De krant heeft geen overheidsgeld nodig
In plaats van te klagen over de terugloop van zesdaagse abonnementen, kunnen kranten beter innoveren, betoogt Birgit Donker. Met kranten die dat doen gaat het juist goed.
Vreemd toch, om telkens te moeten horen hoe slecht het gaat met de dagbladpers als je werkt voor een mediabedrijf dat het goed doet. Dat regelmatig primeurs heeft, dat een prima bedrijfsresultaat behaalt en dat de afgelopen tien jaren meer innoveerde dan de decennia ervoor. Maar nee, we horen dat het water ons aan de lippen staat of, zoals Jan Marijnissen in deze krant stelde: „Het gaat slecht met de dag- en weekbladen.”
En nu worden we, nota bene door de vakbond voor journalisten, vergeleken met een drenkeling. Maar van hoeveel bedrijven kan worden gezegd dat ze in het eerste kwartaal 2009 een beter resultaat behalen dan in het eerste kwartaal van 2008?
Ook als NRC Media misschien een uitzondering is, wil ik de stelling graag omdraaien. Het gaat niet slecht met kranten, het is lang te goed gegaan. In de jaren negentig groeiden de oplages als vanzelf en kregen adverteerders op vrijdagmiddag te horen dat er, helaas, geen plek meer was in de zaterdagkrant. Het ging zo goed, dat door concerndirecties en uitgevers niet of nauwelijks werd gedacht aan vernieuwing.
Innovatie werd lang gezien als onnodig en riskant. De lezers moesten hun krant via het zesdaagse papieren abonnement krijgen en vooral niet op andere gedachten worden gebracht. Inmiddels kiest die lezer ook voor andere manieren om aan informatie te komen. Gelukkig zijn er nog miljoenen Nederlanders die de papieren krant willen. Maar veel nieuwe lezers kiezen ook voor elektronische kanalen als pc of smartphone. Niet dat zij de informatie die kranten leveren beu zijn, maar ze willen die op andere manieren ontvangen. Daar spelen we op in, we zoeken en vinden nieuwe wegen. Het maakt kranten uitgeven er niet gemakkelijker op, wel veel avontuurlijker.
Telkens wordt gezegd dat de oplages dalen en dat de krant ten onder gaat. Wat een onzin. Kijk toch niet alleen naar dat zesdaagse abonnement als graadmeter voor succes, maar naar de groei van nieuwe betaalde abonnementsvormen, zoals het weekendabonnement of de digitale krant. En vergeet ook niet dat de Nederlandse ‘abonneedichtheid’ nog altijd een van de hoogste ter wereld is.
Als onontkoombare gevaren voor de krant wordt tot vervelens toe gewezen op de gratis kranten en internet. Maar gratis kranten hebben in ieder geval deze krant nauwelijks abonnees gekost. Misschien hebben ze zelfs extra mensen aan het krantenlezen gewend. En internet? Dat zijn we zelf. Kranten zijn volop aanwezig op internet en bereiken daar een groeiend publiek: Nederlandse krantensites trokken vorig jaar liefst 30 procent meer bezoekers dan in 2007.
Nu nog geven kranten te veel weg op internet waardoor het onvoldoende opbrengt. Maar daarin komt langzaamaan verandering. Uit onderzoek, en uit de praktijk, blijkt dat mensen best bereid zijn te betalen voor relevante digitale informatie. Kranten als The Wall Street Journal en de Financial Times laten bezoekers al betalen voor een deel van hun berichtgeving, The New York Times overweegt het. Ook deze krant biedt op internet niet alles gratis aan. Nieuws is kosteloos toegankelijk. Maar achtergrond en duiding zijn niet gratis, of zouden dat niet moeten zijn. Want voor diepgang heb je gespecialiseerde redacteuren nodig, zoals onderzoeksjournalisten of een wetenschapsredactie. Die kosten geld en zijn dat waard. Internet is niet een bedreigende innovatie, maar een kans. Innoveren betekent zo gebruikmaken van internet dat het iets toevoegt aan de papieren krant en dat je er geld mee verdient.
Een commissie, ingesteld door minister Plasterk, moet nu de kranten helpen met innoveren en heeft 8 miljoen te verdelen. Maar subsidie moeten we helemaal niet willen: dat brengt maar (de schijn van) afhankelijkheid met zich mee. Bovendien is gesubsidieerd innoveren wel het laatste wat we nodig hebben. We hebben juist innovaties nodig waarmee we kunnen verdienen. Dat betekent niet veilig vernieuwen met overheidsgeld, maar als ondernemer. Innovaties vinden waar een markt voor is. Bijvoorbeeld abonnementen verkopen via ePaper (‘elektronisch papier’) zoals ook The New York Times doet en waar de Franse zakenkrant Les Echos in 2007 als eerste mee begon. Of een boekenportal lanceren, die zichzelf bekostigt met de verkoop van boeken.
We hebben geen overheidsgeld nodig om dagbladen te redden. Wel politici die weten waar ze het over hebben. Die niet alle kranten als noodlijdend wegzetten. Die inzien dat het er voor kranten niet makkelijker op wordt als de publieke omroep gesubsidieerde nieuwssites mét advertenties exploiteert. Politici die in plaats van een commissie in te stellen die kranten moet redden, het btw-tarief op de digitale krant (nu 19 procent) verlagen tot dat van de papieren krant (6 procent).
En kranten moeten ophouden alleen het krimpend aantal lezers te tellen van hun papieren zesdaagse abonnement. We moeten nieuwe kanalen blijven zoeken om informatie betaald te verspreiden. Het beste antwoord op de toekomst is kwaliteitsjournalistiek. Er zijn immers geen tekenen dat Nederlanders dommer zijn geworden en er bestaat nog geen ander medium dat de rol van dagbladen kan overnemen – of die krant nou wordt gelezen in letters op papier of in pixels op een scherm.
Birgit Donker is hoofdredacteur/ directeur van NRC Media
Gerelateerde artikelen:
- Een land zonder goede kranten is het recept voor onwetende en bange burgers
- Door subsidie wordt krant onafhankelijker
- Door subsidie wordt krant onafhankelijker
- Door subsidie wordt krant onafhankelijker
- De toekomst ligt niet in papier
- Commissie: bijdrage surfer aan kranten
- Commissie: bijdrage surfer aan kranten
- Commissie: bijdrage surfer aan kranten
