Pensioenen: weinig reden tot ongerustheid
De Nederlandsche Bank heeft geen geduld voor natuurlijk herstel van de pensioenfondsen. Dat is vreemd, want uitsluitend de dagkoers en dagrente bepalen de waarde van de verplichtingen. De toetsingsregels geven daarom een foutief beeld van de werkelijke pensioensituatie. Voor de lange termijn is er geen reden tot ongerustheid.
Volgens Roel Beetsma (NRC Handelsblad, 27 februari) wordt met een verlaging van de lopende ouderdomspensioenen een grens overschreden. Het publieke vertrouwen in het stelsel zou dan weg galopperen en met moeite in slakkengang teruggehaald kunnen worden.
Nog geen half jaar nadat de Nederlandsche Bank als toezichthouder de ‘robuustheid’ van het stelsel in alle toonaarden bezong, is het navrant dat zij niet de souplesse opbrengt om de pensioenfondsen bij de afgrond vandaan te trekken. De minister moest er aan te pas komen om de fondsen een langere hersteltermijn te gunnen, van vijf in plaats van drie jaar.
De Bank is er echter als de kippen bij om te eisen dat “een kortingsmaatregel door het fondsbestuur (zal) moeten worden genomen van een zodanige omvang dat het resterende herstel (om uit een dekkingstekort te komen, WS) wel haalbaar wordt”. Met andere woorden, plannen met draconische pensioenverlagingen liggen in het verschiet. Heeft een fonds over, zeg, twee jaar een dekkingsgraad van bijvoorbeeld 90, dan zal zoveel moeten worden afgestempeld dat in de resterende jaren de dekkingsgraad weer op 105 komt.
Deze effecten zijn zo ernstig dat van de Bank verwacht mag worden, ja geëist, dat ze ook de eigen regels diepgaand tegen het licht houdt alvorens de fondsen met onverantwoorde herstelplannen op pad te sturen. Het is primair het toetsingskader van de Bank dat aan de enorm pessimistische verwachtingen ten grondslag ligt. Dit is volledig gestoeld op wat gerust de ‘gouden standaard’ anno 2009 genoemd mag worden: het accountancybeginsel van ‘mark-to-market’.
Uitsluitend de dagkoersen op de beurs bepalen de waarde van de pensioenbezittingen, uitsluitend de dagrente (van een bijna virtuele markt van leningen tot het jaar 2069) bepaalt de waarde van de pensioenverplichtingen. Het eerste verhoudt zich slecht tot de lange-termijn horizon van pensioenbesparingen. Het tweede behoort tot dezelfde schijnwereld van rekenmodellen van banken waar de hele kredietcrisis om begonnen is. De door de Bank gehanteerde rentes voor de jaren 2030–2069 blijken nagenoeg identiek terwijl toch niemand in redelijkheid kan hopen dat er dan 40 jaren van onveranderde economische gelukzaligheid zullen uitbreken.
De toetsingsregels geven een volkomen foutief beeld van de pensioensituatie, alsof de verplichtingen ons ver boven het hoofd groeien. Niets is minder waar. Anders dan de angst voor vergrijzing doet vermoeden, zijn de pensioenen al heel lang nauwelijks van hun plaats gekomen. Tussen 1980 en 2007 steeg het aandeel van 65-plussers in de relevante bevolking (20+) van 11,6 % tot 14,7%. Over dezelfde periode groeiden collectieve bedrijfspensioenen plus AOW minimaal, zegge en schrijve van 8,7 % van het Bruto Binnenlands Product tot 9,1%.
Dit zal velen verbazen. Er zijn twee belangrijke verklaringen. De AOW is sterk gedaald onder invloed van bezuinigingen. Bovenberg c.s. hebben al lang hun zin gehad, en de gevolgen worden nu pijnlijk zichtbaar. Bedrijfspensioenen hebben deze verlaging moeten opvangen. Daarmee is een transparante, goedkope, risicoloze en maatschappelijk hogelijk gewaardeerde voorziening ingeruild voor een die 30 maal duurder is en zeer riskant blijkt. De tweede verklaring betreft de indexatie van pensioenen. Deze is veelal gebaseerd op de ontwikkeling van CAO-lonen. Dat lijkt mooi maar die zijn onder invloed van voortdurende loonmatiging in de praktijk helemaal niet welvaartsvast. Sinds 1980 hield het gemiddelde CAO-loon ternauwernood de prijsontwikkeling bij; het bleef ver achter bij de verdiende lonen, die stegen met 25% (reëel), laat staan bij het BBP per hoofd van de bevolking.
Conclusie: we doen er goed aan om, net als in de jaren dertig, de ongefundeerde standaard van de Nederlandsche Bank los te laten. Het opofferen van pensioenen, die tot de reële economie behoren, is sterk af te raden. Met handhaving van de AOW en doorgaande indexatie van de pensioenen is er weinig reden tot grote ongerustheid de komende jaren. We moeten ons juist afvragen hoe we de oudedagsvoorzieningen maatschappelijke kunnen optimaliseren. Dat is beter dan ze af te breken.
Wiemer Salverda is directeur van het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies en lid van de deelnemersraad van het ambtenarenpensioenfonds ABP. (De Deelnemersraad vertegenwoordigt belangenorganisaties van werknemers en gepensioneerden.)
