Vadertje Staat is terug en ruimt de rommel op

Door Hubert Smeets

Of het nu gaat om drugsgebruik in het uitgaansleven of om ‘short gaan’ op de markt – de strijdkreet van het ongebonden liberalisme is in 2008 verstomd. De staat waakt weer - en streng.

De meest onheilspellende advertentie van het jaar 2008 verschijnt op 11 november in deze krant. Het bedrijf Reader Offers Ltd uit Colchester koopt die dag een hele pagina om de eerste ‘no fly’ wereldcruise met de Queen Mary 2 onder de aandacht te brengen: in 2010 in honderd dagen van Southampton via Mumbai naar New York en weer terug. Een binnenhut op deze cruise ‘in stijl’ moet 16.900 euro kosten, de ‘queen’s suite’ exact 52.790 euro.

Tot zover niets dramatisch. Ware het niet dat de advertentie op de keper beschouwd iets heel anders wil ‘communiceren’, zoals het heet in het reclamejargon. De aanbieding is namelijk een koopje. Een binnenhut had eigenlijk 26.415 euro moeten opbrengen en de koninginnesuite 87.449 euro. En wie nog voor 11 december – ruim een jaar voor de afvaart – boekt, krijgt behalve deze korting van 40 procent en zijn ‘welverdiende rust’ ook nog een annuleringsverzekering cadeau. Een prettig idee in een land dat zich net wekenlang heeft beziggehouden met onrust op de bussen die zich een weg moeten banen door de Goudse wijk Overwei.

Is Reader Offers nu een bedrijf dat in nood verkeert of een bedrijf dat van de nood een deugd wil maken? De tekst van de advertentie illustreert hoe dan ook een wereld van verschil aan deze en gene zijde van de maatschappij.

Een maand later wordt die tegenstelling zichtbaar. De potentiële klanten van de Queen Mary 2 worden dan, bij de opening van de Miljonairs Fair in de RAI in Amsterdam, opgewacht door demonstranten. Die weten nog niet dat de beurs, met 49.000 bezoekers en een omzet van 200 miljoen euro, een nog groter succes zal worden dan een jaar eerder. Maar onder het motto delete the elite slingeren zij de passanten alvast naar hun hoofd dat ze ‘dieven’ zijn. De politie moet er aan te pas komen om een bestorming te voorkomen. Het valt nog mee. Die week is Athene het toneel van heel wat gewelddadiger confrontaties.

Toch is er ook in Nederland iets aan de hand. De regering en de meeste politieke partijen zeggen het niet openlijk. De politieke voorlieden willen de natie nu liever opbeuren dan verontrusten. Wie moet vrezen voor zijn werk, spaargeld of pensioen heeft immers meer behoefte aan materiële bijrekening dan aan ideologische afrekening.

Maar alle bemoediging kan niet verhullen dat Nederland in 2008 afscheid heeft genomen van een aantal waarden die twee decennia gemeengoed zijn geweest. Van sommige tradities die nu op sterk water staan, wordt gezegd dat het afscheid maar tijdelijk is. Zo zullen ABN/Amro en ING weer terugkeren in het vrije leven. De regering moet geen bankje willen spelen, heet het.

Alleen, in één adem wordt erbij gezegd dat er pas sprake kan zijn van herstel van de liberale status quo ante als aan een paar voorwaarden is voldaan. De private bankiers die er een bende van hebben gemaakt, moeten eerst lering trekken uit hun eigen falen. En er moeten ook weer beleggers opduiken, die met particulier geld over de brug kunnen en vooral willen komen.

In deze zin verloopt de kredietcrisis tot nu toe opmerkelijk conform de Wet van Berezovsky. Tien jaar geleden definieerde deze mathematicus en ondernemer uit Rusland de verschillende fasen die bij de privatisering van staatsbezit onvermijdelijk waren, respectievelijk juist vermeden moesten worden.

De uitverkoop van de boedel van de Sovjet-Unie, waaraan de oligarch gretig deelnam, zou zich volgens Berezovksy in drie stadia volrekken. Eén: privatisering van de winsten. Twee: privatisering van de bezittingen. Drie: privatisering van de schulden. Het spreekt voor zich dat een verstandig mens zich vóór de derde etappe uit de voeten maakt. Rusland ging er in 1998 bijna aan failliet. Het begrip default is sindsdien ook in het Cyrillisch gemeengoed.

Dit jaar is gebleken wat er in het Westen in die derde fase gebeurt: socialisatie van de schulden. De vanzelfsprekendheid waarmee private schulden nu zijn ‘vermaatschappelijkt’ (zoals het heette in de jaren zeventig, toen Rita Verdonk en Wijnand Duyvendak hun carrière begonnen in en rond de Pacifistisch Socialistische Partij) – is door het gebrek aan rancune ontroerend.

En het wijst op hoop. Wie na de perestrojka nog wilde geloven in een beschaafd ‘socialisme met een menselijk gezicht’, is de afgelopen decennia weggehoond als belachelijk naïef. De feitelijke afloop van een paar experimenten gaf daartoe natuurlijk ook aanleiding. Maar wie anno 2008 gelooft in een ‘kapitalisme met een fatsoenlijk gezicht’, is opeens wél constructief bezig. Ideologische scherpslijperij is dan kennelijk ongepast. Het systeem móét deugen. Alleen de uitvoering klopt nu even niet.

De reacties op deze bijna terloopse ontliberalisering van de financiële markt zijn in Nederland dan ook opvallend laconiek gebleven. Bert Heemskerk van de Rabobank, een ceo die in een vroeg stadium waarschuwde voor Icesave en zijn hand niet bij de staat heeft opgehouden, was de enige serieuze bankier die zich roerde.

Zijn collega's zaten er stilletjes bij of kozen de vlucht naar voren. Een hoorzitting met de top van het vaderlandse bankwezen in het parlement was tekenend. Floris Deckers, bestuursvoorzitter van Van Lanschot, zei daar onbekommerd: „Ik heb potverdorie in een half jaar een omzetverlies van 35 procent voor de kiezen gekregen.” Van schuldgevoel was geen sprake. Het was hem blijkbaar ook maar overkomen.

Voormalig topman Cor Boonstra van Philips had nog minder last van introspectie. In een collegiaal gesprek met ex-voorzitter Pieter Broertjes van het Genootschap van Hoofdredacteuren legde Boonstra de schuld bij „de controlerende instituties”, zoals „een meneer Wellink van De Nederlandsche Bank”.

„Een meneer”. Kennelijk hadden de overheid en haar toezichthouders hem en de collega’s moeten behoeden voor onfatsoenlijk kapitalisme. Wij, de bankiers, waren er altijd voor de risico’s geweest. En nu moesten zij, bij de staat, die dekken. De ‘risicomaatschappij’, zoals de Duitse socioloog Ulrich Beck de postindustriële samenleving die vooral rijkdom wil produceren al in 1986 heeft genoemd, is alleen aangenaam in goede tijden. In slechte tijden willen we toch liever de assurantiemaatschappij.

Menselijk gesproken is deze houding alleszins begrijpelijk. „Lekker puh, mijn vingers vriezen af, want mijn vader geeft me geen handschoenen.” Welk jong mens denkt dat niet als hij de schuld eens op ouderen wil afwentelen?

Toch is daarmee niet alles gezegd. Er is meer aan de hand. Over een bredere linie voltrekt zich de ontliberalisering van Nederland. Niet alleen de liberale basis van het economisch bestel is afgelopen jaar, na twee decennia hegemonie, geërodeerd. Ook het liberale denken heeft een paar nederlagen geleden.

Nee, niet eens met het rookverbod, al wordt de handhaving daarvan een lakmoesproef voor het gezag van de staat. En al lijkt het een paradox dat in 2008 het verbod op de pitbull juist is opgeheven. De liberale geest wordt óók uit die domeinen verdreven waar de individuele verantwoordelijkheid van individuele burgers welbeschouwd geen overlast voor de andere burger betekent.

Die afrekening begint zelfs kenmerken van exorcisme te vertonen, met zoveel morele kracht gaat ze gepaard. Nieuwe verbodsbepalingen krijgen steeds vaker een louterende functie mee. Ze zijn doel en middel tegelijkertijd. De catharsis die zij brengen dient een morele sanering om de boel nog voor de lente aan kant te hebben.

De boerka bijvoorbeeld is niet alleen verboden omdat dit kledingstuk een adequate uitoefening van een beroep in de weg zit, zoals in het onderwijs, maar tevens omdat het ding in strijd kan zijn met de openbare orde. De paddo’s zijn niet in de ban gedaan om het bos te beschermen, maar om rugzaktoeristen niet op verkeerde ideeën te brengen. En epo en andere doping in de wielrennerij worden niet te vuur en te zwaard bestreden omdat ze competitie in de sport vervalsen maar omdat gebruikers moreel zwakke of verwerpelijke mensen zijn. In Nederland gaat het nog niet zo ver als in Duitsland. Maar sportsponsor Rabobank is er bijna aan toe.

Eigenlijk is de deliberalisering het best vertolkt door de voormalig politicus Willem Vermeend, ooit staatssecretaris en minister in de liberaalste, namelijk ‘paarse’, kabinetten uit de geschiedenis. In een interview over de kredietcrisis zei hij, als altijd vrolijk maar niet helemaal gekscherend: „Er moet om te beginnen een verbod komen op doemdenken”. Het zijn slechts enkele voorbeelden van een drastische wending in de dominante staatsopvatting.

De Nederlandse overheid bekommert zich nu al om steeds meer aspecten van de geestelijke gesteldheid van de individuele burger. Wie gokt met deposito’s blijft heus niet in de kou staan. Wie risico’s neemt met epo of andere doping wordt bij al zijn whereabouts behoed voor het kwaad.

De verzorgingsstaat is een bezorgde staat geworden. En 2008 was het eerste levensjaar van deze hoedende overheid.

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie
Opinie