Alleen in Fabeltjesland zijn dieren gelijk aan mensen

Nieuwkomer Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren kwam met twee zetels het parlement binnen.
Door Coen Simon

De roep om dierenrechten wordt steeds luider. Dat is onzinnig, betoogde Coen Simon op 14 maart in deze krant. Vandaag reageert de filosoof op de reacties die zijn betoog tegen dierenrechten losmaakte.

Dat er zoveel uiteenlopende reacties komen op een opiniebijdrage over dierenrechten is de enige gelukkige bijwerking van een in principe utopische behoefte aan een rechtssysteem waarin dieren een gelijke behandeling krijgen als mensen.

De Partij voor de Dieren (PvdD) heeft met succes onze omgang, en vaak wrede omgang met dieren op de politieke agenda gezet. En daar mogen we blij mee zijn. Want het buitensporig dierenleed in onze samenleving lijkt nog niet tot onze collectieve bewustzijn te horen. De wijze waarop de meeste voorstanders, en ook de PvdD, hun pleidooi voor een betere dierenwereld voeren heeft echter vooral veel kwalijke kanten.

Uit de reacties begrijp ik dat niet iedereen ziet waarom, zoals ik schreef, “dierenrecht een juridisch perpetuum mobile” is. Er bestaat veel verontwaardiging over deze opmerking, maar alle pogingen die vervolgens worden gedaan om te laten zien hoe dat recht dan wel tot stand moet komen stranden in wanhopige voorstellen zoals die van Erik van Vliet: “We moeten durven beginnen en dan maar zien wat de toekomstige realiteit wenselijk maakt. Je zou de grote mensapen als eerste status van rechtsubject kunnen geven. Eveneens een willekeurige grens natuurlijk maar je maakt wel een statement en je zet de deur open voor verdere grensverleggingen.”

Hij laat even daarvoor zien dat het heel lastig is om “gelijke rechten” te geven aan mens en dier: “Ik ben gelijkwaardig aan ieder medemens, aan iedere bonobo, aan iedere chimpansee, aan iedere baviaan, iedere hond, iedere rat, iedere hagedis, iedere haring, iedere kakkerlak en ieder eencellig organisme waarvan grote aantallen vrolijk onder de rand van mijn wc-pot rondspartelen totdat de massamoord met de wc-eend er een einde aan maakt. Met andere woorden; als je de grens tussen de mens en zijn naaste verwanten opheft, waar leg je dan de nieuwe grens?”

Ondanks deze zelfkritische vraag willen Van Vliet en anderen met behulp van de biologische wetenschap toch proberen het dierenrecht een grond te geven. Paul Voestermans oppert zelfs dat wetenschap democratisch is. Dat wetenschap niets met een volkswil te maken heeft lijkt mij evident, maar de wijze waarop steeds vaker in morele kwesties een beroep wordt gedaan op de wetenschap doet vermoeden dat dit toch enige uitleg nodig heeft. De wetenschappelijke methode is het enige instrument dat een mens heeft om tot zekerheid te geraken, maar deze zekerheid is ten eerste nooit gegarandeerd en ten tweede vanwege de traagheid waarmee ze tot stand komt niet bruikbaar voor dwingende morele afwegingen.

Twee voorbeelden voor dit laatste. De wetenschapper die tijdens werkuren meent te hebben aangetoond dat de vrije wil niet bestaat, moet in de avonduren toch weer kiezen wat ‘ie wil eten. En dan heeft hij bijzonder weinig aan zijn wetenschappelijk determinisme. Het andere voorbeeld kreeg ik eens van een hoogleraar psychiatrie in de schoot geworpen. Hij beklaagde zich over het steeds sterkere verlangen uit de politiek om een medisch antwoord te krijgen op de vraag wat bijvoorbeeld een depressie inhoudt. Maar het antwoord op de vraag wanneer iemand depressief is, zei hij, wordt voor het belangrijkste deel door de maatschappij zelf bepaald.

Het is natuurlijk een menselijke neiging om ons te willen kwijten van lastige morele kwesties via een beroep op de letter van de wet. Maar behalve wetenschappelijke wetten kan ook de juridische wet geen morele problemen oplossen. Aan elk recht ligt weliswaar een moreel probleem ten grondslag, maar voor dat probleem moeten we (nog zonder regels) een politieke oplossing bedenken, pas dan volgt er eventueel een wet.

Ik zeg ‘eventueel’, omdat ‘recht doen’ niet hetzelfde is als juridisch recht doen. Zoals onder meer Ruud Wiemer denkt: “Dieren behoren ‘goed’ te worden behandeld. Daar is praktisch iedereen het mee eens. De volgende logische stap is dat dierenrechten geen onzin zijn.” Als je een vrijwilliger van dierenbescherming complimenteert met zijn buitengewoon onbaatzuchtige inzet dan doe je zo iemand recht. En dat heeft dan niets met een wetboek te maken, dat begrijpt Wiener binnen deze context vast ook wel.

Het menselijk recht is het resultaat van een politieke afweging van menselijke belangen. De beoogde dierenrechten zijn dat niet. De pogingen om onze verhouding tot het dier via een sluiproute in juridische regels vast te leggen gaan voorbij aan deze politieke conditie van de mens.

De gelijkschakeling van mens en dier die de voorstanders van dierenrechten voorstaan (in de meeste gevallen dus ook nog biologisch geïnspireerd) behelst eenzelfde idealistische misvatting van de verhouding die de mens heeft tot zijn wereld. Een van de ergste vergelijkingen die telkens de kop opsteekt is die tussen het stomme dier en de niet-verbale mens, zoals een zuigeling of een iemand met een ernstige verstandelijke beperking. De niet-verbale mens leeft in een compleet andere gemeenschap en heeft compleet ander ‘naasten’ dan het stomme dier en behoort daarom in een andere rechtsgemeenschap dan het stomme dier – ook hieraan ligt een lange politieke besluitvorming aan ten grondslag.

Het grootse kwaad van de PvdD ligt in deze voortdurende gemakzuchtige, maar puur abstracte gelijkschakeling, die ook tot uiting komt in de kranslegging voor een edelhert of de oorkonde aan een brandweerkorps dat twee poezen uit de boom redt. Een dergelijke egalisering is een klap in het gezicht van de menselijke beschaving met haar eigen verworven rechten en haar eigen verworven rituelen. Nee, dat dieren precies zo zijn als mensen, dat staat alleen in de krant van fabeltjesland.

Coen Simon is filosoof. Dit is een reactie op de discussie 'Zijn dierenrechten onzin?'

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie