Klassiek concert moet zich aanpassen aan tijdsgeest van informalisering
'Die stijve sfeer maakt klassieke concerten onnodig zwaar.' Zo luidde de kop van een interview met mij op 2 februari in deze krant. Een aantal lezers is dit in het verkeerde keelgat geschoten. Zij menen dat jongeren juist opgevoed moeten worden in dit genre.
In het interview, afgenomen door Micha Spel, opperde ik de mogelijkheid dat er bij sommige klassieke concerten in en uit gelopen zou kunnen worden. De briefschrijvers interpreteerden dit als 'opleuken' en zijn bang dat er geen plaats meer zal zijn voor stille, geconcentreerde concerten. Maar voor mij is het in en uit kunnen lopen niet meer dan een voorbeeld van hoe een informele sfeer gerealiseerd zou kunnen worden.
Er zijn vele andere manieren. Een meer informele sfeer heeft niets te maken met opleuken. In het laatste hoofdstuk van mijn boek Van hoge naar nieuwe kunst pleit ik vooral voor diversiteit, voor experimenten, die kunnen leiden tot een informeel aanbod naast het bestaande met de nadruk op ‘naast’.
Sfeer en repertoire kunnen overigens niet echt gescheiden worden. Het is goed denkbaar dat een andere sfeer ook eerder zal leiden tot het brengen van een eigentijds repertoire, dat voor meer dan alleen specialisten interessant is. Experimenten moeten daarom vooral geen opstapje zijn voor wat als het ‘eigenlijke’ werk, het klassieke concert in zijn huidige vorm, wordt gezien. Daarmee ontzegt men zich de mogelijkheid dat de experimenten kunnen leiden tot andere serieuze concertvormen met eigen waardevolle kwaliteiten.
Met sfeer is het merkwaardig gesteld. De meeste liefhebbers van het gangbare klassieke concert kunnen zich niet voorstellen dat anderen moeite hebben met de concertetiquette, en de sfeer stijf, dwingend en onnatuurlijk vinden. Zij vinden deze sfeer juist natuurlijk en prettig. Ze past bij hun identiteit en daarom wordt een andere kijk hierop als pijnlijk, zo niet bedreigend ervaren. Overigens geldt het omgekeerde voor de liefhebbers van concerten met een meer informele sfeer, zoals bij jazz- en popconcerten. Voor hen is het moeilijk voor te stellen dat de doorsnee liefhebber van het klassieke concert hun sfeer en omgang met kunst als oppervlakkig, ongeconcentreerd en daarom als onnatuurlijk ervaren.
De ene sfeer is niet natuurlijker of beter dan de andere. Wel geef ik in mijn boek aan dat dankzij een langlopend maatschappelijk proces van informalisering er steeds meer mensen een voorkeur hebben ontwikkeld voor een informele sfeer. Dit verklaart de teruglopende publieke belangstelling voor het gangbare klassieke concert en de vergrijzing van het publiek. In de wereld van de klassieke muziek lijkt nog steeds het idee te heersen dat er met het eigen product niets mis is, maar wel met de mensen. De mensen moeten veranderen en niet het concert. Ze moeten opgevoed worden, zodat ze weer met gemak, plezier en regelmaat twee uur lang in grote stilte willen luisteren naar een klassiek concert. Maar, of men dat nu leuk vindt of niet, het is roeien tegen de stroom in: de tijd kan niet teruggedraaid worden.
Kunsteducatie op de middelbare en vooral lagere school kan de liefde voor kunst zeker bevorderen, mits ze niet bedoeld is voor het klaarmaken van jongeren voor de vermeend superieure, voortdurend stille concertpraktijk. Zo kan zulk onderwijs alleen geloofwaardig en niet paternalistisch of opportunistisch zijn als er geen beperking wordt opgelegd aan de te behandelen of te bespelen instrumenten: nieuwe elektronische instrumenten van elektrische gitaar tot digitale synthesizer en drummachine mogen niet ontbreken.
Het is waar dat een deel van de klassieke muziek, in het bijzonder het romantische repertoire, is geschreven met een stil publiek in gedachten. Maar kunst zelf verlangt niet en de verlangens van de componisten van weleer zijn niet alleen zaligmakend. De mens is vrij om context, vorm en inhoud van kunst naar eigen behoefte te veranderen en heeft dat in het verleden ook steeds gedaan. Overigens hoeft bij andere concertpraktijken de concentratie bij musici en publiek niet minder te zijn, denk aan de geïmproviseerde muziek, de jazz en een deel van de popconcerten. Het hoeft dat ook niet te zijn bij een klassiek concert, waarbij het publiek vooraan op de grond zit, anderen er omheen staan en mensen in de buitenste ring ook zachtjes in- en uitlopen. Musici die hier ervaring mee hebben, vertelden mij dat ze bij dit soort concerten net zo geconcentreerd kunnen spelen als bij een traditioneel concert. Waar ze moeite mee hebben is een traditioneel concert, waarbij het net niet helemaal stil is.
Of dit nu wel of niet een goede ontwikkeling is: bij deze tijd past keuzevrijheid en een rijke keus aan alternatieven. In repertoire en sfeer. Waar het bij het klassieke concert, maar ook bij de dans en in iets mindere mate bij het toneel en de tentoonstelling aan schort, is bovenal een keuze aan uiteenlopende sferen. De hoge kunsten kennen nog steeds overwegend een monocultuur. De sfeer bij een klassiek concert in São Paulo verschilt nauwelijks van die in Berlijn of Amsterdam. Ze is keurig en ingehouden. Zolang deze sfeer vooral de lager opgeleiden uitsloot was ze functioneel, in de zin dat de hoge kunst exclusief bleef. Maar nu ook steeds meer hoger opgeleiden afhaken, komt het voortbestaan van de traditionele kunsten in gevaar. Meer zelfreflectie en zelfkritiek en minder wantrouwen ten aanzien van experimenten is daarom dringend gewenst.
De teruglopende publieke belangstelling voor de hoge kunsten is een acuut probleem. Dit probleem wordt inmiddels onderkend. Er zijn veel initiatieven die gericht zijn op het bereiken van een nieuw publiek en dat opent perspectieven. Zulke ontwikkelingen profiteren het meest van een open discussie waarbij geen enkele zienswijze bij voorbaat taboe is. Met mijn boek nodig ik iedereen uit aan dit debat bij te dragen.
Hans Abbing is hoogleraar kunstsociologie aan de Universiteit van Amsterdam en schrijver van het onlangs verschenen boek Van hoge naar nieuwe kunst.
Gerelateerde artikelen:
- ‘Die stijve sfeer maakt klassieke concerten onnodig zwaar’
- ‘Die stijve sfeer maakt klassieke concerten onnodig zwaar’
- Een leuke avond
- Liever ‘oase van concentratie’ dan avondje uit
- Bij klassieke muziek zit de spanning in de stilte
- Topdirigenten verdienen net zoveel aandacht als de Rolling Stones
- Reken klassieke concerten niet af op bezoekersaantallen
