Dieren zijn geen burgers – hooguit hamburgers

Door Coen Simon

Als we een einde willen aan het dierenleed dat onze bio-industrie veroorzaakt dan moeten we in de politieke arena afrekenen met deze menselijke praktijk. En niet via een biologisch-juridische aanspraak op genetische gelijkheid noch via ethische goochelbegrippen als ‘intrinsieke waarde’.

Enkele jaren geleden hadden mijn vrouw en ik een caravan op een vaste kampeerplek op Kampeervereniging Mooi Zeegse aan de Drenthse Aa. Daar brachten we de warme dagen van het jaar door, bij gebrek aan tuin of balkon in onze bovenwoning in Groningen. Op het weggetje van ons stekje naar het gemeenschappelijk sanitair had een echtpaar met een hond een zelfgebouwd huisje, waar ze ook de koude dagen van het jaar doorbrachten. Ze keken vanaf een strategisch punt uit over het terrein van de vereniging en volgden samen met de hond de langslopende kampeergenoten. Steevast op tien passen van hun hekje zette de hond het op een blaffen, zonder ooit over het kniehoge hekje te springen. De Pavlov in mij wist op een gegeven moment welke boom ik passeerde als het zinloze geblaf begon. Maar het geluid kwam niet alleen van de grote zwarte hond. Want op de eerste beweging van de trouwe viervoeter volgde een streng: hier! Daarop blafte de hond en riep het baasje weer: koest! Gedurende de halve minuut die ik nodig had om hun territorium te overbruggen hoorde ik dan dus: HIER! WOEF! KOEST! WOEF! HIER! WOEF! KOEST!WOEF!

U begrijpt dat het onderscheid tussen man en hond niet hoorbaar meer aanwezig was. En misschien was dat onderscheid er bij dit éénhondgezin ook nauwelijks, dat zou kunnen. Maar gelukkig bleef hun gedrag beperkt tot de privésfeer van het fel bewaakte kampeerplekje. Dat is niet het geval met de roep om dierenrechten, die steeds luider de publieke ruimte overstemt. Met de Partij voor de Dieren voorop probeert een steeds grotere groep het intuïtieve onderscheid tussen mens en dier op te heffen, niet alleen op juridisch vlak, ook op emotioneel niveau – ik denk aan de recente kranslegging voor een doodgeschoten Terschellinger edelhert.

Het idee dat dieren net als mensen rechten zouden moeten krijgen, steunt in beginsel op een misvatting die is te vergelijken met de hardnekkige denkfout die door de hele geschiedenis van de mensheid heen velen heeft aangezet tot het bouwen van een perpetuum mobile, een machine die, eenmaal in gang gezet, zichzelf oneindig aan de gang kan houden – in een hedendaagse term: klimaatneutraal. Wie er even over nadenkt begrijpt dat dat niet kan. Toch hebben de vele pogingen een indrukwekkende serie vernuftige apparaten opgeleverd. Met slechts één mankement: ze houden er stuk voor stuk na verloop van tijd mee op. De utopische ingenieurs die hiertoe in staat bleken zou ik zeker een verbouwing van mijn badkamer toevertrouwen, maar geen haar op mijn hoofd overweegt op een van hen te stemmen als ze in de politiek gaan om te bouwen aan een betere samenleving. Technisch uitstekend onderlegd, maar het ontbreekt aan realiteitszin.

Hetzelfde geldt dus voor de liefdevolle pogingen van steeds meer mensen om dieren rechten te geven, net als wij die hebben. Wie er even bij stilstaat begrijpt dat dierenrechten nergens op slaan, maar het idee ervan is zo aantrekkelijk (het zou de oplossing moeten zijn voor zoveel zinloos dierenleed) dat ook hier het menselijke verstand zich door een te sterke wens in spitsvondige bochten laat wringen. Enkele veelgehoorde voorbeelden: van vrouwen en slaven leek het ook ondenkbaar dat ze ooit rechten zouden krijgen, even ondenkbaar als rechten voor dieren. En daarom is er een emancipatiebeweging nodig voor dieren. Of: een mens is ook een dier, dus zou het uitsluiten van dieren ‘racisme’ op niveau van de soort zijn. Dit wordt speciësisme genoemd, in navolging van Princeton professor Peter Singer, de meest invloedrijke intellectuele voorvechter van dierenrechten. Hij bedacht ook deze redenering: dieren kunnen weliswaar niet voor eigen rechten opkomen, maar dat is niet anders met menselijke zuigelingen, zwaar gehandicapten, dementerenden, en hun ontzeggen we toch ook niet hun recht? Een gangbare redenering op de PvdD-burelen is: het dier dat bewustzijn en gevoel heeft net als de mens, heeft een ‘intrinsieke waarde’ en alleen daarom al recht op rechten. Ten slotte nog een nieuwe spitsvondigheid die voorkomt in het begin april te verschijnen Democratie voor dieren van filosofisch-activist Erno Eskens. Ieder mens krijgt bij zijn geboorte burgerrechten en pas als daar aanleiding toe is verliest hij deze gedeeltelijk, dat kunnen we bij dieren dus ook zo doen. In beginsel zouden alle dieren vanaf hun geboorte burger kunnen zijn.

Het dier als burger. Ik zou zeggen, dat is nu juist het probleem van grote groepen dieren in een moderne menselijke samenleving, dat ze worden geboren als burger, met het rund als de ongekroonde burgerking. En vergeef me de grap, want ik neem de dierenkwestie uiterst serieus. De omgang tussen mens en dier is, zacht uitgedrukt, behoorlijk uit het spoor gelopen. De dierenrechtenactivist en ik hebben dus een gedeelde zorg: het onerbarmelijke lot van vele dieren, in de eerste plaats de slachtoffers van de bio-industrie. Maar het voorkomen van het buitensporige dierenleed dat onze samenleving iedere dag standaard produceert zal niet gaan via de kronkelende wegen van het dierenrecht, integendeel. Mens en dier zullen met deze verjuridisering en verwetenschappelijking van onze morele plicht jegens de natuur in het algemeen en de dieren in het bijzonder, in een oneindige wirwar van regels verstrikt raken, waarbij de samenleving zelf niet meer beslist over zijn lot, maar de rechter en de bioloog dat moeten doen, samen op één stoel.

Al vind ik het licht mensonterend om een dier van mijn eigen soort in de krant te moeten uitleggen waarom het dierenrecht een juridisch perpetuum mobile is, ik zie me gezien de stijgende populariteit ervan gedwongen het toch te doen. Ik deed eerdere pogingen. Ik vertrouwde op de redelijkheid van de lezer, maar de groei van het aantal dierenrechtenaanhangers is er niet geringer op geworden. Dat ligt natuurlijk niet aan mij, maar aan de tijdgeest. Want waarom bestaat op dit moment een breed gedragen steun voor dierenrechten?

Allereerst natuurlijk, omdat het sympathiek is om vóór dierenrechten te zijn – je bent dan immers een dierenvriend én tegen diermartelingen, wat kan daar nu tegen zijn? Een andere verklaring voor de gestage steun voor dierenrechten is de even gestage bewustwording van de grootschalige wijze waarop we dieren gruwelijk behandelen. De derde verklaring noemde ik al, die ligt in het vernuft van de voorstanders. Het gegoochel met juridische en rechtsfilosofische begrippen maakt al gauw een weloverwogen indruk, maar feitelijk draaien ze met speciësisme, intrinsieke waarde, burger- en afweerrechten de argeloze dierenvriend een rad voor ogen.

De belangrijkste en veel omvangrijker oorzaak van deze moderne utopie echter, is de verschuiving van het geloof in God naar het geloof in de wetenschap. Niet iets van gisteren dus, maar een verschuiving die haar oorsprong in de zeventiende-eeuwse Verlichting heeft. Het vreemde en allesoverheersende debat tussen gelovigen en darwinisten is een symptoom van deze ontwikkeling. Schepping of evolutie is een vals dilemma, omdat geen enkele evolutie een schepping uitsluit en vice versa. Waarom, kun je je afvragen, vliegen gelovigen en wetenschappers elkaar dan hierover in de haren? Omdat er wél iets anders op het spel staat, namelijk wie de morele richting van menselijke samenleving bepaalt: God of Darwin? De theologie of de biologie? En de laatste is duidelijk aan de winnende hand. Robbert Dijkgraaf, president van de KNAW liet zich op Darwins verjaardag ook publiekelijk ontvallen dat de kennis van evolutie van invloed zal blijken op onze moraal. Hij zal het goed bedoeld hebben, maar het is een bedenkelijke opmerking. Bij de voorstanders van dierenrechten wordt het probleem ervan het allerduidelijkst zichtbaar. Een exemplarische opmerking van Peter Singer tijdens een debat in Amsterdam in 2001: „Discriminatie op soort – speciësisme – is nog alomtegenwoordig. Alleen het woord ‘dier’ al. We reserveren die term doorgaans voor octopussen, varkens en apen, maar als het om mensen gaat, spreken we meestal niet over dieren. We doen alsof het verschil tussen ons en een chimpansee groter is dan het verschil tussen een chimpansee en een octopus. Maar iedereen die iets van biologie begrijpt, weet dat dit volstrekt absurd is. Als je het DNA vergelijkt, dan staan wij dichterbij de chimpansee dan de chimpansee bij de gorilla.”

Voorstanders van dierenrechten nemen zonder uitzondering de biologie als maat van alle dingen en negeren de eigenschappen van mensen en dieren die we op het niveau van de concrete wereld ontegenzeggelijk aantreffen. Om het anders te zeggen: hoe dicht chimpansee en mens elkaar genetisch ook naderen afgezet tegen het DNA van de octopus, als we de drie wezens vragen afzonderlijk de ark van Noach te vullen, dan blijft bij de octopus de ark leeg en vult de chimpansee deze in het gunstige geval tot de nok toe met bananen. Alleen de mens is in staat naast zichzelf, aap én octopus in te schepen.

Wie de bioloog of de wetenschapper het laatste woord geeft over de moraal ontneemt de burger en de politicus de mogelijkheid om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag. Fractievoorzitter van de PvdD, Marianne Thieme, vraagt zich bijvoorbeeld af in haar zojuist verschenen pamflet Het gelijk van de dieren. Het geluk van de mensen hoe we het ethisch kunnen verantwoorden honden en chimpansees aan wrede experimenten blootstellen als we weten dat een hond „voor 92,5 procent hetzelfde DNA als een mens heeft, een chimpansee zelfs voor 98,8 procent”. Ik heb mij, terwijl onze hond zijn hoofd in mijn schoot legde, nooit afgevraagd of we genetisch wel genoeg op elkaar lijken om zoveel genegenheid te voelen voor die ouwe lobbes. Eskens maakt het met het vertrouwen in het oordeel van wetenschap in het eerder genoemde ‘Democratie voor dieren’ nog bonter: „Stel bijvoorbeeld dat het [] dier geen pijn kan voelen, dan zouden we het dier kunnen uitsluiten van het recht om niet gemarteld te worden.” En kijk, daar keren dierenrechten zich al in een vervelend tegendeel. Het kapotmaken van een gevoelloos dier, zeg een zeespons, is natuurlijk nog steeds vrij respectloos, maar de wetenschapper en de dierenjurist kunnen er niets tegenin brengen – al helemaal niet omdat de zeespons ook in duizend stukjes gewoon doorleeft.

Nog even buiten beschouwing gelaten dat het wetenschappelijk gezien hoogst problematisch is om aan te tonen óf een dier pijn voelt en hoe deze pijn wordt ervaren, wat deze wetenschappelijke blik op rechten dreigt te verhullen is de wijze waarop het menselijk recht normaal gesproken totstandkomt. Waar mensen gemarteld worden, hoeft de wetenschap er ook niet aan te pas te komen. Ons eigen voorstellingsvermogen en onze eigen afkeur zijn doorslaggevend in de strafmaat.

Maar die menselijke maat zit ons vaak niet lekker. Blijkbaar hebben mensen behoefte aan een autoriteit waar het morele kwesties betreft, waardoor de weggevallen God meteen wordt opgevolgd door een nieuwe heerser, de wetenschap die het weet, of het anders in de toekomst zal weten. Maar wil de mens weten hoe hij met zijn wereld moet omgaan, dan moet hij die leidraad toch halen uit de eigen menselijke ervaring. Hij moet zijn overtuigingen en bewijzen aan de oppervlakte van ons bestaan onttrekken, níet aan de duistere gene zijde van het geloof, noch aan de blijmoedige maar even ongewisse toekomstmuziek van de wetenschap.

Als richtsnoer voor dit leven aan de oppervlakte beschikt de mens over een krachtig instrument: de politiek. Dáár worden menselijke meningen en gevoelens verdeeld aan de hand van de politieke macht, die in de handen ligt van de mensen zelf. Het innerlijk tegenstrijdige aan de politieke Partij voor de Dieren is dat deze met het dierenrecht als einddoel het dierenleed zélf depolitiseert en het daarmee uit het domein van het menselijk mededogen haalt. Zoals ik al zei, vanaf dat moment beslissen de rechter en de bioloog over het lot van dier en mens.

Hoe vriendelijk en vooral gemakkelijk het op het eerste gezicht ook lijkt, dierenrechten, de oorsprong van ieder recht blijft politiek. Het is niet zo dat we een dierenwetboek schrijven en dan het dierenleed gewoon even ‘wegregelen’. Sterker nog, het menselijke mededogen zal worden vervangen door een eindeloos procederen tegen onrecht.

De mens bepaalt hoe de mens zich moet gedragen, niet hoe dieren zich moeten gedragen. Als we een einde willen aan het dierenleed dat onze bio-industrie veroorzaakt dan moeten we in de politieke arena afrekenen met deze menselijke praktijk, niet via een biologisch-juridische aanspraak op genetische gelijkheid noch via ethische goochelbegrippen als ‘intrinsieke waarde’.

Zeker met dit laatste veelgehoorde begrip in dierenrechtenkringen komt het probleem van dierenrecht overduidelijk bovendrijven. Een waarde is natuurlijk nooit ‘intrinsiek’. Een waarde, de waarde van dingen, dieren en mensen worden allemaal bepaald door ons, wij mensen.

De utopische voorstellen van de dierenrechtenaanhangers leggen onbedoeld deze politieke conditie van de mens bloot. Het allermeest in Eskens’ groteske idee om een vaste vertegenwoordiging in de Kamer toe te laten die spreekt namens het stomme dier. Met dit gratuite gebruik van het politicologische begrip van volksvertegenwoordiger benadrukt de filosofisch-activist juist de diepe kloof tussen mens en dier. Dieren hebben geen stem en kunnen dus ook niet meestemmen. Ze zijn principieel uitgesloten van het politieke spel. Je kunt ze wel stemrecht geven, maar geen hond zal naar de stembus komen.

Coen Simon is filosoof. Op de site nrc.nl/discussie kon gereageerd worden op dit artikel. Lees hier zijn reactie op de discussie .

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie