvorming en -hereniging, naturalisatie, anti-discriminatiewetgeving en tenslotte politieke participatie. Het laatste gebied omvat onder andere het bestaan van inspraakorganen voor etnische minderheden en de subsidiering van migrantenorganisaties. De index loopt van 0 (voor een maximaal restrictief integratiebeleid) tot 100 (voor een maximaal open integratiebeleid, de definitie van “best practice” volgens de MIPEX-auteurs). Als we Duyvendak c.s. moeten geloven zou Nederland op deze index een internationaal modderfiguur moeten slaan, maar feitelijk behoorde Nederland ook na vijf jaar Hilbrand Nawijn en Rita Verdonk als verantwoordelijke bewindspersonen voor integratie nog tot de landen met de beste rechtspositie voor migranten. Zoals de tabel laat zien, komt Nederland onder de 28 landen op de vierde plaats, na Zweden, Belgie en Portugal, maar vóór Canada, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, om maar te zwijgen van landen als Duitsland, Denemarken en Oostenrijk.

MIPEX Index 2007 (0-100; hoge score = hoge mate van rechtsgelijkheid)

Oostenrijk

39

Denemarken

44

Zwitserland

50

Duitsland

53

Frankrijk

55

Verenigd Koninkrijk

63

Noorwegen

64

Canada

67

Nederland

68

België

69

Zweden

88

Wat etnische zelforganisaties betreft concludeert het rapport: "Organisaties van migranten participeren in overlegorganen en kunnen subsidie verkrijgen onder gunstige voorwaarden waarmee Nederland op de derde plaats onder de 28 landen komt”. Dat etnische zelforganisaties (met uitzondering van de landelijke inspraakorganen) meestal geen structurele subsidies (dat wil zeggen onvoorwaardelijke subsidie voor de organisatie als zodanig, los van de daarmee georganiseerde activiteiten) meer krijgen is waar, maar de projectsubsidies vloeien onder de nieuwe vlag van “diversiteitsbeleid” nog steeds rijkelijk. Opmerkelijk is dat zelfs onder Rita Verdonk het stelsel van inspraakorganen werd uitgebreid: in 2004 installeerde zij een nieuw Inspraakorgaan voor Chinezen.

Is er dan helemaal niets veranderd in Nederland de laatste jaren? Jazeker, op een paar punten worden sinds enkele jaren sterkere assimilatieeisen (met name met betrekking tot taalkennis) gesteld en enkele speciale regelingen voor minderheidsgroeperingen zijn geschrapt:

  • Net als in veel andere Europese landen zijn inburgeringscursussen verplicht geworden en het succesvol doorlopen ervan is een voorwaarde geworden voor naturalisatie. Huwelijksmigranten moeten een eenvoudigere versie van de inburgeringstest afleggen alvorens ze een verblijfsvergunning in Nederland krijgen
  • Het gesubsidieerde onderwijs in allochtone levende talen is afgeschaft;
  • De Wet Samen, die beoogde de arbeidsmarktparticipatie van allochtonen in het bedrijfsleven door verplichte voortgangsrapportages te vergroten, is niet verlengd.

Aan de relatieve positie van Nederland ten opzichte van de andere landen heeft dat wel iets veranderd, maar zeker niets dramatisch: in de ranglijst van landen met de beste rechtspositie voor migranten stonden we in 2004 in een eerdere versie van de MIPEX-index tweede (na Belgie) en nu staan we vierde. Als wij in het “bange Nederland” inderdaad een "neonationalistisch integratiebeleid" hebben, wat is er dan in godsnaam aan de hand in de rest van Europa? Kunnen we nog wel rustig gaan slapen, omringd als we zijn door landen die klaarblijkelijk nog veel enger nationalistisch beleid hebben dan Nederland? Is de allochtoon niet eens meer veilig in Canada?

Als we kijken naar beleidsterreinen die in de MIPEX niet aan bod komen, zoals de omgang met culturele verschillen in het onderwijs en in de media, en voorkeursbeleid voor allochtone groeperingen op de arbeidsmarkt, komt Nederland al helemaal niet als assimilationistisch uit de bus. In het boek Contested Citizenship onderzocht ik samen met drie buitenlandse collega’s het beleid op deze terreinen in Nederland, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannie en Zwitserland. Nederland blijkt het land te zijn dat het meeste tegemoet komt aan de eigen cultuur en religie van minderheidsgroepen, onder andere omdat Nederland:

  • anders dan Duitsland en Zwitserland halal slachten toestaat;
  • anders dan de andere vier landen de wet op de lijkbezorging heeft aangepast aan het islamitisch begraven binnen 24 uur na overlijden en zonder kist;
  • anders dan Frankrijk, Zwitserland en de meerderheid van de Duitse deelstaten leraressen op openbare scholen toestaat een hoofddoek te dragen;
  • meer gesubsidieerde islamitische scholen kent dan de andere vier landen bij elkaar (Nederland heeft er 43, Frankrijk en Zwisterland hebben er geen, Duitsland twee en Groot-Brittanie vier);
  • veruit het breedste aanbod heeft aan programma's voor minderheden in de publieke media, onder andere in de vorm van de regel die de NPS verplicht 20% van haar zendtijd aan "multiculturele programmering" te besteden;
  • als enige van de vijf landen een actief voorkeursbeleid voor allochtonen voert voor overheidsfuncties;

In Nederland discussieren we tegenwoordig over burka- en niqaabdraagsters, handenschudweigeraars, fundamentalististen die niet voor de rechter op willen staan en andere vertegenwoordigers van de ultraorthodoxe marge binnen de Islam. In andere landen (met uitzondering van het op dit gebied ook tegemoetkomende Groot-Britannie) heeft men het zelden of nooit over dit soort zaken, maar dat is echt niet omdat er daar zo tolerant mee wordt omgegaan. Integendeel, in de meeste buitenlanden heeft men het nog veel te druk met discussies over zaken die in Nederland al lang en breed gemeengoed zijn, zoals hoofddoekjes of het recht van moslims op eigen scholen of eigen godsdienstonderwijs. De hoofddoek is op een enkele uitzondering na – bij de politie en bij de rechterlijke macht – in Nederland toegestaan en op het recht op het dragen ervan wordt nauwlettend toegezien door de Commissie Gelijke Behandeling en de rechter. In Frankrijk is de hoofddoek verboden voor alle ambtenaren, inclusief leraressen, en bovendien ook voor leerlingen. In Duitsland hebben de meeste deelstaten gekozen voor de Franse oplossing – geen hoofddoeken in openbare instituties, maar ook geen christelijke of joodse religieuze tekenen – maar sommige Zuid-Duitse deelstaten hebben er geen moeite mee de hoofddoek te verbieden terwijl nonnen op openbare scholen wel in vol ornaat voor de klas mogen staan. Ook buiten de overheidssector is de hoofddoek in Nederland veel meer geaccepteerd dan in de meeste andere Europese landen. Neem op uw volgende vakantie naar een ander Europees land maar de proef op de som en tel de hoofddoekjes achter de kassa’s van de plaatselijke supermarkt en vergelijk dat met de Albert Heijn bij u om de hoek. Tenzij u in Engeland op vakantie gaat, kan ik u verzekeren dat de teller op nul of zeer dicht daarbij in de buurt zal blijven steken.

De multiculturele benadering in de media is de laatste jaren eerder geintensiveerd dan afgenomen. Sinds kort zendt de NPS dagelijks op de radio en vanaf januari 2009 ook op televisie het programma Dichtbij Nederland uit:

"Of het nu over de Antillen, Suriname, Turkije, Marokko of Afrika gaat. Kern van het programma is dat de verhalen van mensen altijd dichtbij voelen, ook al spelen die verhalen zich af op duizenden kilometers van ons land. Dichtbij Nederland kent één vaste presentator of presentatrice en daarnaast wisselende co-hosts, die gekoppeld zijn aan de specifieke edities (Antillen, Suriname, Turkije, Marokko, Afrika). ....

Verder is er in Dichtbij Nederland altijd veel ruimte voor sport. Want als er iets is dat mensen internationaal verbindt, dan is het sport wel. Wat betekent het debuut van Ibrahim Affelay van PSV in Oranje in Marokko? Hoe gaat het met voetballer Yilderim (ex-Heerenveen) in Turkije? We zijn er bij als het Kleurrijk Elftal een wedstrijd speelt in het Clarence Seedorf Stadion in Suriname. En hoe staat met de medaillekansen van hardloper Churandy Martina uit Curaçao?....

In de mini-docusoap Ondertussen in… wordt elk seizoen een interessante arena gevolgd. Per editie (Antillen, Suriname, Turkije, Marokko, Afrika) is er een eigen Ondertussen in…. "

Onvervalster Hollands multicultureel beleid kun je niet bedenken: aparte programma's voor "allochtonen," met informatie over “hun” sporters en dat opvallenderwijs alleen voor "niet-westerse" allochtonen (Polen, Italianen of Japanners hebben blijkbaar geen behoefte aan eigen programmering), en natuurlijk niet alleen apart van de autochtonen maar ook nog eens apart van elkaar: bij de NPS is maandag niet alleen was- maar ook Surinamerdag, de woensdag gehakt- en Marokkanendag.

Op het punt van voorkeursbeleid voor overheidsfuncties heeft Nederland eveneens eerder een tandje bij dan de vermeende grote stap terug gezet. Binnen de wetenschap is er bijvoorbeeld sinds 2004 het programma "Mozaiek" dat jaarlijks 4 miljoen euro ter beschikking stelt voor 20 promotieplaatsen die gereserveerd zijn voor afgestudeerden van allochtone komaf. Of dat fair is ten opzichte van afgestudeerden uit autochtone families van een lagere sociaal-economische status die misschien wel minstens zo veel barrières hebben moeten overwinnen als de zoon of dochter van Chinese of Surinaamse middenklasseouders, laat ik aan uw beoordeling over. Waar het hier om gaat, is dat je lang moet zoeken naar een ander land waar zulk voorkeursbeleid voor allochtone wetenschappers bestaat.

Een ander voorbeeld is het door minister Ter Horst ingevoerde voorkeursbeleid voor leidinggevende functies bij de politie. De helft van alle Kroonbenoemingen (korpschefs en plaatsvervangend korpschefs) moet de komende drie jaar gaan naar een vrouw of een allochtoon. De reactie van commissaris Ronald Zwarter, districtschef in Groningen:

Welke reacties krijgt u op het ‘diversiteitbeleid’ van minister Ter Horst?

‘Er zijn collega’s die vragen waarom het zo dwingend moet worden opgelegd. Het doet pijn als ze worden gepasseerd door mensen van wie ze het nooit hadden verwacht. Anderzijds is er ook begrip. Als het beleid niet dwingend is, kan je nog honderd jaar doormodderen voordat de politie een afspiegeling is van de maatschappij. Daarnaast is er een groep politiemensen die hun hart vasthoudt vanwege het gebrek aan politie-ervaring van de zij-instromers, de vrouwen en allochtonen, die van buiten de organisatie komen. Hoe opereert zo’n persoon bij een grote ramp, vragen zij zich af.’

Is het bezwaar van gebrek aan vakmanschap terecht?

‘Sommigen zullen inderdaad weinig weten van het politievak. Maar mag je verlangen dat ze alle kennis al meteen in huis hebben? Zij brengen iets anders in: het vermogen om met een frisse blik naar de zaken te kijken. Hun leidinggevende ervaring in een andere sector is belangrijk. Vrouwen en allochtonen worden niet gezocht vanwege hun kennis van het politievak; die is al voldoende aanwezig. Hun meerwaarde is diversiteit, een andere invalshoek. Ze moeten juist zichzelf blijven en zich niet aanpassen. Dat maakt de organisatie sterker.’ (De Volkskrant, 10 oktober 2008)

Het land zou in Frankrijk of Duitsland en zelfs in Groot-Britannie te klein zijn als de overheid groepen personen zo zou voortrekken, niet op basis van gelijke geschiktheid, maar min of meer ongeacht hun geschiktheid, simpelweg op basis van hun afkomst en de daarmee blijkbaar automatisch gepaard gaande “frisse blik”.

Het multiculturele beleid duurt niet alleen voort waar het al bestond; de logica van het groepsdenken ontdekt voortdurend nieuwe toepassingsgebieden, recentelijk de allochtone natuurbeleving:

"Een prettig bijverschijnsel van de multiculturele samenleving is dat er een frisse, gevarieerde kijk op de natuur en het leefmilieu aan het ontstaan is. Allochtonen brengen hun eigen waarden en visie met zich mee en verrijken daarmee onze beleving en verbreden ons blikveld" (Stichting wAarde)

Maar vanzelf gaat dat natuurlijk niet: "Hoe kun je nieuwe Nederlanders uitnodigen de (nu nog overheersend 'witte') natuurgebieden in Nederland te ontdekken?" is de prangende vraag die de Stichting wAarde stelt. Het antwoord daarop luidt dat zelfs de natuur niet cultureel neutraal is in een multiculturele samenleving. De Nederlandse natuur zoals we die kennen, komt namelijk vooral tegemoet aan het autochtone natuurbeeld:

"Tegen deze achtergrond heeft de Stichting wAarde de afgelopen jaren haar oor te luisteren gelegd bij tal van nieuwe Nederlanders. Dit heeft onder meer geleid tot nieuwe accenten binnen het beheer van natuurgebieden, waarbij in toenemende mate afstand wordt genomen van het al te beperkte concept 'kijknatuur' en recreanten meer mogelijkheden worden geboden om van de paden af te gaan om in bomen te klimmen, het gebied te verkennen en eetbare vruchten, noten en paddestoelen te verzamelen."

Dit soort organisaties bestaat in Nederland altijd bij de gratie van subsidiestromen: "Het werk van Stichting wAarde wordt mede mogelijk gemaakt door subsidies en financiële bijdragen van ministeries als LNV en VROM en fondsen als het VSBfonds en het Prins Bernhard Cultuurfonds, alsmede sponsoring door bedrijven en bijdragen van particulieren" kunnen we op de website lezen. En serieus genomen wordt de organisatie ook. Op 14 februari 2007 organiseerde zij in Utrecht het symposium Natuur en milieu in multicultureel perspectief. Dagvoorzitter was Herman Wijffels (voorzitter van de SER) en onder de sprekers waren Hans van der Vlist (directeur-generaal bij VROM, ter vervanging van staatsecretaris van Geel, die wegens ziekte niet kon) en natuurlijk Sadik Harchoui, de directeur van "Forum, Instituut voor multiculturele ontwikkeling", de spin in het web van het zogenaamd niet meer bestaande multiculturele subsidiecircuit. Misschien kent u de Stichting wAarde ook van de televisie, want samen met de NCRV ontwikkelde zij de serie Wereldboom, die vanaf mei 2007 werd uitgezonden. "Nieuwe Nederlanders hebben een andere culturele achtergrond en een geheel eigen landschaps- en natuurbeleving", aldus de NCRV. Zoals het tegenwoordig hoort bij een zichzelf respecterend multicultureel project, draagt het koningshuis zijn steentje bij:

"In iedere aflevering vertelt prinses Irene van Lippe-Biesterfeld vanuit haar betrokkenheid bij de natuur, over heimwee, over je thuisvoelen en het belang van het behoud van je eigen identiteit. De prinses benadrukt dat nieuwe Nederlanders ons kunnen laten herontdekken hoe mooi en belangrijk onze natuur is."

Waar subsidie te halen is, laten de allochtone "zelf"-organisaties niet lang op zich wachten. Daardoor heeft Nederland inmiddels de wereldprimeur van een ontluikende sector van allochtone natuur- en milieuorganisaties. Stichting Kantara in Amsterdam, bijvoorbeeld, die de Marokkaanse natuurbeleving voor haar rekening neemt. "De Nederlandse natuur is het bijna exclusieve terrein van blank Nederland" en daarom vraagt Kantara aandacht voor de "factoren die de natuurbeleving van allochtonen kunnen storen, bijvoorbeeld: aanstootgevende (naakt)recreatie; gebruik van alcohol en drugs; honden(poep); te veel regelgeving (alleen op paden lopen)." Samen met de Koninklijke Nederlandse Heidemaatschappij en Natuurmonumenten wordt in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland het "natuurspeelbos Marhaba" gerealiseerd.

De moskee als intermediair mag natuurlijk ook op het gebied van de allochtone natuurbeleving niet ontbreken. Khaled Chouket van de "Milieuacademie voor de Arabische Gemeenschap Rotterdam" stelt daarom voor "met de moslimdoelgroep in gesprek te komen via de imams of de imams zelf van informatie te voorzien over natuur- en milieuzaken". Voor de Turkse natuurliefhebber is er dan nog de "Stichting TEMA-NL – Nederlands-Turkse stichting voor bestrijding van bodemerosie, voor herbebossing en bescherming van het natuurlijke milieu". Een van de projecten, met een bedrag van 75.000 euro gesubsidieerd via de Subsiedieregeling maatschappelijke organisaties en milieu van het ministerie van VROM, is gericht op "het opleiden van Turkse voorlichters verspreid over heel Nederland. Zij gaan de leden van Turkse organisaties voorlichten op het gebied van natuur en milieu". De naam van het project kan als samenvatting dienen voor de manier waarop in Nederland aan het begrip "biodiversiteit" een geheel nieuwe invulling wordt gegeven: "Iedere vogel vliegt in zijn eigen zwerm".

Voor de Surinaamse, Antilliaanse, Chinese en andere vormen van allochtone natuurbeleving lijken zich nog geen pleitbezorgers te hebben aangediend. Maar een beetje etnisch entrepreneur die dit artikel leest, brengt daar bij de volgende subsidieronde natuurlijk verandering in. Het kan nog lastig worden als blijkt dat de Surinamers er juist wel graag met de hond op uitgaan, of de Chinezen graag binnen de paden willen blijven. Maar ook daar is vermoedelijk met een Surinamerbos of een Chinezenplantsoen wel een mauw aan te passen.

Hoe komt het dat het multiculturele beleid in Nederland voortduurt, in weerwil van de opkomst van rechtspopulistische politici als Geert Wilders en ondanks de plechtige verzekeringen van regeringszijde dat men het multiculturele beleid afgezworen heeft? Het antwoord ligt in een uit de beleidswetenschap bekend mechanisme: padafhankelijkheid. Eenmaal in gang gezet, is de beleidstrein maar moeizaam op een ander spoor te brengen, vooral als velen binnen het ambtelijk apparaat en bij beleidsadvies en -uitvoering betrokken organisaties daar niet van harte aan meewerken. De Nederlandse integratiebeleidssector omvat een breed veld van allochtone zelforganisaties, integratiespecialisten bij de overheid, multiculturele advies- en onderzoeksbureau's, diversiteitsdeskundigen in het bedrijfsleven en migratie- en integratie-onderzoeksinstituten, die uit een moeilijk ontwarbare combinatie van gewoonte, overtuiging en welbegrepen eigenbelang er gezamenlijk toe bijdragen dat het multiculturele beleid en de bijbehorende geldstromen in stand blijven.

Dat die geldstromen tegenwoordig vooral vloeien onder de noemer "diversiteitsbeleid" heeft daar niet veel aan veranderd. Officieel zou diversiteitsbeleid een verandering moeten betekenen ten opzichte van het oude multiculturele beleid dat gericht was op de eigen cultuur en identiteit van migranten. De doelstelling nu is het bevorderen van een gelijkwaardige participatie van allochtone burgers in algemene instituties zoals de media, het politieapparaat of de natuur. Maar het middel waarnaar gegrepen wordt om die doelstelling te bereiken is dezelfde oude multiculturele benadering van apart beleid voor etnisch en religieus gedefineerde doelgroepen met hun eigen, heel speciale, "frisse" cultuur die behouden en gekoesterd dient te worden, natuurlijk onder inschakeling van gesubsidieerde "intermediairs" uit de betreffende doelgroepen.

Vervolgens is men verbaasd en verbolgen als de bevolking de voorstelling dat de allochtoon heel anders is dan autochtone Nederlanders overneemt. Juist de grote mate van bescherming die in Nederland aan geloofsuitingen (of wat daar voor door moet gaan) wordt geboden, maakt het in Nederland mogelijk dat de beeldvorming over moslims gekaapt wordt door fundamentalistische freaks die bewust de grenzen opzoeken en die in de ons omringende landen geen poot aan de grond zouden krijgen. Dat biedt Geert Wilders dan weer het zoveelste inkoppertje voor open doel: "Het moet toch echt niet gekker worden in dit land, mevrouw de voorzitter!"

Wetenschappers die hun werk goed doen, zouden op de hoogte moeten zijn van de feiten rond het Nederlandse integratiebeleid. Óf Duyvendak c.s. zijn niet op de hoogte van de bovengenoemde feiten, óf erger nog, ze kennen ze wel maar negeren ze. Ook hun klaagzang over de “toon” van het Nederlandse debat heeft veel weg van de spreekwoordelijke vos die de passie preekt. Die klaagzang gaat vreemd genoeg altijd over andermans toon, en is vooral een manier om anderen zwart te maken zonder op de inhoud te hoeven ingaan. Wie politici en opiniemakers die een andere opvatting over integratie hebben, uitmaakt voor “volksmenners” of “enge nationalisten” en ze in verband brengt met “Blut und Boden”, verspeelt elk krediet om zich over de toon van het debat op te winden.

Wat die toon betreft tenslotte nog dit: "Ik appelleer aan islamitische vrouwen: kom in het heden aan. Jullie wonen hier, dus doe die hoofddoek af! Het geeft geen pas, dat een moslimman modieus gekleed over straat gaat terwijl zijn vrouw een onopvallende lange jas en een hoofddoek moet dragen. Het signaal van onze samenleving aan islamitische vrouwen moet zijn: Wij ondersteunen jullie! Laat je tot niets dwingen!"

Dat is denk ik het soort eng-nationalistisch assimilationisme waar de toonklagers op doelen. Het citaat is echter niet van Pim Fortuyn, Rita Verdonk, Ayaan Hirsi Ali, Paul Scheffer of één van de andere volksmenners van het "bange Nederland", maar van Ekin Deligöz, lid van de Duitse Bondsdag voor de Groenen, gedaan in het kader van een in oktober 2006 in Bild am Sonntag gepubliceerde gemeenschappelijke oproep met Lale Akgün (Bondsdaglid voor de sociaal-democratische SPD). Zolang in De Telegraaf geen soortgelijke oproep van Naima Azough en Nebahat Albayrak verschijnt, valt het met de toon in Nederland nog wel mee.

Ruud Koopmans is onderzoeksdirecteur aan het Wissenschaftszentrum Berlin für Sozialforschung (WZB) en hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie