De ‘feiten’ van Koopmans
Een beroep op de ‘feiten’, zoals Koopmans in zijn repliek op ons deed, is altijd zeer effectief om het laatste woord op te eisen in een debat. In een klap zet je daarmee jezelf neer als de waardevrije, neutrale toeschouwer die slechts de ‘feiten’ laat spreken, en diskwalificeer je je tegenstanders als ideologisch verblind. Zeker als je daar vilein aan toevoegt dat ze de ‘feiten’ willens en wetens negeren.
Wij hebben drie redenen om te menen dat de ‘feiten’ waarop Koopmans zich beroept niet het laatste woord zijn in deze nieuwe fase in het Nederlandse integratiedebat. De Britse ‘Migrant Integration Policy Index’ waar Koopmans zich op beroept geeft een aardig vergelijkend overzicht van de mate waarin in verschillende landen voor etnische en religieuze minderheden speciale wettelijke regelingen bestaan op het vlak van arbeid, politieke medezeggenschap, zelforganisatie en culturele gebruiken. De voorbeelden van Nederlands multicultureel beleid die Koopmans geeft — lopend van islamitische scholen tot aan halal slachten — zijn juist, maar tegelijkertijd weinig interessant. Het wettelijke DNA van Nederland stamt namelijk uit het tijdperk van de verzuiling en weerspiegelt een pragmatische, wettelijke geregelde omgang met religieuze verschillen. De binnenkomst van islamitische migranten leidde dan ook al snel tot het gebruik van dit verzuilde DNA door de islamitische gemeenschappen. De regelingen stammen dus van voor de komst van migranten en hebben met multicultureel beleidsenthousiasme niets te maken, zoals Koopmans suggereert.
Een goed voorbeeld hiervan is de halal-wetgeving. Hoewel door Koopmans gepresenteerd als exemplarisch voor het Nederlandse multiculturalisme, stamt de wetgeving uit 1920 en was zij bedoeld om de joodse spijswetten te accommoderen die de groeiende joodse gemeenschap in het interbellum wenste te respecteren. Oftewel, wat is er multicultureel aan deze verzuilde mogelijkheden? En zou Nederland in pakweg 1950 niet nog veel hoger op deze multiculturalisme index hebben gescoord? Belangrijker is ons inziens dat Nederland de laatste jaren snel aan het dalen is op deze index. In 2004 stond Nederland nog op de tweede plaats, in 2006 is het gezakt naar de vierde. Dit demonstreert de taaiheid van wetten en instituties — Koopmans’ pad afhankelijkheid — maar ook dat de scherpe assimilationistische toon van het Nederlandse integratiedebat van de laatste jaren wel degelijk, anders dan Koopmans suggereert, tot beleidsveranderingen heeft geleid die eerder in de richting van mono- dan multiculturalisme wijzen. Waarom winkelt Koopmans in dat verband zo selectief in Europese indexen en vermeldt hij bijvoorbeeld niet dat Nederland hoog scoort op de Islamofobie-score van het EUMC (European Monitoring Centre on Racism and Xenophobia), hetgeen lastig te rijmen is met zijn claim dat het multiculturalisme nog volop zou heersen in Nederland?
Onze tweede kanttekening bij de ‘feiten’ van Koopmans betreft zijn (moedwillige?) mislezing van de inzet van Het Bange Nederland. Het voornaamste object van kritiek in ons boek is de toon en inhoud van het Nederlandse publieke en politieke integratiedebat. Wij richten ons daarbij niet in eerste instantie op usual suspects als Wilders, Verdonk en Fortuyn, maar op unusual suspects als Verhagen, Zwagerman, Scheffer, Bos en Balkenende. In Het Bange Nederland verbazen we ons niet over de inbreng van de populistische woordvoerders van ‘het gewone volk’, maar juist over het onvermogen van de representanten van het politieke midden om zich daar tegen teweer te stellen. Als ook woordvoerders van een goudgerande middenpartij als de PvdA het hebben over ‘kutmarokkanen’, verveelde pubers op een lijn stellen met een hele bevolkingsgroep, oproepen om Marokkaanse kwajongens te ‘vernederen’, en inzetten op verdere ‘polarisatie’ en ‘beschaafd nationalisme’ is er ons inziens echt iets aan de hand.
De woorden die in het debat worden gebruikt zijn namelijk niet zomaar loze termen. Je hoeft geen postmoderne sociale wetenschapper te zijn om te kunnen bevroeden dat het gebruik van dit soort terminologie, mits gedaan door gezaghebbende personen met een makkelijke toegang tot publieke podia, reële effecten heeft op de omgang tussen minderheden en meerderheden. Wanneer Nederlands-Marokkaanse jongens steeds maar weer worden weggezet als impulsief, hedonistisch, lui en agressief, krabt een werkgever zich wel twee keer achter de oren wanneer hij een sollicitant tegenover zich heeft met de voornaam Mohammed of Karim, hoe gekwalificeerd deze Karim ook zijn mag. En omgekeerd leidt het onderlinge wantrouwen dat deze termen zaaien, onherroepelijk tot vermijdingsgedrag van de zijde van Nederlandse minderheden, zoals veel recent survey-materiaal ook inderdaad leert.
Ons derde bezwaar tegen Koopmans’ feiten heeft betrekking op de naïeve wetenschapsopvatting die aan zijn interventie ten grondslag ligt. ‘Feiten’ beslechten een debat namelijk alleen wanneer er consensus bestaat over wat de feiten zijn, hoe zij moeten worden geduid en welke feiten het zwaarst moeten wegen. Dat nu is in het integratiedebat allesbehalve het geval. Gaat integratie over cultuur, over participatie of over identiteit? Al deze invullingen van het integratiedebat kunnen worden gehoord. Gaat het nu goed of slecht met de integratie? Langzaam neemt de arbeidsparticipatie van allochtonen toe, langzaam ook stijgen allochtone kinderen naar de bovenste verdiepingen van het Nederlandse schoolgebouw, maar ook neemt het aantal allochtonen in de misdrijfstatistieken toe. Hoe dit te wegen? Is het totaalbeeld er nu een van falende of geslaagde integratie? Wie het weet mag het zeggen. De keuze voor specifieke indicatoren om te kunnen concluderen dat de integratie slaagt of faalt, hangt sterk af van de voorkeuren van de onderzoeker. Dat geldt mutatis mutandis ook voor Koopmans zelf. Steeds weer hamert hij op de blindheid van de Nederlandse migratieonderzoekers voor het ten diepste multiculturele karakter van de Nederlandse omgang met migranten. Steeds weer ook hamert hij op de perverse effecten ervan, hoewel de causale relatie tussen de twee ook door Koopmans nimmer hard is gemaakt. En steeds weer hanteert Koopmans daarvoor de stijlfiguur van de zuivere wetenschapper; alleen hij, als buitenstaander, kent de ‘echte’ feiten. Alle anderen zijn ideologisch verblinde partijgangers. Naïef gaat Koopmans er daarmee aan voorbij dat zijn woorden in Nederland koren op de molen zijn van diegenen die verdere polarisatie voorstaan, onder Koopmans’ motto: zachte heelmeesters maken stinkende wonden.
Wij hebben ons boekje geschreven omdat we verontrust zijn over de manier waarop culturele verschillen op de spits worden gedreven zonder dat dit bijdraagt aan de oplossing van de reële problemen waar de Nederlandse samenleving voor staat. De ideologische oogkleppen van de afgelopen periode hebben tot onuitvoerbare wetgeving geleid die de inburgering van migranten bemoeilijkt in plaats van bespoedigt. Als het debat de komende jaren zal blijven gaan over het belang van de nationale identiteit, vrezen we weinig goeds voor de integratie van migranten in arbeid en onderwijs. Het oplevend nationalisme in de Nederlandse politiek is het kenmerk van deze tijd; niet de relicten van de verzuiling waar Koopmans zich op blind staart.
Jan Willem Duyvendak (hoogleraar sociologie, UvA), Ewald Engelen (financieel-geografisch onderzoeker, UvA) en Ido de Haan (hoogleraar geschiedenis, UU) publiceerden recentelijk Het bange Nederland. Pleidooi voor een open samenleving (Bert Bakker).
U kunt hier deelnemen aan de Expertdiscussies over integratie
Gerelateerde artikelen:
- Nu kunnen we fijn op weg naar een nog geslotener Nederland
- Nu kunnen we fijn op weg naar een nog geslotener Nederland
- Vogelaar: benader het integratieprobleem nu eens evenwichtig
- Vogelaar: benader het integratieprobleem nu eens evenwichtig
- Nederland is nog volop multicultureel (volledige tekst)
- Onderzoeker: multiculturalisme leeft nog
- Onderzoeker: multiculturalisme leeft nog
- Nederland is nog volop multicultureel
- Nederland is nog volop multicultureel
- Nederland is nog volop multicultureel
- Onderklasse is het probleem
- Onderklasse is het probleem
- Onderklasse is het probleem
- Vogelaar gaat voorbij aan wat voor veel mensen zichtbaar is
- Koopmans laat ons maar raden wat zijn feiten betekenen
- Politiek handwerk, geen ferme taal
- Politiek handwerk, geen ferme taal
- Politiek handwerk, geen ferme taal
