Mark Rutte maakt de haatzaaier respectabel

Door Bas van Stokkom

Ook opinies kunnen onder handelingen vallen, zei John Stuart Mill. Maar daar heeft Mark Rutte (VVD) geen oren naar. Onder het mom van de vrije meningsuiting brengt hij sympathie op voor haatzaaiers.

VVD-fractieleider Rutte meent dat het vrije woord onder vuur ligt. ‘Je kunt in Nederland bijna niets meer zeggen.’ Zie het gerechtelijke bevel tot vervolging van Wilders en de zaak Nekschot. Hij pleit voor een ruimere vrijheid van meningsuiting. Burgers en politici mogen zeggen wat ze willen zolang ze niet aanzetten tot geweld. Alle andere beperkingen kunnen overboord.

Elsbeth Etty betoogde reeds dat Rutte’s standpunt weinig liberaal is (NRC, 27 januari 2009). Ik deel die opvatting maar zal daarvoor andere argumenten aanvoeren.

De filosoof John Stuart Mill pleitte er in On Liberty (1860) voor dat opinies te allen tijde geuit mogen worden, ongeacht hun waarheid, moraliteit of zelfs schade. Dat lijkt in eerste instantie radicaler dan wat Rutte betoogt. Maar de zaak ligt complexer. Want uitlatingen die zogenaamde ‘performatieve begrippen’ bevatten (zoals samenzweren of ophitsen) vatte Mill op als handelingen. Die konden zijns inziens onmogelijk even vrij zijn als meningen. Volgens Mill verliezen dergelijke uitingen hun immuniteit indien ze aanzetten tot schade, nadeel of aantasting van vrijheid, zeker als gebruik wordt gemaakt van ontoelaatbare middelen zoals liegen of intimidatie.

Precies om die reden zijn allerlei uitingsvormen buiten de dekking van de grondwet geplaatst zoals afpersing, oplichting, laster, opruiing en bedreiging. Onbeperkte uitingsvrijheid spreekt dus bepaald niet vanzelf. En de grens ligt ook niet bij aanzetten tot geweld zoals Rutte en veel anderen menen.

Voorts wantrouwde Mill de ‘tirannie van de meerderheid’. Er is volgens hem bescherming nodig tegen ‘de druk van de gangbare meningen en opvattingen’. Schelden en kwaadwillende uitingen moeten vermeden worden zeker als ze worden ingezet ‘tegen mensen die naar verhouding weerloos zijn’. Natuurlijk, zegt Mill, kun je schelden en kwetsen niet bij wet verbieden, maar je zou die aanvallen moreel moeten veroordelen. Hij zou heden ten dage dus een ‘moraal van openbare discussie’ hebben bepleit.

Vooral op dit punt gaat Rutte de mist in. Zo neemt hij het onomwonden op voor de vuilspuiterij van Nekschot. Op de website van Nekschot stond onder andere: “Marokkanen vertonen vaak een duidelijke overeenkomst met kankercellen: ze passen zich niet aan en parasiteren de gastheer.” Wat Rutte beweegt om dergelijke uitingen te beschermen is mij een raadsel. Wie deze cartoonist typeert als vrijdenker maakt van aanzetten tot haat iets onschuldigs. De haatzaaier wordt zelfs respectabel. Rutte werpt zich aldus op als protagonist van morele zombies. Moraliteit wordt tot een preferentie herleid. Waarom zou je geen racistische of haatdragende voorkeuren mogen hebben? Wie gaat dat wat aan? Bemoei je met je eigen zaken!

Mill had een scherp oog voor machtsongelijkheid. Niet iedere burger heeft de wil of de kunde om zich in het debat te verweren. Bovendien is het voor sommige groepen moeilijk om gehoord te worden. Die ongelijkheid op de ‘meningenmarkt’ is voor Rutte geen issue. Net zo min als bescherming van minderheden.

In feite geeft hij een vrijbrief aan uitingen waarin de rechten van moslims niet worden erkend of hun eigenwaarde in diskrediet wordt gebracht. Dan baan je de weg voor een hetze: het aanhoudend agressief verwoorden van dreigingsbeelden, schadelijke stereotypen en verdachtmakingen.

Een liberale rechtsstaat moet minderheden beschermen. Door afkondiging van vervolging wordt duidelijk gemaakt dat uitsluiting en minderwaardigheid niet worden geduld. Ook al zou Wilders niet veroordeeld worden, dan nog kan er meer ruimte komen om onverbloemde racisten en doorgewinterde haatzaaiers robuuster te vervolgen. Bovendien krijgen moslims het signaal dat zij deel uitmaken van onze politieke gemeenschap en dus ook op rechtsbescherming kunnen rekenen.

Bas van Stokkom is werkzaam aan het Centrum voor Ethiek van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is auteur van Mondig tegen elke prijs. Het vrije woord als fetisj (Boom Juridisch 2008).

Discussieer mee op nrc.nl/expert

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie