De crisis en de moraal
De financiële crisis is een crisis van de moraal, zei Wouter Bos. Heeft hij daar gelijk in? Je zou het wel zeggen als een bankier het boetekleed aantrekt en ons vertelt dat hij “genoeg aanleiding heeft gehad om nadrukkelijk te wijzen op symptomen waar ik me ongemakkelijk bij voelde”.
Een bankier voelt wanneer het scheef zit. Er moeten er natuurlijk veel meer zijn die gevoeld hebben gehad dat het scheef zit. Zo werkt het gevoel wanneer het afgesteld is geraakt in de praktijk van het bankieren. Dat onderscheidt een deskundig bankier van een willekeurige financieel econoom, wetenschapper of politicus: hij voelt wanneer het scheef zit.
Dat een dergelijk gevoel toch onder de mat geveegd kan worden en de kans niet krijgt om tot daden aan te zetten, heeft weinig met moraal te maken en alles met gebrek aan regels. Maar die regels moeten wel ergens bij aansluiten.
Het heeft ongeveer een eeuw geduurd – van zo ongeveer vanaf de verschijning van Het Communistisch Manifest in 1848 tot na de Tweede Wereldoorlog – vooraleer er voldoende sociale regelgeving werd bedacht en geïmplementeerd ter bestrijding van schrijnende sociale ongelijkheid. Nog zijn we er niet, maar armoede is in de Eerste Wereld van het Westen het vraagstuk van een minderheid. Het is bijna onvoorstelbaar dat een goede eeuw geleden in Engeland 10% van de bevolking ongeveer 90% van Engeland bezat en één imperium ongeveer in een kwart van wereld de dienst uit maakte. Het ging om bijna 500 miljoen mensen en bijna 34 miljoen vierkante kilometer. Er moet nog veel gebeuren maar er is een onmiskenbaar gevoel ontstaan dat zoiets wat in Engeland gebeurde geen oplossing is. We maken nu een verandering door die aansluit bij wat intussen sociaal gevoel is geworden. Onomkeerbaar zal ook de rest van de wereld bij betere sociale regelgeving betrokken worden. Dat is het resultaat van de hoofdzakelijk Westerse proeftuin van een eeuw sociale kwestie.
De veranderingen van de jaren zestig en zeventig brachten het besef met zich mee dat de aarde niet onuitputtelijk was en het milieu kwetsbaar. De Club van Rome luidde de noodklok. Dat leidde tot ecologische regelgeving. We zitten nu midden in de vormgeving daaraan. De noodzaak ervan wordt steeds duidelijker, wat je verder ook van de opwarming van de aarde vindt. Dat er nog steeds mensen zijn die het zo’n vaart niet vinden lopen, doet niets af aan de noodzaak de aarde door ecologische regelgeving zo veel en zo goed mogelijk voor het nageslacht te bewaren. We zijn er nog lang niet, maar het gevoel van urgentie is er. Dat gevoel wordt intussen gekoesterd en uitvergroot, hoe dan ook. Ook dat gebeurt intussen wereldwijd.
De kredietcrisis en de economische teruggang maken duidelijk dat we een begin moeten maken met een derde vorm van regelgeving, de moeilijkste wellicht, maar wel even noodzakelijk als de vorige twee: de financiële. Ook hier moet bij gevoelens worden aangesloten. Het probleem hier is dat de geschiedenis van het geld (zie bijvoorbeeld Niall Fergusons, The ascent of money) wel aantoont dat dat heel moeilijk zal zijn. Geld is niet zomaar een onderdeel van onze maatschappij, het is vermoedelijk het meest beslissende. Maar ook het meest obscure, zozeer dat we nu pas beseffen om welke gevoelens het gaat. Geld kapitaliseert blijkbaar op menselijke gevoelens die heel gemakkelijk ontregeld kunnen raken. Of beter gezegd, die het moeilijks te reguleren zijn. Wie kent niet de verzuchtingen dezer dagen over hebzucht? Zouden we echt allemaal afgesteld zijn geraakt op hebzucht? We zijn getuigen van het eerste begin van ook hier een verandering van gevoelens
De bekentenis van Floris Deckers is op dit punt interessant en hoopgevend. Er bestaat een tuning van het gevoel dat in elk geval nog steeds voor alarmering zorgt. Dat gebeurt in de groep van experts. Deckers is daar een voorbeeld van. Maar deze oorspronkelijke fijnregeling van dat gevoel in de gemeenschap van experts (je kunt ook van feeling spreken die je krijgt als je lang genoeg verkeert in de beroepsgroep van bankiers) mag niet gemakkelijk ongedaan worden gemaakt. De feeling moet geruggensteund worden door regelgeving. Dat is andere koek dan moraal.
De bekentenis van Deckers laat zien dat er bij bankiers nog steeds iets plaatsvindt dat een weermiddel kan zijn tegen hebzucht: feeling voor het vak. Weliswaar onder druk van de omstandigheden, maar bij experts blijkt zich nog steeds iets te roeren dat niet zomaar buiten spel komt te staan. Dat is belangrijker dan moraal. Vanuit die feeling geeft Deckers goede raad: ondersteun de feeling van de expert met expliciete regels. Hij geeft er een zestal: (1) banken moeten weer werken aan de beantwoording van de echte vraag van klanten; (2) risico’s moeten zeker worden genomen, anders beweegt er niets, maar zeker niet tot elke prijs; (3) zorg voor transparantie en een juiste balans tussen de zo begeerde beweeglijkheid van de koersen en tegelijkertijd de onvermijdelijke zucht naar zekerheid bij de klanten; (4) zorg voor echte, gewaarborgde service, waarvoor dan ook een redelijke prijs gevraagd mag worden en richt je gescheiden daarvan op het nemen van risico; met andere woorden, geen onduidelijke vermenging van beide; (5) banken moeten weer gewoon banken worden, geen beleggingsobjecten; (6) zeker geen bonussen die meer zijn dan het salaris, en als die prikkel dan toch echt nodig blijkt (wat nog steeds niet duidelijk is; aan het werk onderzoekers!), keer ze dan pas uit als de lange termijndoelen zijn gehaald.
Een prachtig begin. Deze punten laten duidelijk zien dat het niet om moraal gaat. Het gaat om regels die aansluiten bij waar bankiers feeling voor blijken te hebben. Zo goed zit de beroepsgroep nog wel in elkaar, leert ons deze ene bekentenis. Meer hebben we er niet nodig, tenzij er nog een aanvulling kan worden gegeven op dit mooie begin van Deckers. Die regels moeten juridisch worden verankerd, zoals dat ook het geval was bij sociale en ecologische regelgeving. Dat het lang zal duren, zal niemand verbazen, maar dat het nodig is, blijkt wel.
Paul Voestermans schreef samen met Theo Verheggen Cultuur & Lichaam (Oxford, Blackwell, 2007), een cultuurpsychologisch perspectief op patronen in gedrag.
