Cleveringalezing van Ian Buruma over burgermoed
Burgermoed is niet zo gemakkelijk te duiden als men zou denken. Bismarck – zo vind ik op het internet – gebruikte de term in 1847 als volgt. Toen een familielid verzuimde hem te steunen in een debat in het Pruisische parlement, zei Bismarck: “Moed op het slagveld is bij ons gemeengoed, maar u zult zien hoe vaak het achtenswaardige lieden mankeert aan Zivilcourage.”
Opkomen voor je mening, ook al sta je alleen. Verzet tegen onrechtmatige autoriteit. In de bres staan voor rechtvaardigheid, ook al loop je persoonlijke schade op. Dit alles valt onder burgermoed. Het heeft een morele, principiële betekenis, en ook een politieke: het verdedigen van burgerlijke vrijheden, en van menselijk fatsoen. Fatsoen klinkt in het Nederlands misschien een beetje moralistisch. Het Engelse woord “decency” heeft dat minder, en dat is eigenlijk wat ik bedoel.
Professor Cleveringa’s rede op 26 november, 68 jaar geleden, was een schoolvoorbeeld van burgermoed. Daar kan iedereen het over eens zijn. Er is wel eens kritiek geuit op vermeende lacunes in zijn rede. Had hij niet iets meer moeten zeggen over de ontslagen van minder beroemde en geleerde joden dan “uw en mijn meester Meijers”? Misschien, maar hij sprak uit hoofde van zijn functie, en hij had de moed om op te staan tegen een onrechtmatige daad van een onrechtmatige, onrechtvaardige, en uiterst onfatsoenlijke autoriteit. En hij deed dit met de verwachting dat hij hier persoonlijk onder zou moeten lijden. Hij had zijn koffer thuis al klaar gezet.
Cleveringa was niet de enige. Ook andere professoren, in Utrecht bijvoorbeeld, hebben hun protest tegen Duitse maatregelen aangetekend. Maar Bismarcks opmerking gold ook Nederland in 1940, en niet alleen Nederland, maar overal, wanneer er risico verbonden is aan een openlijke betuiging, of alleen maar de handhaving van morele principes. Als het er op aan komt ontbreekt het altijd veel achtenswaardige mensen aan burgermoed.
Zivilcourage stuit dikwijls ook niet op algemene waardering. Daarom juist vergt het moed. Cleveringa wist dat zijn woorden hem in persoonlijk gevaar zouden brengen, maar ook dat hij in het Academiegebouw in Leiden op bijval kon rekenen. Zo gaat het niet altijd. Vaak staat de dwarsligger alleen. En het feit dat anderen, die liever zwijgen, vaak heel goed weten dat die dwarsligger gelijk heeft, maakt zijn isolement alleen nog maar groter, omdat die anderen zich schuldig voelen, en in hun hart hem daarvoor de schuld geven. Bovendien blijven daden van burgermoed vaak onbekend, en daarom ongevierd. Onderdak bieden aan een vluchteling, omdat het onfatsoenlijk zou zijn een mens in nood de deur te wijzen, is een voorbeeld van Zivilcourage dat fatale gevolgen kan hebben. Het is begrijpelijk dat de meeste mensen, ook achtenswaardige mensen, liever hun deuren goed op slot doen.
Dapperheid op het slagveld wordt meestal hoger aangeslagen. Actie is romantischer. Bovendien gaat het om gewapende mannen van wie wordt verwacht dat zij hun leven op het spel zetten. En zij opereren meestal niet op eigen houtje. Als het sein wordt gegeven voor een stormaanval op een haag van machinegeweren, dan zit er weinig anders op. Dat vergt moed, maar zo er enige sprake zou zijn van keus, heb je meestal te weinig tijd om er lang over na te denken. Bovendien loop je de kans om bij verzuim door je eigen officieren te worden geëxecuteerd. Er zijn uiteraard gevallen van uitzonderlijke zelfopoffering, of situaties waar wel degelijk een keus wordt gemaakt: bijvoorbeeld de soldaat die alleen achterblijft om anderen te laten ontsnappen. Of Karel Doorman: “Volg mij, ik val aan!” Maar Doorman had de slag al verloren. Zijn suïcidale heldendaad was de enige manier om de eer te redden. Niet helemaal hetzelfde als burgermoed. Maar we vinden het wel prachtig.
Heldenmoed, vooral als de held zijn daad met zijn leven bekoopt, stelt ons niet voor dezelfde morele dilemma’s als burgermoed. Als we denken aan de verschrikkingen van het slagveld, hoeven we ons zelden af te tobben over de vraag: Wat had ik gedaan? Ook niet in zo’n geval als dat van Doorman. Hoeveel van ons commanderen een Slag in de Javazee? Als we denken aan Cleveringa, of aan de onderduiker die 's nachts aan de deur klopt, als de kinderen slapen, en de geheime politie op de loer ligt, dan wél.
Het is natuurlijk denkbaar dat een militair ook met dergelijke dilemma’s wordt geconfronteerd. Het Nederlandse bataljon in Srebrenica bijvoorbeeld. Had luitenant-kolonel Karremans de levens van zijn soldaten moeten riskeren om de Bosnische mannen te beschermen tegen een haast zekere massamoord? Hij stond tegenover een Servische overmacht. Militair kon hij weinig doen zonder steun van gevechtsvliegtuigen, en die steun bleef uit. Toch had een principiële weigering van de militaire representant van de VN om voor de Serviërs te zwichten een massamoord mogelijk kunnen voorkomen. Maar dat vergde burgermoed. En die ontbrak op dat moment.
Hoe zit het met gewapend verzet: de Gerrit van der Veens en Jean Moulins? Ook deze helden worden alom vereerd, maar gewoonlijk alleen achteraf. Gewelddadig verzet leidt tot onevenredige represailles. De baten van moord, bomaanslagen, en dergelijke zaken, zijn meestal niet direct meetbaar. Vaak worden verzetslieden door de gewone burgers, die proberen zo goed en zo kwaad als het kan te overleven, gezien als gevaarlijke lastposten, avonturiers die het leven voor anderen moeilijker maken.
Verzetslieden kunnen mensen zijn met burgermoed. Maar de beslissing om naar de wapens te grijpen is vaak van een andere orde: een zucht naar avontuur, soms, maar lang niet altijd, ingegeven door woede over onderdrukking. Er zijn verzetsstrijders die vechten voor een politiek ideaal, communisten bijvoorbeeld. Of uit godsdienstige overtuiging. Anderen doen het uit pure verveling. Een van de boeiendste boeken over dit onderwerp is De SSers, van Armando. Het is een bundel interviews met voormalige Nederlandse vrijwilligers in de Waffen SS. Uit deze vraaggesprekken blijkt dat slechts een minderheid die keuze maakte uit ideologische overtuiging. De meerderheid wilde weg uit het ouderlijk huis, weg van de autoritaire vader, het saaie dorp, etcetera. Velen waren voor hetzelfde geld in het verzet gegaan. Het was een keuze die sterk afhing van toevallige omstandigheden. Soms ging één broer in het verzet, en de andere in de Waffen SS, min of meer om dezelfde redenen.
Dit wil geenszins zeggen dat mensen in het verzet (of de Waffen SS) niet dapper waren. Gewapend verzet is soms nodig, ook al blijft het militair van zeer geringe betekenis, en kost het onschuldige slachtoffers. Het heeft altijd zin om de ogenschijnlijke oppermacht van de vijand aan te tasten, al was het alleen maar om te laten zien dat er ooit een eind kan komen aan de onderdrukking. Maar het is vooral belangrijk na de strijd, in een nieuw tijdperk, wanneer een vrijere samenleving weer tot stand moet komen op de ruïnes van het verleden. Het feit dat men zich heeft verzet, al waren het maar betrekkelijk weinigen, schept een morele basis om weer opnieuw te beginnen.
Andere vormen van verzet, zoals het organiseren van een illegale pers, zijn misschien nog waardevoller, en komen dichter in de buurt van burgermoed. Het maken en de distributie van illegale kranten is zeker avontuurlijk, en aan grote gevaren onderhevig, maar ik denk dat maar weinig mensen zich geroepen voelen om het te doen uit verveling. Hier is bezieling voor nodig, al was het alleen maar voor het vrije woord.
Burgermoed sluit dus geweld niet uit, maar gaat er zelden mee gepaard. Terreur, het opzettelijk schaden van onschuldige mensen, sluit burgermoed daarentegen wel uit. Palestijns verzet tegen Israëlische bezetting kan zeker getuigen van Zivilcourage. Een zelfmoordactie in een volle bus of café daarentegen niet. Een dergelijke daad is niet zozeer laf (wat vaak wel wordt beweerd) als immoreel. De gedachte dat alle middelen zijn geoorloofd voor een goed doel valt niet te rijmen met burgermoed, laat staan met fatsoenlijkheid. Je eigen leven riskeren – of zelfs opofferen – is zonder meer dapper; het spelen met de levens van anderen kan soms onontbeerlijk zijn (voor een generaal, of een oorlogsleider), maar heeft niets te maken met burgermoed.
Word je als Oost-Duitser een verklikker voor de Stasi, of weiger je dat, met alle gevolgen van dien: verlies van een baan, of kinderen die niet mogen studeren. Kom je op voor een Joodse collega op de universiteit, of houd je je gedekt in de hoop dat alles verder bij het oude zal blijven. Daar gaat het om. Soms wordt burgermoed ingegeven door geloof. Het kwam niet zelden voor tijdens de nazi-bezetting dat streng gereformeerde boeren een Joods kind in huis namen, ondanks hun vooroordelen tegen joden (als de “moordenaars van Christus”, bijvoorbeeld). Zij deden dit omdat hun geloof hen verplichtte tot naastenliefde en bescherming van een onschuldig slachtoffer. Maar niet iedereen die zich op deze manier onderscheidde was gelovig. Verzet kwam ook voort uit bezieling voor een politiek doel, zoals in het geval van communisten, waar individuele beslissingen ondergeschikt waren aan de wil van de partij. In dit laatste geval kan men misschien niet meer werkelijk spreken van burgermoed.
De innerlijke motieven van Cleveringa zijn mij onbekend. Zelf zei hij in zijn beroemde rede hierover het volgende: “Ik zeide U niet over mijn gevoelens te zullen spreken; ik zal me er aan houden, al dreigen zij als kokende lava te barsten door alle spleten.” Cleveringa was een koppige noorderling die het vast niet kon verdragen dat een buitenlandse bezetter zomaar de Nederlandse grondwet met voeten trad. Immers: “In overeenstemming met de Nederlandse tradities verklaart de Grondwet iedere Nederlander tot elke landsbediening en tot de bekleding van elke waardigheid en elk ambt benoembaar en stelt zij hem, onafhankelijk van zijn godsdienst, in het genot van dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten.” Maar ik denk dat zijn woede ook een kwestie was van moreel principe: het uitsluiten van een medeburger op grond van ras of geloof krenkte zijn gevoel van fatsoen. Als je zoiets over je kant liet gaan, dan was je zelf onfatsoenlijk.
Voor de meesten onder ons, die gelukkig niet zijn geconfronteerd met een onderdrukkende macht, ligt dit zozeer voor de hand dat je je afvraagt waarom in de praktijk zo weinig mensen handelen als Cleveringa. De mate waarin mensen in verschillende landen zich verzetten tegen onderdrukking of bezetting verschilt ook enigszins. Maar Zivilcourage is nergens, om met Bismarck te spreken, gemeengoed. Er is veel geschreven over de mogelijke redenen waarom een zo hoog percentage joden uit Nederland is afgevoerd, vergeleken met landen als Frankrijk, België, of Italië. Antisemitisme, een vrij algemeen verschijnsel in die dagen, was in Nederland niet erger dan elders – eerder het tegendeel. Het kan zijn dat het landschap er iets mee te maken heeft gehad. Er zijn in Nederland geen bergstreken, waar mensen gemakkelijk kunnen worden verborgen. Tegenover dit argument staat dat veel niet-Joodse Nederlanders, die niet in de Arbeitseinsatz wilden, wel kans zagen onder te duiken.
Het meest overtuigende argument is, denk ik, dat Nederland een uiterst vreedzame samenleving was geworden, met weinig conflicten, geen recente oorlogsgeschiedenis, en nauwelijks een traditie van rebellie – althans niet sinds de protestantse opstand tegen Philips II. Men was gezagsgetrouw, gewend geregeerd te worden door een paternalistische, maar au fond welwillende elite. Men moest wennen aan het idee dat verzet tegen het gezag, openlijk dwarsliggen, niet alleen een deugd kon zijn, maar in veel gevallen de enige moreel aanvaardbare weg was (en voor de slachtoffers de enige manier om te overleven).
Het feit dat burgers in sommige samenlevingen eerder in opstand komen dan in andere, heeft, denk ik, niets met genen te maken, en alles met geschiedenis. Maar geschiedenis kan niet helemaal los worden gezien van cultuur, en ook niet van religie. Zou het kunnen dat sommige religies zich meer lenen voor verzet en Zivilcourage dan andere – het Christendom meer, bijvoorbeeld, dan het boeddhisme? Het is zeker niet ondenkbaar. Christenen hebben een diep geloof in persoonlijke morele plicht. In theorie moet een christen het voorbeeld van zijn Heiland volgen en iedere medemens in nood een helpende hand toesteken. Voor boeddhisten, die overigens wel een gevoel van genade kennen, ligt dit minder voor de hand. Alles is illusie, en alles is voorbestemd. Door een wildvreemde te helpen, schep je verplichtingen, die misschien niet welkom zijn.
Japan, een land waar het christendom, in tegenstelling tot Korea bijvoorbeeld, nooit veel voet aan de grond heeft gekregen, kent wel een geschiedenis van rebellie. Zelfs de feodale Edo Periode tussen 1603 en 1867, toen Japan als een betrekkelijk geïsoleerde politiestaat werd geregeerd, wemelde het van de boerenopstanden. Ook in de modernere geschiedenis zijn Japanners dikwijls opgekomen, vaak met geweld, voor vrijheden, rechten, of utopische idealen. Ook in Japan waren er in de jaren dertig proteststemmen tegen de beknotting van burgerlijke vrijheden door een steeds meer op militaire leest geschoeid regime. Professor Takikawa Yukitoki, rechtsgeleerde aan de Keizerlijke Universiteit van Kioto, liep in 1935 minder gevaar dan Professor Cleveringa, toen hij in een rede pleitte voor de vrijheid van denken. Hij verloor alleen zijn baan. Maar burgermoed had hij wel. Zo ook het handjevol collega’s die hun solidariteit betuigden door hun ontslag in te dienen.
Toch kwamen dit soort dingen betrekkelijk weinig voor in Japan. Er was geen exodus van Japanse schrijvers en intellectuelen naar het buitenland, zoals gebeurde in nazi- Duitsland. Verreweg de meeste Japanners die het militarisme en autoritarisme van de jaren dertig en veertig verafschuwden hielden zich stil in innere Emigration. Anderen lieten zich betrekkelijk gemakkelijk overhalen tot openbare betuigingen van loyaliteit aan de keizer en tot afkeuring van hun oude politieke idealen.
Hier waren ongetwijfeld redenen voor die niets met religie of cultuur van doen hebben. Zelfs onder het militaire bewind was Japan geen nazi-Duitsland waar minderheden werden vervolgd en in concentratiekampen gejaagd. En wat kunstenaars en intellectuelen betreft, hadden de meeste Japanners geen contacten in het buitenland, en dus niet dezelfde kansen als hun Duitse collega’s om ergens anders opnieuw te beginnen. Bovendien trokken de meeste Duitse ballingen weg omdat zij geen andere keus hadden. Dit was in Japan zelden het geval.
Maar cultuur speelde wel een rol. De prijs die een mens moet betalen voor non-conformisme in een confucianistische maatschappij is heel hoog, niet alleen voor de betreffende persoon zelf, maar ook voor familieleden. De traditionele Japanse, Chinese, of Koreaanse samenleving bestaat niet uit individuen, met individuele rechten en plichten, maar uit groepen. Straf is daarom vaak collectief. De dwarsligger brengt zijn hele familie in gevaar. Hierdoor wordt de beslissing om verzet te plegen een stuk gecompliceerder. Ook in Europa, onder Duitse bezetting, was het een zeer moeilijke beslissing om een Joodse onderduiker in huis te nemen, als men wist dat daardoor ook de eigen familie in gevaar werd gebracht. Hoe zit het met de moraal, als iemand de levens van zijn eigen kinderen riskeert door een vreemde te helpen? In Oost-Azië gold – en geldt in zekere zin nog steeds – hetzelfde ook voor veel minder dramatische beslissingen.
En toch waren er voorbeelden in Japan van typische burgermoed. Ik laat hier even communisten, die streden voor een duidelijk politiek doel, achterwege. Maar neem het geval van de Japanse vice-consul in Kaunus, Sugihara Chiune, die in 1940, tijdens de Sovjetbezetting van Litouwen, duizenden visa uitschreef voor Joodse vluchtelingen, die op die manier konden ontkomen aan de Duitse genocide. Hij deed dit op eigen initiatief, tegen de instructies van zijn ministerie in. Hij is hiervoor wel in Jeruzalem, maar nooit in Japan geëerd. Integendeel, Sugiura werd na de oorlog ontslagen, volgens zijn echtgenote als late straf voor zijn ongehoorzaamheid. Hoe dit ook zij, toen hem vlak voor zijn dood werd gevraagd naar zijn motieven, antwoordde hij: “U wilt weten waarom ik het deed? Iedereen die vluchtelingen voor zich ziet, die smeken met tranen in de ogen, kan toch niet anders dan mededogen met hen hebben… Tokio was niet eensgezind. Van [mijn regering] viel niets te verwachten. Dus besloot ik zonder hun toestemming te handelen. Ik wist wel dat iemand over mij zou gaan klagen. Maar voor mij was dit de enige juiste beslissing.”
Is het louter toeval dat Sugihara zich eerder had bekeerd tot het orthodoxe christendom? Misschien wel, misschien niet. Men kan zich ook afvragen of het toevallig is dat een onevenredig hoog percentage Chinese dissidenten zich tot het christendom heeft bekeerd. Voor een christen is dit natuurlijk helemaal geen toeval. Een christen is morele verantwoording schuldig aan God. Moraal is niet conditioneel, dus niet een kwestie van tijd of plaats, of persoonlijke verhoudingen. Als Gods woord in conflict komt met het woord van een wereldlijk heerser, dan is alleen gehoorzaamheid aan God geboden. Bovendien zal een goede christen betogen dat gelijkheid en gewetensvrijheid typisch christelijke waarden zijn, waar men niet relativerend over mag denken.
Iets dergelijks heb ik vaak van Chinese christenen gehoord. Sommigen zijn er zelfs van overtuigd dat China pas een vrij land kan worden als alle Chinezen zich hebben laten bekeren tot het ware geloof. Ik deel deze overtuiging niet, en ben ook niet van mening dat het christendom een unieke bron is voor burgermoed. Maar helemaal toevallig kunnen die statistieken toch niet zijn. Het zou iets te maken kunnen hebben met de aard van de politieke instellingen in Oost-Azië. In China, en ook in Japan toen de keizercultus heerste, was de grens tussen kerk en staat moeilijk te bepalen. De Chinese (en de moderne Japanse) keizer was een spirituele, zowel als een wereldlijke leider. De legitimiteit van macht in confucianistische landen stoelde niet op verkiezingen, of andere vormen van consensus, maar op morele orthodoxie, op een soort spiritueel dogma. Een Chinese heerser verloor zijn legitimiteit als hij niet meer werd gezien als moreel voorbeeld. Dan kon hij zich niet meer beroepen op het “mandaat van de hemel.”
Mao Zedong was in deze zin een typisch Chinese keizer. Het rode boekje was zijn dogma. De maoïst was een strijder voor een nieuwe moraal. En nu nog steeds probeert de Chinese Communistische Partij haar macht te rechtvaardigen door het opleggen van orthodoxie, die tegenwoordig weer meer weg heeft van confucianistische dogma’s dan die van Marx of Engels. Dit overtuigt een slinkend aantal mensen. Maar het betekent wel dat een dissident een morele autoriteit nodig heeft om hier tegenover te zetten. Sommigen kunnen dit door te putten uit hun persoonlijke burgermoed. Anderen hebben het christendom nodig als een alternatieve bron van autoriteit.
Religie, als inspiratie voor protest, komt ook onherroepelijk naar voren als seculiere politieke wegen zijn afgesneden. Ook dit zou een reden kunnen zijn voor de hoge vlucht die niet alleen het christendom, maar ook andere religies in het moderne China hebben genomen. Zo ook, natuurlijk, in de islamitische wereld, met name in het Midden-Oosten. De politieke islam is begonnen als een vorm van verzet tegen seculiere dictaturen. Alleenheersers in politiestaten zoals Egypte, Algerije, en Syrië, worden terecht gezien als immoreel en corrupt. Verzet in deze landen beroept zich op een streng islamitische moraal om een politieke oplossing te bieden.
Er zijn ongetwijfeld moslims, en zelfs islamisten met burgermoed. Zoals eerder gezegd, vallen zelfmoordcommando’s en andere moorddadige fanatici hier niet onder. En ook niet mensen die strijden om puur-islamitische staten te stichten. Zij lijken misschien nog het meeste op communisten, wat geen toeval is, aangezien sommige vormen van islamisme door communistische ideologie zijn beïnvloed.
Maar als islamisme een vorm van verzet is tegen seculiere politiestaten, hoe zit het dan met diegenen die zich verzetten tegen de bittere onverdraagzaamheid van de politieke islam? Zulke mensen zijn er zeker, binnen de islamitische gemeenschap. Sommigen zijn wereldberoemd: Taslima Nasreen, de schrijfster uit Bangladesh, of de Egyptische Nobel-prijswinnnaar Naguib Mahfouz. Misschien moeten we Ayaan Hirsi Ali ook onder deze groep rekenen, behalve dat zij, als overtuigde atheïste, geen moslim meer kan worden genoemd.
Vaak wordt geklaagd door niet-moslims over het relatief kleine aantal moslims dat een stem durft te verheffen tegen de militante islam. Het zijn er inderdaad niet veel. Maar in plaatsen, of tijden, waar bepaalde meningen alleen met gevaar voor eigen leven kunnen worden geuit, is het aantal mensen dat bereid is dit te doen altijd klein. Ook buiten de islamitische wereld, in Europa bijvoorbeeld, is het niet gemakkelijk. In de eerste plaats worden moslims die zich openlijk keren tegen islamitisch extremisme ook vaak bedreigd. En onder omstandigheden waarin een religieuze minderheid toch al onder druk staat wordt een principieel protest in eigen kring vaak gezien als een vorm van verraad. Het vergt veel grotere moed om kritiek te leveren op mensen met wie men door een meerderheid wordt geassocieerd, dan om dat van buitenaf te doen.
Dit is geen excuus voor diegenen die hun mond houden, maar wel een reden om de burgermoed van hen die dat niet doen extra te bewonderen. De man of vrouw die de emoties van de eigen groep trotseert neemt niet alleen een groot risico, maar doet dat ook in eenzaamheid. Dat is het verschil tussen een moslim die protesteert tegen de uitwassen van zijn eigen geloof, en een politicus die datzelfde geloof aanvalt en verdacht maakt om meer populariteit te vergaren. Ook Geert Wilders staat onder druk, en wordt bedreigd om zijn opinies. Een zekere moed kan men hem niet ontzeggen, en wellicht is hij oprecht overtuigd van zijn missie om de islam uit Nederland te bannen. Maar burgermoed zou ik het niet noemen. Protest tegen een gewelddadige ideologie is niet alleen geoorloofd, het is nodig. Maar een politicus die angst gebruikt om populaire onlustgevoelens en vooroordelen te verbreiden staat ver af van de principiële houding van een Cleveringa.
Critici van de islam, mensen die ons willen behoeden voor wat zij noemen de “islamizering”, lieden die bang zijn voor de geboortecijfers onder de allochtonen, en vrezen dat Europa zal eindigen als Eurabia, zien zichzelf niet zelden als verdedigers van “westerse” waarden. Omdat de definitie van het Westen als een christelijke beschaving nu enigszins uit de tijd is (behalve in het Vaticaan), wordt er tegenwoordig veel gepraat over de Verlichting, alsof de filosofische ideeën van de Verlichting identiek zouden zijn aan westerse waarden. Als we de verlichtingsdenkers zelf mogen geloven is dit niet het geval. Immers, de menselijke rede is universeel, zo ook het streven naar vrijheid van denken en meningsuiting.
Als moslims, of christenen, of wie dan ook, trachten de vrijheid van anderen met geweld te onderdrukken, dan moeten wij ons daartegen verzetten, en niet alleen om westerse waarden te beschermen. Als de behoefte aan vrijheid een universele behoefte is, en daarvan ben ik overtuigd, dan is de burgermoed die nodig is om vrijheid te verdedigen ook universeel. Dit is een kwestie van menselijke waardigheid, van decency. Wat dit betreft maakt het geen verschil of iemand handelt uit christelijke, islamitische, boeddhistische, of puur seculiere motieven. Cleveringa en Sugihara en Mahfouz kwamen op voor dezelfde principes, en dat is de reden waarom wij hen eren.
Ian Buruma is hoogleraar Democratie, Mensenrechten en Journalistiek aan het Bard College in New York.
