De lakmoesproef voor de globalisering: op naar een nieuw Bretton-Woods!

De hoofdrolspelers in de Amerikaanse auto-industrie.
Door Jeroen Touwen

De angst voor stagnatie van de globalisering, zoals verwoord door de gerenommeerde Princeton hoogleraar Harold James in de deze krant op zaterdag 7 februari, is niet helemaal terecht. Politici en industriëlen schaken al jaren op twee borden en zullen de internationale groeikansen niet uit het oog verliezen.

Het is erg jammer dat de EU momenteel zo in het slop zit dat er geen adequaat supranationaal antwoord wordt geformuleerd op de kredietcrisis en de daaruit voortgekomen recessie. Immers, als er één les is die door iedereen uit het verleden wordt getrokken, dan is dat wel dat samenwerking tussen landen cruciaal is voor het herstel van de wereldeconomie.

Verschillende bijdragen in deze krant hebben de afgelopen weken gewezen op het gevaar van nationale reddingsplannen: die hebben immers tot doel de werkeloosheid in het eigen land tegen te gaan en zullen daarom geneigd zijn tot protectionisme. Het ‘Buy American’ is dan wel onder internationale druk uit Obama’s reddingsplan geschrapt, maar ook Sarkozy en Merkel zijn in eerste instantie alleen bezorgd over hun eigen werkelozen, niet in de laatste plaats omdat de sterk bedreigde auto-industrie het zorgenkindje is van de postindustriële diensteneconomie.

Toch hoeven wij deze nationale oriëntatie niet erg te vinden. Het is iets wat we van politici kunnen verwachten: zij moeten immers zorgen voor de belangen van hun electoraat. Het stimuleren van de Chinese werkgelegenheid hoort daar niet toe, hoe prettig de goedkope import uit China voor de consument ook is.

Ondanks al het economisch nationalisme is er reden om de globalisering nog niet meteen af te schrijven. Hier zijn drie invalshoeken die een dergelijk optimisme ondersteunen:

Ten eerste heeft de internationale afgang van het neoliberalisme de geesten rijp gemaakt voor een rehabilitatie van het ‘Europese Sociale Model’. Alle reddingsplannen beogen het leed van de werkloosheid en de recessie te verlichten via overheidsuitgaven en arbeidsmarktbeleid: precies wat in Europese landen al veel langer wordt verkondigd als het passende antwoord op globalisering en outsourcing. Als het gaat om omscholing, gesubsidieerde arbeid en herverdeling van middelen tussen succesvolle (export-)sectoren en de kwetsbare industrieën en inkomensgroepen, is er buitengewoon veel best practice beschikbaar in Zweden, Nederland en Duitsland – expertise waar ook Obama nog heel wat van kan leren. Dit betekent dat landen (lees: beleidsambtenaren) op internationale ontmoetingen hun ogen open zullen houden voor elders opgedane ervaringen. Het betekent ook dat er allerlei vormen van stimuleringsplannen zijn die niet ten koste gaan van de globalisering: immers, de genoemde landen zijn exportlanden die allang hebben aangetoond dat overheidsbemoeienis de internationalisering niet hoeft te hinderen.

Ten tweede is de angst voor een stagnatie van de globalisering niet helemaal terecht omdat de drijvende kracht achter de globalisering, het internationaal bedrijfsleven, zal weigeren terug te gaan naar de jaren dertig van de vorige eeuw. De geschiedenis herhaalt zich niet omdat de context nu heel anders is!

Weliswaar zijn economisch historici het er over eens dat er eerdere perioden van sterke globalisering zijn geweest die niet blijvend bleken, omdat vrijhandel en vrije kapitaalstromen in tijden van crisis plotseling dramatisch werden teruggeschroefd. Na de globalisering in de Liberal Era tussen 1870 en 1914 volgde een periode van protectionisme die duurde tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Maar anderzijds zijn er aanwijzingen dat we nu in een structureel andere situatie zitten. Deze zijn gelieerd aan de motor achter onze economische groei: technologie.

Internet levert een enorme bijdrage aan de ‘platheid’ van de wereldeconomie en er is geen sprake van dat regeringen deze kunnen terugdraaien. Met andere woorden, ondernemers kunnen goed geïnformeerd en razendsnel reageren op ontwikkelingen op de wereldmarkt, ook (en juist!) wanneer deze weer gaat aantrekken. Een ander kenmerk van de recente tijd is het feit dat multinationals, die de helft van de wereldhandel in handen hebben, footloose overal ter wereld de beste productie-allocatie nastreven voor technisch heel gecompliceerde productieprocessen. Zij vormen een geduchte tegenkracht tegen het negentiende-eeuwse nationalisme in de hoofden van politici, en sterker nog, zij hebben de beste kaarten om de wereldeconomie zo spoedig mogelijk weer op gang te brengen. In de praktijk staan wij er veel te weinig bij stil dat veel beslissingen in het krachtenspel van economie en beleid niet worden genomen door onze luidruchtige volksvertegenwoordigers maar door de invloedrijke ondernemers met geld – denk maar aan de invloed op de Europese eenwording van de Europese Ronde Tafel van Industriëlen, en haar grote effect op de introductie van de euro.

Ten derde is er het multilaterale intergouvernementele overleg, dat de afgelopen jaren zo treffend tot uiting kwam in de in 1995 opgerichte, en tot enkele jaren geleden zeer succesvolle onderhandelingsplatform van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Politici, beleidsmakers en ondernemers schaken al jaren op twee borden: dat van de nationale belangen én dat van het creëren van nieuwe groeikansen op het internationale niveau. Punam noemde dit het two-level game. De Doha-ronde van de WTO mag dan momenteel even zijn vastgelopen, evenals de crisisaanpak van Brussel, de infrastructuur van internationaal overleg blijft in stand en de noodzaak om tot afspraken wordt door veel economische actoren gevoeld. Zo biedt de G20-top van Ministers van Financiën en centrale bankiers, die in maart in Londen zal plaatsvinden, nieuwe kansen om tot internationale afspraken te komen. Er zijn talloze stakeholders die het belang inzien van internationale afspraken – met name op het gebied van de internationale kapitaalstromen, waarvan al jaren bekend was dat de regulering ervan tekort schoot.

Als het de wereldeconomie een recessie of depressie doormaakt, zal het volume van de internationale handel dalen. Maar globalisering duidt eerder op een structurele verwevenheid van economieën en deze zal niet meteen verdampen zoals de miljarden verdampen. Een veel groter zorg is dan ook het herstel van het financiële systeem. Hierbij vormt het kaartenhuis van de Amerikaanse creditcard-schulden, waar Noreena Hertz onlangs in deze krant op wees (en die in de portefeuilles van onze pensioenfondsen zitten), een grotere bedreiging dan nationalistische retoriek van in het nauw gedreven regeringen.

Aan de vorige ronde van vergaande en fundamentele internationale afspraken, het succesvolle stelsel van Bretton Woods uit 1944, ging een wereldoorlog vooraf. De structuur van de huidige wereldeconomie geeft voldoende reden om er op te vertrouwen dat dit keer ‘alleen’ een systeemcrisis voldoende is om tot een nieuwe internationale economische orde te komen.

Dr. L. Jeroen Touwen doceert economische geschiedenis en internationale economische betrekkingen aan de Universiteit Leiden

Discussieer mee op nrc.nl/expert

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie