Electorale positie van de PvdA nog steeds labiel

Door Arie van der Hek

De ster van Wouter Bos staat dankzij de kredietcrisis weer wat hoger aan het firmament. Maar velen vragen zich nog steeds af of de PvdA in staat is haar electorale aantrekkelijkheid te herstellen.

In de Fortis zaak is Bos slagvaardig opgetreden. Dat heeft zijn electorale en daarmee zijn politieke positie goed gedaan. Toch is er gerede twijfel of de ING-operatie wel zo mooi is als hij zelf voorstelt. Maar hij weet pas echt dat zijn succes enige duurzaamheid heeft wanneer hij een geloofwaardig beleid heeft in de ogen van de kiezers op het moment dat de economische recessie voelbaar wordt in hun huiskamers. Heeft de PvdA dan een boodschap, die de mensen beweegt hun heil bij haar te zoeken?

Naar mijn oordeel is dat zeer de vraag, omdat de ideologische uitgangspunten, die daarvoor nodig zijn, in de loop van de tijd zoek zijn geraakt. Soms is Wouter Bos op de populistische toer omdat de tijdgeest daar blijkbaar om vraagt. Dan weer houdt hij ergens een speech waarin hij terug wil naar de ‘roots’.

Welke ‘roots’? Wat is de Werdegang van de PvdA die haar deze ‘roots’ ontnomen heeft? Leidt het antwoord tot een nieuw perspectief?

Wanneer we het over de ‘roots’ hebben van de PvdA, moeten we teruggaan naar de negentiende eeuw en dan vooral naar de politieke filosofie van Marx, Engels en wat de exegeten van de Duitse sociaal-democratie ervan hebben gemaakt.

Maar ze liggen ook elders, bijvoorbeeld bij de Engelse Labour movement en de Fabian Society die grote invloed hebben gehad op de moderne vakbeweging, het NVV, dat later zou opgaan in de FNV. Sommigen zullen wijzen op de invloed van het religieus socialisme van de Blijde Wereld.

Het kernpunt was dat de sociaal-democratie een politieke beweging wilde zijn, die de arbeiders bevrijdde van uitbuiting, buitensluiting en armoede, veroorzaakt door een kapitalistische klasse die het monopolie had over de productiemiddelen. Deze klasse eigende zich met behulp van dit monopolie het enige bezit van de arbeiders toe, namelijk hun arbeidskracht.

Daar zou door strijd een einde aan komen. Bij Marx stond dat bij voorbaat vast. Deze klassenstrijd was bij hem de voleinding der tijden. Hij gaf de arbeidersbeweging een eschatologische missie. Na veel geharrewar ging dit geloof ter ziele. Maar zonder eschatologie bleef de missie overeind. Het kostte ook veel conflict en discussie om deze missie te willen vervullen in het kader van de als burgerlijk getypeerde parlementaire democratie.

Pas na de Eerste Wereldoorlog werd aanvaard dat de parlementaire democratie onvermijdelijk zou inhouden dat de sociaal-democratie het monopolie over de politieke macht principieel niet kon verwerven, zelfs niet als ze electoraal over de absolute meerderheid kon beschikken. Daarmee stond vast dat de SDAP compromissen zou moeten sluiten met partijen die voorstanders waren van het kapitalistische stelsel, zij het met de bereidheid de negatieve consequenties ervan in sociaal-economisch opzicht te corrigeren.

Zou daarmee het ultieme doel van de sociaal-democratie, om het kapitalistische stelsel te vervangen door een samenleving die democratisch kon beschikken over de productiemiddelen om deze aan te wenden ten bate van allen, van de baan zijn? In de praktijk luidde het antwoord bevestigend. Na verloop van tijd paste de ideologie zich aan. Daarvoor kwam het dilemma in de plaats hoe ver sociaal-democraten konden gaan met hun compromisbereidheid. Dit vroeg om een nieuwe doelstelling, die recht deed aan het uitgangspunt een einde te maken aan een maatschappelijk bestel waaraan uitbuiting, buitensluiting en armoede van velen inherent was. Maar dan wel zo dat door middel van compromissen met anderen allerlei hervormingen mogelijk waren die de massa van de bevolking ten goede kwamen.

Je vindt dat terug in de beginselprogramma’s van de SDAP en ook nog een tijdje in die van de PvdA. In de verkiezingsprogramma’s zie je een radicale maar toch pragmatische hervormingspolitiek, die tot in de jaren ’70 van de vorige eeuw goed was afgestemd met het NVV en later de FNV.

Geleidelijk aan zouden ook de beginselprogramma’s zelf de uitdrukking worden van een pragmatische hervormingspolitiek, maar wel met sporen van de oorspronkelijke sociaal-democratische missie.

Dat veranderde radicaal toen de PvdA onder leiding van Kok koos voor een liberale koers net als de New Labour beweging van Tony Blair en Gordon Brown. Ze hield toen op een sociaal-democratische partij te zijn.

Voor de Nederlandse sociaal-democratie, indertijd belichaamd in de SDAP is vooral de opkomst en het succes van het Duitse nationaal socialisme en de depressie van de dertiger jaren van de vorige eeuw, van grote invloed geweest.

Het is boeiend te zien hoe de SDAP reageerde op het drama dat zich in Duitsland voltrok, waarbij de zusterpartij, de SPD één van de slachtoffers werd. Dat was voor haar zeker geen ver-van-mijn-bed show. De Duitse sociaal-democratie was voor haar altijd een inspiratiebron en referentiepunt geweest.

Natuurlijk was de SDAP anti-nationaal-socialistisch, maar vroeg zij zich wel af waarom deze nationalistisch-populistische beweging zoveel aantrekkingskracht uitoefende op middengroepen, boeren én delen van de arbeidersbevolking?

Waarom slaagde de SDAP er maar niet in om zoveel aanhang te krijgen dat regeren zonder haar niet meer mogelijk was, terwijl de economische depressie om zich heen greep? De roep om zich te bezinnen op haar koers klonk steeds luider.

Aan Jacques de Kadt kwam de eer toe het nationaal-socialisme en fascisme serieus te nemen en op zoek te gaan naar de gedachten en gevoelens die hun succes verklaarden.

In zijn boek Fascisme en de nieuwe Vrijheid analyseerde hij scherpzinnig en principieel deze bewegingen. Naar het oordeel van De Kadt miste de sociaaldemocratie een herkenbare ethiek en de emotionaliteit om de massa’s te mobiliseren en had ze te weinig oog voor de betekenis van cultuur en beschaving als wapen tegen het barbaarse nationaal socialisme, fascisme én communisme. Te veel was ze blijven steken in de rationeel aandoende marxistische analyse, die een heilstaat in het vooruitzicht stelde, maar die steeds meer aan geloofwaardigheid inboette omdat de actuele maatschappelijke ontwikkeling iets geheel anders liet zien.

In het beginselprogramma van 1937 begon de ommezwaai van de SDAP naar een expliciet ethisch geïnspireerde beweging. Bij de bestrijding van kapitalisme én nationaal-socialisme, fascisme én communisme, ging het om ethische motieven waarop een analyse van de maatschappelijke werkelijkheid en haar politieke doelen waren gebaseerd. Het socialisme is niet iets wat gebeurt, maar wat je wilt.

Hoezeer nationaal-socialisme en fascisme hun invloed deden gelden, bleek uit de gekozen aanpak.

Centraal stond het plansocialisme van de Belgische sociaal-democraat, Hendrik de Man, die weldra wat al teveel instemming met het nationaal-socialisme zou betuigen. Het kwam erop neer dat door de staat geregelde publiekrechtelijke organen de economie moesten aansturen met het oog gericht op het nationale algemeen belang. Welvaart en werkgelegenheid voor allen zouden zo beter worden bereikt dan door een vrijemarkteconomie.

Dit leek wel heel erg op het corporatisme van de nationaalsocialisten en fascisten. Het verschil was dat deze organen onder parlementaire controle zouden worden gesteld.

Net als de New Deal van de Amerikaanse president Roosevelt werden openbare werken en sociale voorzieningen bepleit ter bestrijding van de werkloosheid en tot herstel van de economische groei. In Engeland (Keynes) zag je vergelijkbare opvattingen. Maar ook Hitlers minister van financiën, Halmar Schacht, praktiseerde dezelfde aanpak, zij het mede ten dienste van de Duitse oorlogseconomie. Een toestand die door toedoen van Duitsland en Italië snel voor heel West Europa gold.

De SDAP was uiteraard principieel toegewijd aan de parlementaire democratie, maar dacht op deze wijze een antwoord te hebben gevonden op de totalitaire verleiding. Ze meende steun te kunnen krijgen van progressieve christenen en vrijzinnig democraten, die vergelijkbare ideeën hadden.

De vraag of de corporatistische organisatie met zijn overlegdwang en vergaande bevoegdheden zich verdroeg met de parlementaire democratie, werd niet gesteld. Eveneens werd nauwelijks aandacht besteed aan de vraag of deze dwangmatige verzoening van kapitaal en arbeid wel te verenigen zou zijn met de oorspronkelijke sociaal-democratische uitgangspunten. Beide vragen zouden we nu ontkennend beantwoorden.

De Tweede Wereldoorlog ontnam deze vragen echter iedere actualiteit.

Vlak na de oorlog verdween de SDAP om plaats te maken voor de PvdA. Er was om begrijpelijke redenen heel lange tijd geen enkele animo onder de Nederlandse bevolking om iets te zien in nationalistische populistische bewegingen. Pas rond de laatste eeuwwisseling kwamen ze weer tot leven.

Het moment van hun wederopstanding in Nederland valt merkwaardig genoeg samen met het optreden van de kabinetten Lubbers, Kok en Balkenende. Dat vraagt om een verklaring. Daarvoor is nodig dat ik eerst kort beschrijf hoe de PvdA zich na de oorlog heeft ontwikkeld.

Een bestendige lijn in de naoorlogse periode was de steeds verdergaande liberalisering van de sociaal-economische verhoudingen én de PvdA.

De PvdA kwam voort uit een fusie van de SDAP met progressieve protestants-christenen, rooms-katholieken en vrijzinnig-democraten. Deze PvdA kreeg een beginselprogramma dat sterk leek op dat van de SDAP van 1937. Het plansocialisme kwam er in voor. Voor de SDAP was dit de les van de dertiger jaren. Het plansocialisme was overigens geen lang leven beschoren. Tijdens de rooms-rode coalities (PvdA en KVP later aangevuld met de ARP en gesteund door de CHU) kwam er wel een gematigde voortzetting van de publiekrechtelijke organen en regelingen die de Duitse bezetter had geïntroduceerd. Behalve een paar product en bedrijfschappen resteren van dit stelsel de Sociaal Economische Raad en het door de PvdA gewilde Centraal Plan Bureau. Het CPB is nu een adviesorgaan, dat met behulp van modelmatige berekeningen de regering moet houden aan de spelregels van de markteconomie. De SER vergemakkelijkt het polderen dat nog altijd met een corporatistisch geurtje is omgeven.

Vlak na haar oprichting was de PvdA er veel aan gelegen regeringsverantwoordelijkheid te dragen om zichzelf te bewijzen als effectief drager van het economisch herstel en de uitbouw van de sociale zekerheid. Ideologisch én praktisch was het voor haar verantwoord deel te nemen aan coalities met de christendemocraten, die vooralsnog instemden met een dirigistische aansturing van de economie.

In deze veelgeroemde Drees-periode nam de welvaart toe. Het beleid was succesvol! Maar spijtig genoeg voor de PvdA begonnen de christen-democraten te morrelen aan de gepraktiseerde staatsbemoeienis. Ze wensten een terugkeer naar liberale verhoudingen. (Het CDA staat al weer in de startblokken om deze rol opnieuw te vervullen, mocht de PvdA in de verleiding komen de staatsbemoeienis met de economie te vergroten om de maatschappelijke schade van de huidige recessie te beperken.) Ze kregen steun van werkgevers én werknemers die geen genoegen meer namen met een geleide loonpolitiek, die te lang en te sterk gericht bleef op loonmatiging en hun onderhandelingsruimte beperkte. Beiden hadden belang bij een groeiende particuliere koopkracht en een loonontwikkeling die beter paste bij de groeiende krapte op de arbeidsmarkt.

De PvdA wilde wel bewegen, maar dan mondjesmaat. Vrije loononderhandelingen zouden kunnen leiden tot een inkomensgroei bij de actieve beroepsbevolking in een mate waardoor een gelijke inkomensontwikkeling in een uitgebreid stelsel van sociale voorzieningen niet meer uitvoerbaar was. De christen-democraten namen afstand van de PvdA. Ze staken over naar de VVD en zetten de liberalisering in. De enkele keren dat de PvdA daarna aan een kabinet deelnam, maakte ze er geen punt meer van. Natuurlijk bleef ze pleidooien houden voor een sterke publieke sector die niet moest verarmen ten opzichte van een steeds welvarender particuliere sector. Maar door haar opstelling ontsnapte de PvdA niet aan het risico dat de publieke sector sluitpost werd bij een tegenvallende economische ontwikkeling of omdat de christen-democraten het zo wilden en in staat waren de sociaaldemocraten onder druk te zetten met een dreigende overstap naar de liberalen.

De opstand van een jongere generatie in de jaren ’60 tegen het regenteske establishment van de gevestigde partijen veranderde ogenschijnlijk veel, maar uitgerekend niet de voortdurende druk om de sociaal-economische verhoudingen door liberale beginselen te laten beheersen. Alleen Hans van den Doel, een van de oprichters van Nieuw Links en de belangrijkste auteur van het pamflet Tien over Rood, ondernam nog een poging om de geleide loonpolitiek te herstellen. Zijn eigen politieke vrienden steunden hem, maar maakten er geen breekpunt van in hun pogen het partijestablishment van het kussen te verdrijven. De geleide loonpolitiek was morsdood.

Toch hield de PvdA onder Joop den Uyl haar sociaal-democratische missie overeind. Dat markeerde zijn tragiek, omdat hij er niet in slaagde het liberale tij te keren. Volgens Joop den Uyl zijn er drie goede redenen voor de overheid om zich de middelen te verschaffen, die nodig zijn voor correcties van het marktmechanisme.

In de eerste plaats dient de overheid ervoor zorg te dragen dat de behoefte aan goederen, die niet door de werking van het marktmechanisme geproduceerd en gedistribueerd worden, bevredigd wordt. Het gaat dan om goederen als milieu, landschap, kunst en cultuur.

In de tweede plaats zijn er goederen die, gelet op hun persoonlijke koopkracht, niet door mensen via het marktmechanisme verworven kunnen worden maar wel voor een menswaardig bestaan van wezenlijke betekenis zijn. Je denkt dan bijvoorbeeld aan gezondheidszorg, onderwijs, volkshuisvesting en dergelijke.

In de derde plaats dient er collectieve sociale zekerheid te zijn om mensen te behoeden voor armoede en hen in staat te stellen deel te hebben aan de samenleving.

In de periode Kok was dat geen categorisch imperatief meer. De PvdA had het marktdenken als oplosmiddel voor vele kwalen in de publieke sector in haar armen gesloten.

Met steun van de PvdA was de overheid steeds minder de directe eigenaar en uitvoerder van collectieve voorzieningen. Enkele smaakmakers in de PvdA lieten dat gepaard gaan met aandoenlijke zelfkritiek: de tucht van de markt brengt meer welvaart dan de overheid met haar onkunde en verstikkende bureaucratie. Deugd en ondeugd werden herverdeeld op een manier die Adam Smith, de Marx van het liberalisme, plezier zou hebben gedaan.

Deze terugtocht vond langs een paar wegen plaats. Soms kiest de overheid voor het overhevelen naar de markt. Wanneer er een ruim concurrerend aanbod is en er prijzen tot stand komen die voor gebruikers niet belemmerend zijn om van dat aanbod gebruik te maken, is daar niets mis mee. In alle andere gevallen is enigerlei vorm van overheidsinterventie geboden.

In tegenstelling tot vroeger wordt er nu vaak voor gekozen collectieve voorzieningen over te dragen aan zelfstandige lichamen, die zich als marktpartijen moeten gedragen ten overstaan van hun leveranciers en afnemers. Ze praten over ‘klanten’, ‘producten’ en ‘markt’, en leggen het bestuur in handen van ‘het management’.

Dat mag beschikken over budgetten, die echter links- of rechtsom toch door de overheid worden geregeld. De overheid meent dat op deze wijze de kosten omlaag gaan en de dienstverlening beter wordt. Dit veronderstelt dat de concurrentie, die in het begrip marktwerking ligt besloten, daarvoor zorg draagt.

Van concurrentie is echter geen sprake, waardoor de marktwerkingsfilosofie thuishoort in de prullenbak van de economische onzin. Dit komt omdat de overheid uit rechtvaardigheidsoverwegingen er niet aan ontkomt ter wille van de eindgebruikers, zowel vraag als aanbod te reguleren en de financiering te bepalen. Ze benut daarvoor een lappendeken van subsidies, belastingen, heffingen, premies, inkomenstoeslagen, voorschriften en allerlei toezicht en controles. De burger wordt geconfronteerd met een doolhof, die nog steeds bureaucratisch en daarom moeilijk toegankelijk is. Hij voelt zich in een consumentenrol gedwongen waarmee hij niet uit de voeten kan. Hij is lijdend voorwerp geworden in een Kafkaiaans proces. De beloofde kwaliteitsverbetering en lagere kosten ziet hij niet. Hij voelt zich al helemaal gefrustreerd door het feit dat hij geen verhaal kan halen bij regering en parlement, die zichzelf op afstand hebben gezet, terwijl deze wel aansprakelijk blijven voor deze constellatie.

Het is niet verbazingwekkend dat mede hierdoor 30 à 40% van de bevolking geen vertrouwen heeft in het politieke establishment dat dit heeft bedacht. Het is ook niet verbazingwekkend dat dit geconcentreerd zit bij ouderen met kleine inkomens, middengroepen die het gevoel hebben dat hun welvaart dichter in de buurt van de onderkant komt te liggen en daarom beginnen te twijfelen aan hun sociaaleconomische vooruitzichten en vanzelfsprekend bij de groeiende groep slecht opgeleiden met weinig baanzekerheid en lage inkomens.

Behalve het consumentisme en de marktwerkingsfilosofie bij de overheid, zijn er nog een paar andere ontwikkelingen die het wantrouwen van de burger jegens de overheid aanwakkeren.

De sociale en veiligheidsproblematiek in de wijken met een hoge concentratie aan sociaal zwakkeren - waaronder veel allochtonen - vertoont een grote hardnekkigheid. Bij sommige islamitische allochtonen zie je een radicale afwijzing van onze maatschappelijke orde, waarbij teruggegrepen wordt op fundamentalistische leerstukken. Ze zoeken de confrontatie en enkelen onder hen deinzen niet terug voor het gebruik van geweld. Ze vinden dan autochtonen op hun weg, die eveneens de confrontatie zoeken met verwijzing naar dezelfde leerstukken en het verwerpelijke karakter daarvan.

De burger ziet een weinig consequente en slagvaardige overheid. Dezelfde 30 à 40% die last heeft van de marktwerking voelt zich ook hier het slachtoffer en kan op begrip rekenen bij de overige 60 à 70%.

Hoewel het ver van hun belevingswereld afstaat, zullen de mensen toch met verbijstering kijken naar wat er op dit moment in de financiële wereld gaande is. Ze zien een Verenigde Staten die zich onder de regering Bush, overgegeven hebben aan het maken van schulden in een omvang die niet in overeenstemming is met de prestaties van de reële Amerikaanse economie. Ze zien ook een internationale kaste van bestuurders, managers en toezichthouders, die zich blijkbaar aan iedere democratische controle weet te onttrekken maar wel aan de touwtjes trekt. Zij beschikt over de macht, het inkomen en de leefstijl, die haar vervreemden van de samenleving.

De wereld van de meeste mensen bestaat uit bedragen van enkele duizenden euro’s. In de wereld van deze kaste vliegen honderden miljarden over de toonbank en blijkbaar verdwijnt daarvan veel in het donkere gat van verkeerd uitgepakte roekeloze speculaties.

Als ergens de vrije markt ontucht heeft gestimuleerd, dan is het wel hier. De mensen hebben het angstige vermoeden dat zij wel eens de rekening gepresenteerd kunnen krijgen in de vorm van inkomensachteruitgang, minder voorzieningen en minder werkgelegenheid. Ze vragen zich terecht af wat de regering doet of heeft nagelaten, behalve het redden van een financiële sector, die het spelletje op grote schaal heeft meegespeeld en daardoor in de problemen is geraakt.

Mensen rekenen er in goed vertrouwen op dat banken, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen waken over hun eigen kredietwaardigheid en er diep van doordrongen zijn dat dit inherent is aan hun maatschappelijke functie de reële economie, waar goederen en diensten worden geproduceerd en geconsumeerd, financieel te faciliteren. Ze verwachten dat de centrale bank, andere toezichthouders en de voor hen verantwoordelijke minister van financiën deze taakopvatting afdwingen.

Nu komen ze tot de ontdekking dat dit blijkbaar niet zo in elkaar zit en - nog erger - dat ze voor de gevolgen hiervan moeten opdraaien.

Ze horen Wouter Bos zeggen dat het allemaal schandalig is en dat het financiële stelsel wel anders zal gaan functioneren. Maar na instemmend geknik, zullen ze vragen: hoe bedoelt u? En waarom nu pas? Wat hebben u en de directeur van de Nederlandsche Bank gedaan om het gedrag tegen te gaan dat tot deze crisis heeft geleid?

Niet alleen het vertrouwen in de financiële instellingen is geschaad, maar evenzeer in de regering.

De huidige crisis is veroorzaakt in een financieel stelsel dat bij uitstek laat zien wat globalisering inhoudt. De financiële markten zijn wereldwijd met elkaar verweven. Internationale instituties, zoals het IMF, die de orde en fatsoenlijke mores handhaven, zijn moedwillig verzwakt.

Hoewel niet zo machteloos als ze doen voorkomen, zijn nationale overheden beperkt in hun mogelijkheden effectieve maatregelen te treffen, tenzij ze tijdig en innig samenwerken. Van het laatste raken ze nu pas doordrongen. Evenzeer zie je hun machteloosheid om zich naar dit nieuw verworven inzicht te gedragen. Want ook hier geldt: eigen volk eerst. Niemand kan zich aan de indruk onttrekken dat ze de zaken op hun beloop hebben gelaten. Nu wordt de put een beetje gedempt, waardoor het schaap in leven blijft, maar de weide is verdort.

Het is even uit de aandacht verdwenen, maar een vergelijkbare situatie dreigt bij de milieu-, energie-, grondstoffen- en landbouwproblematiek.

Alle opgesomde problemen slaan terug op de PvdA en niet alleen omdat haar politiek leider minister van Financiën is. Het wordt de PvdA niet kwalijk genomen dat deze problemen er zijn, maar wel dat zij lange tijd verzuimd heeft duidelijk stelling te nemen en er soms medeplichtig aan is.

Uitgerekend van de PvdA hadden de mensen iets anders verwacht. Dit blijkt paradoxaal genoeg uit het hernieuwde vertrouwen in Wouter Bos, die in de kredietcrisis slagvaardigheid heeft gedemonstreerd. Het zal ook blijken uit hun reactie op het anti-recessiebeleid dat nu aan de orde komt. En evenzeer hoe de PvdA vervolgens zal omgaan met de collectieve voorzieningen en de verzorgingsstaat. Dan zal blijken of de PvdA de ‘roots’ weer heeft gevonden, die de mensen in staat stelt in haar vertrouwen te hebben.

De malaise waar we economisch in verzeild zijn geraakt is in belangrijke mate veroorzaakt door de neoliberale illusie, waaraan ook de PvdA ten prooi is gevallen. Het dringt nu pas goed door wat Kok bedoelde met het afschudden van de ideologische veren en zijn pleidooi om in navolging van de New Labour Movement van Tony Blair te kiezen voor een liberale koers.

Het is bovendien niet moeilijk in te zien dat de opgesomde problemen alle ingrediënten bevatten die in het verleden de opkomst van het populisme veroorzaakten. Fortuyn, Verdonk en Wilders komen niet uit de lucht vallen. Vergeleken met hun voorgangers zijn het brave populisten op klompen. Wanneer sociale en economische spanningen echter zouden toenemen, is er een reëel risico dat we te maken krijgen met een agressiever, nationalistisch populisme dat zich afkeert van de parlementaire democratie en zijn heil meent te vinden in het isolement van de volkseigen Heimat.

Wanneer de PvdA electoraal een herkansing wil, dan zal ze moeten breken met de lijn-Kok en terug moeten keren naar haar ideologische uitgangspunten en de ervaring die ze daarmee gedurende haar bestaan heeft opgedaan. Losgelaten op de actualiteit levert zo’n exercitie genoeg bouwstenen op voor een politiek programma dat de PvdA onderscheidt van het centrum.

De woorden sociale markteconomie met een sterke staat, die Wouter Bos nu bezigt, volstaan niet, tenzij ze gevat worden in een redenering die het publieke domein precies positioneert ten opzichte van de markt. Dat sluit marktwerking in de publieke sector uit en beperkt de vrije werking van de markt tot het domein waar zij leidt tot maatschappelijk verantwoorde behoefte bevrediging. Dat vraagt van de PvdA een visie op de samenleving. Zij kan die vinden in haar eigen geschiedenis.

Drs. A. van der Hek was van 1973 tot en met 1987 lid van de Tweede Kamer voor de PvdA.


Reageer op nrc.nl/expert

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie