Nederland is te klein voor een keiharde concurrentie tussen instellingen
Met veel plezier heb ik de constructieve reacties op de opiniebijdragen (NRC, 28 februari) over de kenniseconomie gelezen. Ik ben zeer verrast door de kwaliteit en de kwantiteit van de reacties; deze tonen aan dat het thema lééft!
Gelukkig zijn er veel lezers die de problematiek herkennen: de hoge kwaliteit van het Nederlandse onderzoek, de grote economische en maatschappelijke belangen, en de opvallende onderinvesteringen. Ook al wordt de vraag of het glas half leeg dan wel half vol is wisselend beantwoord, iedereen geeft eigenlijk aan dat de gevolgen van het beleid op dit onderwerp ingrijpend zijn en de toekomst van Nederland bepalen.
Uiteraard kan ik niet alle individuele reacties behandelen, maar moet me hier tot een bloemlezing beperken.
Lisa de Wit wijst terecht op het belang van een thema als zonne-energie. Naar analogie van deze opmerking: we zouden bij kennisinvesteringen moeten kiezen voor sectoren waar mensen van de toekomst werken; geen oude industrie, maar nieuwe industrie dus, van de 21e eeuw.
Louis Tjoeng geeft aan dat we maar blij kunnen zijn met zo’n hoge kwaliteit tegen zo weinig geld. Het is zeker zo dat extra investeringen mogelijkerwijs tot een verdunning van de gemiddelde kwaliteit kunnen leiden, zeker als deze niet goed gericht zijn. Maar, aan de andere kant is het zo dat ik vele terreinen van onderzoek er een kritieke massa gehaald moet worden. Als een onderzoeksgroep zo klein wordt dat deze vanuit het Europese en internationale perspectief onzichtbaar wordt, dan trekt deze niet langer het grootste talent aan en komt in een neerwaartse spiraal. In de praktijk van het wetenschappelijk onderzoek werkt sociaal darwinisme wel degelijk: talent trekt talent aan. Heel belangrijk om hierbij het nationale perspectief te behouden. Nederland is te klein voor een keiharde concurrentie tussen instellingen; men moet juist samenwerken.
J.W. van Steijn geeft aan dat investeren in kennis prima is voor de lange termijn, maar dat de prioriteit nu bij harde infrastructuur moet liggen: dat geeft direct resultaat. Ik zou zeggen: we hebben beide nodig. Zowel op korte als lange termijn moet er hard geïnvesteerd worden. Het beleid van visionaire landen laat zien dat dit ook praktisch kan.
Ik ben het volledig eens met Pieter Parmentier die een lans breekt voor meer samenwerking en kennisuitwisseling. Zie wel al verbetering, maar Nederland zou veel meer als één kennisknooppunt in een wereldwijd netwerk kunnen en moeten opereren. We onderscheiden ons juist door de grote verbondenheid van alle partners.
Ook veel sombere geluiden onder de reacties, zoals van Dr. Hinzler, misschien terecht, maar er gebeurt ook veel goeds en onze jonge onderzoekers verdienen het dat we hen blijven ondersteunen.
Emil Havas vraagt zich af of Nederland niet een handelsnatie is en dus geen onderzoek en innovatie behoeft. Vergeet echter niet dat we nog steeds een stevige industriële poot hebben, in de vorm van zowel grote als kleine bedrijven. En ook als transitoland is er de mogelijkheid door innovatie grote toegevoegde waarde te genereren. Andere segmenten zoals de creatieve industrie laten zich minder goed in deze stereotypen vangen.
Hans de Koning vraagt zich af of deze discussie niet een te hoog VOC-gehalte heeft. Daar ben ik het niet mee eens. We kloppen ons volgens mij juist niet op de borst voor prestaties in het verleden. De investeringen stammen weliswaar uit achter ons liggende perioden, maar de prestaties worden nu geleverd en nemen nog steeds toe. Het zijn de twintigers, dertigers en veertigers die op dit moment goed scoren.
Vele lezers hebben aangegeven dat we alleen extra aandacht en investeringen voor onderzoek kunnen krijgen als de wetenschap ook weet uit te dragen wat het belang is. Die woorden zijn me uit het hart gegrepen.
Ik ben het eens met Hugo Freutel die pleit voor ondernemerschap en aandacht voor design en research. Ik vind echter wel, anders dan hij, dat er veel goeds gebeurt. Zie bijvoorbeeld de acties rondom de creatieve industrie in Amsterdam. Het kan en moet natuurlijk altijd beter.
Jan Voskamp duidt op het belang van realiseren van economisch rendement resp. oplossen maatschappelijke vraagstukken. Het is duidelijk dat wetenschappelijke excellentie niet het enige criterium kan zijn, maar het is wel een noodzakelijke voorwaarde. Ik heb proberen uit te drukken dat als er nu extra geïnvesteerd moet worden juist die gebieden de voorkeur verdienen waar (a) de wetenschappelijke kwaliteit bestaat, (b) aansluiting bij economische sterktes mogelijk is, en (c) er een duidelijk maatschappelijke meerwaarde is. De vele oproepen om hoogwaardige, maar praktische richtingen (bijvoorbeeld rond duurzame energie) sluiten hier goed bij aan.
Ook enkele cynische geluiden rondom het Innovatieplatform. Ik ben het eens met mijnheer of mevrouw De Pagter dat het proces van innovatie aandacht behoeft, ook het opheffen van het IP is wat mij betreft prima, mits innovatie een gegarandeerde topprioriteit voor alle leden van het Parlement wordt. Op dit moment zie ik innovatie nog niet bovenaan de wensenlijstjes van de partijprogramma’s staan.
De heer Voskamp wijst terecht op belangrijke structurele verschillen met Scandinavische landen. Maar de omvang van de kennisinvesteringen spreekt desondanks boekdelen. Cruciaal is ook dat we keuzen maken. Op economisch terrein heeft Nederland wel keuzen gemaakt en doelen gesteld, zie de sleutelgebieden en de KIA.
Ik ben de heer Bots en vele anderen erkentelijk voor de verdere onderbouwing van de adviezen van de (Kennisinvesteringsagenda) KIA. Dit jaar is de KIA-foto gemaakt met hulp van alle partijen en is veel verbeterd, maar zoals de reacties laten zien: het kan altijd nog beter.
De voorstellen van mijnheer Molenaar om de wetenschap verder te brengen zijn veelal sympathiek en verdienen aandacht, zijn soms echter ook 'een tikkeltje te wild', bijvoorbeeld waar hij alle talen door het Engels wil vervangen.
Goed ook dat in dit kader de FES-middelen genoemd worden, onder andere door Sjaak Philipsen. Het is opvallend hoe veel geld langs deze lijn is uitgegeven. Zowel de transparantie van de beoordelingen als de stabiliteit behoeven verbetering. Een andere vraag is waarom we onze aardgasbaten niet gebruiken voor een vaste kennisinvesteringsstroom.
Jan Woning geeft aan dat hard werken nog niets zegt over de kwaliteit van het onderzoek. Maar ook de impact van de citaties is erg groot (nummer 3 in de wereld per onderzoeker). In die cijfers wordt ook de kwaliteit van de toptijdschriften meegewogen. Inderdaad, valorisatie zou daar ook aan moeten worden toegevoegd, maar dat laat zich (nog) slecht meten. In het vervolg wil de KIA-foto dit belangrijke aspect echter wel in kaart brengen.
Velen wezen op de inspirerende voorbeelden rondom ons heen. Niet allen de Scandinavische landen, maar ook Duitsland werd genoemd. Opvallend is wel dat juist die landen die hoog scoren in hun kennisuitgaven nu nog meer investeren, gauw 1 à 2 procent van hun BBP. Voor Nederland betekent dat 6 à 12 miljard euro.
In reactie op het pleidooi van mevrouw Keizers e.a. voor meer aandacht voor talentontwikkeling en hoogbegaafdheid: ik zie steeds meer ruimte ontstaan voor excellentie op alle onderwijsniveaus. Maar de ontwikkelingen zouden veel sterker kunnen worden aangezet. Het Innovatieplatform pleit hier al jaren voor.
Robbert Dijkgraaf is universiteitshoogleraar mathematische fysica aan de Universiteit van Amsterdam, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en lid van het Innovatieplatform (voorzitter premier Balkenende).
