Bachelor-mastersysteem is uitgelopen op een grote flop
De Nederlandse overheid is erin geslaagd om binnen zes jaar de universiteiten te veranderen in centra waar je je eigen kinderen niet wil laten studeren, meent Menno Lievers.
In 2002 is aan de Nederlandse universiteiten de bachelor-masterstructuur ingevoerd. De oude vierjarige opleidingen tot doctorandus zijn vervangen door een driejarige tot bachelor, waarna studenten door kunnen gaan voor een mastersgraad.
Onlangs is het evaluatieonderzoek van deze hervorming verschenen. Daarin wordt een aantal problemen gesignaleerd. Het bachelordiploma wordt noch door studenten noch door de maatschappij als een volwaardig universitair diploma beschouwd. De masteropleidingen missen visie en profiel. Van de beoogde internationalisering is weinig tot niets terecht gekomen.
In 2002 was dit nog niet zo. Het ouderwetse doctoraaldiploma werd maatschappelijk erkend en droeg de signatuur van de opleiding. Een doctorandus scheikunde was een doctorandus scheikunde en een doctorandus Nederlands een doctorandus Nederlands.
Door de doelstelling van keuzevrijheid moeten de studenten van hun drie jaar bachelorstudie minstens een jaar vullen met keuzevakken. Als opleidingsorganisatie kun je dan niet meer garanderen wat de afgestudeerden precies kunnen.
Van de karige onderwijslijst zijn bovendien cursussen afgesnoept ten behoeve van de zogenoemde bachelorscripties. De invoering daarvan is illustratief voor de bureaucratische houding die tegenwoordig aan de Nederlandse universiteiten prevaleert. De aanvankelijke opzet van de bachelorstudie was dat een student een diploma kon behalen door alleen tentamens te doen (eventueel in de vorm van het schrijven van papers). Maar toen de eerste opleidingen waren bezocht door zogeheten accrediteringscommissies, kwam hier al snel een einde aan. De accrediteringscommissies waren grotendeels samengesteld uit gepensioneerde hoogleraren aan wie de details van de hervormingen voorbijgegaan waren. Aan hen ontlokte de structuur van de bachelorstudies de opmerking: „Maar het kon toch niet zo zijn dat een academische studie wordt afgesloten zonder eindscriptie.”
De colleges van bestuur van de universiteiten vaardigden in reactie hierop al snel de oekaze uit dat de bachelorstudie ook moest worden afgesloten met een scriptie. Onduidelijk bleef echter waar een student na twee jaar studie over zou moeten schrijven, en welk niveau daarvan geëist mocht worden. Voor een scriptie die getuigt van academisch niveau en enige diepgang is het nog veel te vroeg.
Dus wat heb je als afgestudeerde bachelorstudent aan je diploma? Een bewijs dat je veertien vakken hebt gehaald, tien vakken hebt weten te kiezen en tien A4’tjes hebt volgeschreven. Het is dus niet verwonderlijk dat studenten meer willen en dat de maatschappij meer eist. Een masterdiploma dus.
Waar de bacheloropleidingen in hun kern, de verplichte vakken, nog structuur kunnen ontlenen aan de oude doctoraalprogramma’s, daar zweven de masterprogramma’s boven de bachelorprogramma’s als donkere wolken. De bestemming is onduidelijk en waartoe ze leiden, al evenzeer.
Een enkele ambitieuze hoogleraar zag zijn kans schoon en ging bij het college van bestuur lobbyen om rond zijn eigen onderzoeksprogramma een excellent mastertraject uit de grond te stampen. Dat lukte soms. In de meeste gevallen bestaat de masteropleiding echter alleen omdat er een bachelor ‘onder hangt’.
De inhoud van die masterprogramma’s reflecteert dat, want die bestaat vooral uit oude doctoraalvakken die niet in het bachelorprogramma gepropt konden worden . Men vond dat niet erg, want velen zagen de master als een voortzetting van het oude studieprogramma. De enige verandering, zo meende men, was dat het vierde studiejaar nu ‘master’ heette. De universiteiten stimuleerden dit door zogenaamde doorstroommasters te introduceren: had je eenmaal een bachelordiploma op zak dan had je automatisch recht op een plaats in dezelfde master-opleiding, zelfs als je nog geen bachelordiploma had (de zogenoemde ‘zachte knip’). Binnen de EU is dit een unieke regeling die volledig afwijkt van het Angelsaksische model. In Engeland en Amerika ga je immers alleen een masterstudie volgen, wanneer je een wetenschappelijke carrière ambieert. In die landen is het slechts een groepje studenten dat masteronderwijs volgt. Die studenten worden ook niet meer beschouwd als studenten (‘undergraduates’) maar als graduates. In Nederland zijn masterstudenten daarentegen noodgedwongen gewone studenten.
90 procent van de bachelorstudenten stroomt dientengevolge door. Op zulke enorme aantallen is het masteronderwijs ingesteld noch berekend. Docenten die masterscripties begeleiden zijn overbelast. Omgekeerd krijgen masterstudenten ook niet de aandacht die ze verdienen.
Maar diegenen die het hardste gelag betalen zijn de buitenlandse studenten die op de folders zijn afgekomen. Daarin worden de Nederlandse masteropleidingen aangeprezen als een betaalbaar alternatief voor de Engelse en Amerikaanse universiteiten. Dat zij ze niet. En dus kwijnen die buitenlandse studenten weg in kamertjes van huisjesmelkers, omdat de huisvesting van studenten buiten de EU niet gesubsidieerd wordt en dus voor hen onbetaalbaar is.
Minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) stelt nu voor om de misstanden te herstellen door ‘de zachte knip’ op te heffen. Studenten moeten eerst het bachelordiploma behalen voor zij mogen doorstromen naar hun masterstudies. Veel meer dan het plagen van studenten behelst deze maatregel niet. Wat nodig is, is een herstructurering van de bachelor-masterstructuur naar Angelsaksisch model, en wel de Amerikaanse variant. Volwaardige vierjarige bacheloropleidingen met een duidelijk profiel; alleen masteropleidingen voor de selecte groep studenten die verder wil op de universiteit.
Studenten en docenten willen wel. Maar de Nederlandse overheid is erin geslaagd om binnen zes jaar de Nederlandse universiteiten te veranderen in opvangcentra waarvoor je je schaamt en waar je je eigen kinderen niet wilt laten studeren. Voor de invoering van de bama is een mooi Angelsaksisch woord. Het is een flop.
Minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) wil de harde knip invoeren in het wetenschappelijk onderwijs: studenten kunnen niet met een masteropleiding starten voordat de bacheloropleiding is voltooid. Studenten zouden anders onvoldoende doordacht voor een masteropleiding kiezen. Bovendien krijgt het bachelordiploma meer waarde, aldus de minister.
In enkele studentensteden is protest gevoerd: er zou studievertraging kunnen ontstaan.
Het Interstedelijk Studenten Overleg pleit ook voor een halfzachte knip, waarbij een klein aantal punten open mag staan bij het volgen van de eerste mastervakken.
Plasterk voert overleg over de randvoorwaarden met universiteiten en studentenorganisaties. Studenten die door bijvoorbeeld ziekte of bestuurlijke taken hun bachelor net niet halen, krijgen waarschijnlijk uitstel.
Menno Lievers is docent theoretische filosofie aan de Universiteit Utrecht.
