Vervolging werkt louterend

Door Egbert Dommering

De beschikking van het hof staat niet haaks op de machtenscheiding. De weerlegging van drie argumenten toont dat aan, stelt Egbert Dommering.

In de discussie over de uitspraak van het hof in Amsterdam waarin de vervolging van Wilders werd bevolen, worden drie argumenten gehanteerd om aan te geven dat het hof het bij het verkeerde eind zou hebben gehad.

Het hof heeft zich op het gebied van de wetgevende macht begeven (een parlementariër wordt de mond gesnoerd);

Het hof loopt met zijn breed gemotiveerde beschikking de rechter die over de zaak moet oordelen voor de voeten;

Vervolging is zinloos omdat het Wilders alleen maar electorale winst zal opleveren.

Alle drie de argumenten raken de inrichting van de democratische rechtsstaat. Ze zijn mijns inziens alle drie onjuist.

Het eerste argument gaat voorbij aan het feit dat Wilders als parlementariër voor alles wat hij zegt in het parlement parlementaire onschendbaarheid geniet. Dit is een absoluut recht dat (zoals ook de Europese rechter heeft erkend) een gang naar de rechter verhindert. Dat betekent dat het parlement zelf aan de hand van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer vaststelt wat een parlementariër in het parlement mag zeggen. Het gaat hier om een van de oudste rechten van de democratie die rechtstreeks is terug te voeren tot de machtenscheiding. De beschikking van het hof raakt niet aan die vrijheid. Het gaat om wat Wilders buiten het parlement zegt. Daar is de norm dat een parlementariër vrij aan het maatschappelijke debat mag deelnemen, maar daarin als parlementariër een bijzondere verantwoordelijkheid heeft. Hij moet dus een juist gebruik maken van de vrijheid van meningsuiting, een van de kernrechten van de democratie. Het hof heeft de uitlatingen van Wilders aan die norm getoetst.

Het tweede argument gaat voorbij aan het feit dat het Openbaar Ministerie er bijna een jaar over heeft gedaan om in een breed gemotiveerde beschikking de vervolging te weigeren. Het heeft voor die beslissing de adviezen ingewonnen van een aantal rechtsgeleerden. Deze besluitvorming was volkomen intransparant. Ik heb in een eerder stadium met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur openbaarmaking van de uitgebrachte adviezen gevraagd. Het Openbaar Ministerie heeft dat geweigerd en het heeft deze adviezen ook niet in de procedure bij het Hof openbaar gemaakt.

De lange duur van de besluitvorming en de zucht van verlichting die politiek Den Haag slaakte toen de uitkomst daarvan was dat er niet zou worden vervolgd, roepen de verdenking op dat dit hele besluitvormingsproces politiek was aangestuurd. Het is binnen de machtenscheiding die wij hanteren onaanvaardbaar dat een orgaan dat deel uitmaakt van het openbaar bestuur, op grond van eigen inhoudelijke en deels niet verifieerbare argumenten, over al of niet schending van de rechtsorde zou kunnen beslissen. Dat moet de rechter doen. Het hof heeft de argumenten van het Openbaar Ministerie getoetst en te licht bevonden, en kon dat, mede door de gekozen aanpak van het OM, niet anders doen dan door een brede en deugdelijke motivering.

Het derde argument dat het allemaal slechts electorale winst zou opleveren, komt erop neer dat een parlementariër ook voor uitlatingen buiten het parlement nooit zou kunnen worden vervolgd. Dat zou een ongewenste uitbreiding van de macht van een parlementariër zijn. Het miskent bovendien dat het in dit soort zaken een keuze is uit een democratisch dilemma van het beperken van de vrijheid van meningsuiting en het tegengaan van de uitsluiting van bepaalde groepen van dat debat. Met die uitsluiting bedoel ik dat bepaalde groepen (in dit geval moslims) in het debat worden aangevallen op hun moslim zijn en niet op wat zij vinden. Wilders zegt wel dat hij de discussie zoekt, ook met Fitna. Wie die film nauwkeurig heeft bekeken, moet toch tot de conclusie komen dat je iemand uitnodigt voor een debat nadat je hem eerst met een honkbalknuppel op het hoofd hebt geslagen. Moslim-opinieleiders zeggen wel dat de moslims hier flink van zijn geworden, maar sociaal onderzoek wijst uit dat vreemdelingenhaat jegens moslims de laatste jaren is toegenomen. In de commentaren op de beschikking van het hof concentreert men zich op de Mein Kampf vergelijking met betrekking tot de Koran. Het hof sluit niet uit dat deze een groepsbelediging in de zin van het Wetboek van strafrecht kan opleveren. Men vergeet te vermelden dat de kern van de beschikking van het hof gaat over de delicten haatzaaien en discriminatie. Bovendien zegt het hof dat klachten over belediging in beginsel buiten het strafrecht vallen en dat belediging in een openbaar debat moet worden bestreden. De beschikking van het hof past dus heel goed in de machtenscheiding. Zij kan bijdragen aan de kwaliteit van het openbare debat over integratie, dat in de afgelopen periode behoorlijke averij heeft opgelopen.

Egbert Dommering is hoogleraar informatierecht aan de UvA.

Discussieer mee op nrc.nl/expert

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie
Opinie