Economische crisis is een kans op een nieuw begin
Het is belangrijk de economische crisis niet alleen als ramp te zien, maar ook als kans op een nieuw begin. In de tussentijd moet er worden opgeruimd en getracht het ergste crisisleed te voorkomen.
Om te weten hoe de crisis moet worden aangepakt en welke perspectieven voor de langere termijn geformuleerd kunnen worden is het cruciaal zicht te krijgen wat ons op korte(re) termijn te wachten staat.
Volgens het Centraal Planbureau komt er in het lopende jaar een economische krimp van 3,5 procent. Voor een instituut dat jarenlang de zeepbellen van aandelen en huizenprijzen als factoren achter de hoge groeicijfers heeft geïgnoreerd is dat een opmerkelijke prognose. Voor 2010 is het CPB dan echter optimistisch en verspelt het een lichte groei. Dat is dan weer een voorspelling die binnenkort herzien zal worden.
De zeepbellen hebben tot extra economische groei geleid en nu ze ontploft zijn (die van de aandelen deden dat ook al in 2000-2001) gaan we deze extra groei weer inleveren. Sinds midden jaren negentig liep de consumptie in veel landen, vooral in de VS en Groot-Brittannië, maar in mindere mate ook op het Europese continent en tot 2001 eveneens in Nederland, met een half tot een heel procent vooruit op de groei van het bruto binnenlands product (BBP). De sterke consumptie was een belangrijke motor van de ontwikkeling van het BBP en werd gefinancierd door spaartegoeden en schulden die veelal gebaseerd waren op het zogenaamde ‘rijkdomseffect’ van de hoog oplopende huizenprijzen.
Het totaal van deze groei op de pof is moeilijk exact te berekenen, maar in de landen met hoge groei en sterk gestegen huizenprijzen lijkt vijf procent of zelfs wat meer van 1995 tot 2007/08 geen onrealistische waarde. De nog moeilijker te calculeren extra economische groei door de ‘securisatie’ genoemde speculatieve handel met hypotheekschulden en andere schulden komt daar nog bovenop en brengt de totale door bovenmatige schulden geïnitieerde groei in de hoog ontwikkelde economieën op misschien tien procent. Illustratief voor deze groei is het grote belang van de City of London in de Britse economie.
Nu het bergaf gaat liggen dezelfde percentages in het verschiet. Dat betekent dat we er met de 3,5 procent van het CPB (en soortgelijke cijfers die ongetwijfeld binnenkort door het IMF en de Europese Commissie voor een grotere groep landen zullen worden gepresenteerd) nog niet zijn. Waarschijnlijker is dat ook 2010 en 2011 jaren van krimp gaan worden.
Voorlopig is er een spiraalbeweging naar beneden aan de gang. Door het ontploffen van de zeepbel zijn burgers, Amerikanen voorop, gestopt excessief te consumeren, China en andere Aziatische landen gaan daardoor aanzienlijk minder exporteren, maar importeren tegelijkertijd minder investeringsgoederen uit met name Japan en Duitsland wat leidt tot economische krimp aldaar, dat treft ook toeleveranciers en exporterende bedrijven in het algemeen in omringende landen zoals Nederland, sterk gestegen huizenprijzen zullen de recentelijk ingezette daling voortzetten, door de ontwikkelingen op de aandelenmarkten zullen pensioenen verder onder druk komen te staan.... En ga zo maar door. Stijgende werkloosheid doet het zijne.
De schuldenproblematiek van de banken – de financiële crisis in engere zin en de daarmee samenhangende vertrouwenscrisis – moet er nog bij worden opgeteld. En dagelijks komen er nieuwe problemen bij, zoals nu de wellicht gedeeltelijk af te lossen schulden van Oost-Europese economieën bij West-Europese banken. Al met al gaat het om astronomische bedragen en het is naïef te veronderstellen dat het karwei over een jaartje is geklaard. Er moet heel wat worden gesaneerd en scheefgroei moet worden rechtgerukt.
Dit is geen pessimistisch beeld, maar een poging tot een realistische inschatting van de situatie – met alle onzekerheden van dien. Positieve aspecten van deze inschatting zijn dat het uiteindelijk kan meevallen en dat een krimp van tien procent de ontwikkelde economieën alleen terugwerpt tot het niveau van slechts enkele jaren geleden. En toen waren die economieën bepaald niet arm.
Het grootste probleem op korte termijn zal, afgezien van de bankencrisis, de stijgende werkloosheid zijn en het gevaar van toenemende sociale ongelijkheid door het ontstaan van een groep van verliezers. Het is van belang dat de politiek daar een oog voor heeft en blijft houden. Sociale pacten tussen werknemers, werkgevers en overheden over korter werken en inkomenscompensatie uit publieke middelen zullen in dat verband cruciaal zijn, liefst op EU-niveau, om te beginnen in de landen met een overlegeconomie zoals in de Alpine landen, de Benelux, Scandinavië en ook Duitsland. De hoop is dan dat andere landen zonder een soortgelijke traditie kunnen worden overgehaald.
Het gevaar van deze strategie is dat, zoals bij de banken al het geval is, de markt gedeeltelijk wordt uitgeschakeld en dat bedrijven worden gesteund die het vanwege hun slecht beleid in de afgelopen jaren helemaal niet hebben verdiend. Die prijs moet dan maar worden betaald omdat het vaak moeilijk is de zwarte van de witte schapen te onderscheiden en omdat werknemers van de eerste groep evenzeer slachtoffer van de crisis kunnen zijn als die van de tweede. En bij een neerwaartse ontwikkeling liggen nieuwe banen natuurlijk niet voor het oprapen.
Sociale begeleiding van een neerwaartse ontwikkeling zal de financieringstekorten waarschijnlijk doen oplopen. De vraag is of er bovenop extra stimuleringsmaatregelen moeten worden genomen. Deze vraag wordt tegenwoordig druk bediscussieerd, vooral in de VS waar Obama en het Congres een reusachtig stimuleringspakket op weg hebben gebracht. Opmerkelijk is daarbij dat hoe langer het debat duurt de critici sterker voor de dag komen dan de voorstanders inclusief Nobelprijswinnaar Krugman. Het centrale kritische argument is dat de effectiviteit van de maatregelen twijfelachtig is en vooral dat het ad hoc beleid is dat niets van de structurele oorzaken van de crisis wegneemt.
Uitzieken lijkt daarom de beste optie. Aan de politiek is de taak dit aan de burgers te vertellen en eraan toe te voegen dat zonder puinruimen geen nieuw begin mogelijk is. Of en waar radicale verandering moet plaatsvinden is een punt van strijd tussen politieke stromingen. Consensus lijkt alleen te bestaan over het afschaffen van de incentives die tot de reusachtige speculatiegolf van banken hebben geleid.
Open kwesties zijn bijvoorbeeld welk belang het milieu moet krijgen (dat de opwarming van de aarde veel sneller gaat dan maar enkele jaren geleden was voorspeld raakt volledig ondergesneeuwd door het dagelijkse crisisnieuws), of in dat verband groei van het BBP en individuele inkomens direct aan harde milieudoelstellingen moeten worden gekoppeld, of productiviteitsgroei niet belangrijker is dan groei van het BBP en of we als westerse samenleving niet af moeten van het hebzucht-individualisme dat de enkeling als creatie van zichzelf voorspiegelt en voor elke prestatie financieel wil worden beloond. Het is nu het goede moment dit soort vragen te bediscussiëren en op basis daarvan een perspectief voor de langere termijn te ontwikkelen.
Uwe Becker is als politicoloog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam
