Snelrecht tegen raddraaiers voorkomt niets
In plaats van supersnelrecht kunnen raddraaiers tijdens nieuwjaarsnacht beter vooraf met een dwangsom gewaarschuwd worden, stellen J.G. Brouwer en A.E. Schilder.
In Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht zal bij de jaarwisseling supersnelrecht op de relschoppers worden toegepast. Dat kondigde minister Hirsch Ballin (CDA, Justitie) afgelopen week aan. De raddraaiers zullen al op 2 januari worden berecht.
Strafpleiter Spong plaatst zijn vraagtekens bij dit soort turbosnelrecht. Een eerlijk proces vereist behalve een goede berechting ook een goede verdediging. En tijd voor een goede voorbereiding van die verdediging is er bij dit soort snelrecht niet.
Deze gang van zaken is in strijd met elementaire eisen van strafprocesrecht, zoals die uit verdragen voortvloeien. De verdedigingsrechten moeten praktisch en effectief zijn, niet theoretisch of nog erger illusoir. Dat besliste het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg nog vorige maand.
Een wezenlijker vraag is of van het snelrecht werkelijk een preventief effect uit zal gaan. De dreiging van het achteraf snel berechten, moet potentiële daders vooraf weerhouden van vernielingen of geweldpleging. Maar uit onderzoek blijkt dat we hiervan geen hooggespannen verwachtingen mogen hebben.
Wel hoop biedt de combinatie van verscherpt toezicht en de aankondiging om de schade te gaan verhalen. Daar komt nog bij dat er ook andere maatregelen worden genomen: het verwijderen van prullenbakken, containers en bouwmateriaal, het op slot draaien van drank- en snoepautomaten en het afsluiten van ingangen van parkeergarages en metrostations.
Er is echter nog een middel dat bij uitstek preventief werkt, maar dat vooralsnog over het hoofd wordt gezien. Er hebben zich de afgelopen jaren in de jurisprudentie ontwikkelingen voltrokken die het ons inziens mogelijk maken om preventief een dwangsom op te leggen: „Heren potentiële daders, u verbeurt een dwangsom van 5000 euro, als u zich tijdens de jaarwisseling schuldig maakt aan openlijke geweldpleging (art. 140 Sr), mishandeling (art. 300 Sr) of vernieling (art. 350 Sr).” Er gelden drie voorwaarden.
Ten eerste moet de identiteit van de potentiële raddraaier vooraf bekend zijn. Aan hem moet het dwangsombesluit bekend worden gemaakt. Bij enkele politiekorpsen is dit het geval: de politie is op de hoogte van naam en toenaam van recidivisten.
Ten tweede dient er een verordening voorhanden te zijn waarbij de burgemeester kan aanknopen. Hij beschikt namelijk niet over de mogelijkheid om een dwangsom op te leggen bij delicten uit het Wetboek van strafrecht. In de meeste steden vigeert echter een verordening die het verbiedt om de openbare orde te verstoren. Op overtreding hiervan kan de burgemeester wel een dwangsom zetten. Omdat de delictsomschrijving nogal algemeen is, zou het van zorgvuldigheid getuigen indien de burgemeester vooraf aankondigt bovengenoemde drie delicten als verstoring van de openbare orde te beschouwen.
Een derde voorwaarde voor het preventief opleggen van een dwangsom is dat er een „klaarblijkelijk gevaar dreigt dat op zeer korte termijn” een concreet voorschrift wordt overtreden. De oproerkraaiers hebben zich de afgelopen jaren bij herhaling schuldig gemaakt aan een van bovengenoemde delicten tijdens de jaarwisseling. Op basis hiervan valt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te voorspellen dat deze onruststokers zich dit jaar weer schuldig gaan maken aan vernielingen of geweldpleging.
Van belang is vanzelfsprekend dat het bewijs voor de overtreding zorgvuldig wordt aangeleverd. We hebben gelezen dat er honderden agenten extra de straat op gaan en dat ook burgers als informanten dienst doen als zich misstanden voordoen. Videoteams van de politie spelen de meest cruciale rol in het vergaren van bewijsmateriaal.
Politieagenten in de regio Rotterdam gaan dezer dagen op bezoek bij zo’n vierhonderd notoire raddraaiers. Zij worden gewaarschuwd zich niet te misdragen tijdens de jaarwisseling.
Als wij de burgemeester van Rotterdam een advies mogen geven, raden wij hem aan de agenten een briefje mee te geven, waarin staat dat de personen die een concreet aangeduide verordening overtreden, een dwangsom verbeuren van 5.000 euro.
