Ik wil best in pinguïnoutfit saxofoon spelen

Door Ties Mellema

Experimenteer met de vorm om klassieke muziek aantrekkelijker te maken. Want het gaat om de inhoud en de overdracht daarvan.

In alle commotie rondom het pleidooi van Hans Abbing (nrc.next, 3 februari) voor een lossere setting bij klassieke concerten, heb ik nog geen commentaren van musici zelf mogen lezen. Hoe komt dat? De discussie is belangrijk, zeker, maar zij gaat ook voor een relatief groot gedeelte aan me voorbij. Ik ben saxofonist en treed op de ‘klassieke’ concertpodia op als solist en in het Amstel Quartet. Ik ben naar het conservatorium gegaan om zo goed mogelijk muziek te spelen en om die te communiceren naar en met mijn publiek. Dat is wat ik het liefst doe. It’s as simple as that. Of dat gebeurt in een accountantspak, een hippe, hedendaagse designoutfit of een negentiende-eeuws pinguïnpak zal mij eerlijk gezegd worst wezen.

Abbing spreekt van informalisering en de botsing daarvan met de huidige (klassieke) uitvoeringspraktijk. Hij heeft zeker een punt. Ik denk dat het belangrijk is dat er nieuwe vormen voor klassieke muziek gevonden worden. Ook ik vind het makkelijker om te spelen voor een ietwat onrustig publiek dan voor een net niet stil, kuchend publiek.

‘De klassieke wereld’ realiseert zich gelukkig ook dat er iets moet gebeuren. Dat gebeurde tot een aantal jaren geleden door middel van vage samenwerkingsprojecten van klassieke musici met dj’s, pop- en rockmusici, wereldmusici en andere cross-overs die meestal (in ieder geval artistiek gezien) niet zo succesvol waren. Het idee erachter leek mij vooral dat de niet-klassieke artiest voor een nieuw publiek moest zorgen, dat dan later naar de ‘gewone concertzaal’ zou gaan. Ik heb geen studies gezien over het succes van deze projecten, maar het leek mij beperkt.

Nu experimenteren we met vorm, in plaats van met de inhoud. Dat is een zeer goede ontwikkeling. Ik wil namelijk gewoon blijven doen wat ik al deed. De muziek die ik speel, is over het algemeen al zo goed dat die niet hoeft te worden opgeleukt. En of dat voor een publiek is waarbij de buitenste ring respectvol naar binnen en buiten loopt, maakt me in eerste instantie niet zoveel uit. Het zou zelfs wel eens kunnen zijn dat het mijn uitvoering ten goede komt. De sfeer is losser en ik als uitvoerder ben dat ook. Maar dat kan per muzikant en per concertprogramma of zelfs compositie verschillen. En per publiek, zoals bleek uit een aantal reacties in deze krant op het pleidooi van Abbing. Het belangrijkste is dat het in ieder geval niet ten koste gaat van de uiteindelijke uitvoering.

Cooperative Creative Musicians, een nieuw muzikantencollectief waar ik deel van uitmaak, zoekt naar deze grenzen. In het eerste onderzoek onderzochten we in hoeverre we de uitvoering van Bach voor publiek konden ontdoen van vorm (informaliseren!). Bach als uitgangspunt, omdat het dan in ieder geval niet aan de muziek zal liggen. Uiteindelijk bleek, na een aantal dagen uitproberen en discussiëren, dat er altijd een andere ‘stijve’ vorm voor in de plaats komt. Werkelijke informalisering leek ons uiteindelijk niet mogelijk. Wel konden we ons effectief ontdoen van de meeste concertzaaletiquette. Het publiek en de uitvoerders bewogen zich door de ruimte, improviseerden stukken aan elkaar en werkten interdisciplinair. Zonder dat we het gevoel hadden dat de uiteindelijke muziek eronder leed.

Want om de muziek en de communicatie daarvan gaat het, en in welke vorm die gebracht wordt, doet uiteindelijk niet ter zake.

Ties Mellema is saxofonist. Hij speelt in het Amstel Quartet, waarvan hij mede- oprichter is. Hij is tevens docent aan het conservatorium in Arnhem.

Reageer op nrc.nl/expert

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie