De EU-landen vervallen in wederkerig nationalisme
Zonder verdere integratie loopt de Europese Unie als nooit tevoren het risico
zijn politieke stabiliteit te verspelen.
Nederland is de weg kwijt. Dat is geen verwijt, maar een constatering. Straks zijn er Europese verkiezingen en praktisch geen mens kan er warm voor lopen. De meeste politieke leiders dus ook niet. De meesten van hen goochelen zich eruit met slagen om de arm, aarzelend enthousiasme en in pathos gehulde dubbelzinnigheid.
Het heeft een lange voorgeschiedenis, met een voorlopig hoogtepunt vijf jaar geleden in het referendum over het verworpen Europees Grondwettelijk Verdrag. Het kabinet leed toen een glansrijke overwinning. Jarenlang hadden politieke voormannen het volk verteld dat veel kwaad in Brussel huist. Dat de bureaucratie er aan de macht is. Dat het goede Nederlandse geld er veel te royaal heen gaat. Dat een euro met al die zuidelijke landen erin – Italië was het focuspunt – niet kan deugen. Dat de sociaal-economische dynamiek uit de Angelsaksische wereld, níét uit dat vermoeide Europese vasteland moest komen.
Van al die stelligheden en gelijkhebberijen werd weliswaar niemand op den duur veel wijzer, maar het volk trok er de correcte conclusie uit dat je dus maar beter ‘nee’ tegen Europa kon zeggen. Zo gezegd, zo gedaan en nog dezelfde avond van de referendumnederlaag heette de nederlaag dus een overwinning. Niemand trad af, het volk had gesproken – al wist geen mens wat het precies had gezegd.
Dat was vijf jaar geleden. Maar de voorgeschiedenis is veel langer en is tot de dag van vandaag actueel. In Nederland is in de jaren negentig langzaam maar zeker een consensus verloren gegaan over de inrichting van de samenleving. Dat culmineerde uiteindelijk in de Fortuyn-revolte. Met allerlei succesrijke en minder succesrijke navolgers is dat nog altijd aan de gang: kiesvolk en AEX zijn op elkaar gaan lijken, dat wil zeggen: geen peil meer op te trekken.
Het gezag loopt sedertdien op eieren en Europa is tot een angstproject verworden. Bewindslieden stellen zich in Brussel sedertdien ‘keihard’ op, maken bij alles en nog wat een voorbehoud vanwege het nationale parlement en hebben, kortom, aan invloed en relevantie ingeboet. Achter deze ogenschijnlijke fermheid en ontzag voor het nationale parlement gaat diepe onzekerheid schuil over een thuisfront dat hopeloos verdeeld is, waar je nooit precies weet met welk standpunt je in welk ongerief verzeild kunt raken.
Neem zoiets symbolisch als de Europese vlag. Het Nederlandse kabinet had de boodschap van het nee-referendum verstaan en onderhandelde krachtig en vastberaden over een nieuw, afgezwakt grondwettelijk verdrag, het latere Verdrag van Lissabon. De Europese vlag als symbool sneuvelde – een klipklare zege voor Nederlandse onderhandelaars. Maar wandel je nu door Den Haag, dan duikt telkens weer die vlag op – bij ambassades, bij rijksgebouwen, rondom gebeurtenissen van nationale betekenis. Wilden we nu voortaan die vlag niet meer, of wilden wij haar nu eigenlijk toch weer wel?
Meer dan tien jaar zijn Europese munten inmiddels aan elkaar geklonken. Ook dat begon niet bepaald als een feestje, maar inmiddels staat vast dat de euro een zegen is. Wie wil, kan sedert de kredietcrisis met rationele argumentatie deze munt een plek geven in de harten van de mensen, elke dag opnieuw. Stel eens heel even voor wat er allemaal had kunnen gebeuren wanneer het internationale speculatieverkeer de munten van nationale staten tegen elkaar had kunnen uitspelen? De chaos was dan compleet geweest. Misschien was er een hachelijke vluchtheuvel voor de ‘Nederlandse D-mark’ geweest? Veel erger zou het zijn geweest wanneer Nederland zijn bankwezen had moeten redden met de gulden in plaats van de euro. Want dat bankwezen is eigenlijk te groot voor de Nederlandse staat en de boze buitenwereld had weleens aan de gulden kunnen gaan twijfelen en een speculatiemachine op gang kunnen brengen tégen die gulden. Dat had zomaar gekund.
Maar (bijna) niemand doet een serieuze, laat staan consequente, poging om de euro nu die plek in de harten van de mensen te geven. De euro is van niemand en woont er ook: in niemandsland.
Nog een stap verder: de groep eurolanden heeft dringend een soort economische regering nodig. Zelfs de vroegere Duitse minister van Financiën Hans Eichel (SPD) oppert het tegenwoordig voorzichtig, hoewel Duitsers altijd sceptisch plegen te staan tegenover zoiets. Zo’n regering moet eigen mogelijkheden hebben om onder Europeanen belasting te heffen. Ga maar na – als Griekenland of Ierland hun staatsschuld niet meer op de kapitaalmarkt gefinancierd krijgen, moeten de overige eurolanden ingrijpen. Weliswaar niet volgens het monetaire verdrag, maar wel volgens alle gangbare inzichten. Als een overheid een grote bank al niet laat vallen, dan al helemaal niet een staat binnen het eurogebied. Eurolanden moeten in zo’n geval middelen beschikbaar stellen en eisen stellen, zoals het Internationaal Monetair Fonds dat met landen doet. Dat vergt meer dan coördinatie en coalities-van-de-bereidwilligen, want één gezaghebbende instantie moet eurobonds (euro-obligaties) kunnen uitgeven en de betaling kunnen garanderen. Kortom, dat vereist een formele macht over belastingbetalers, want die staan uiteindelijk garant dat leningen worden afgelost.
Een economische euroregering is ook vereist om in noodgevallen Europese banken te kunnen uitkopen die op omvallen staan. Immers, het opknippen van banken tot nationaal formaat – actueel voorbeeld: ABN Amro – betekent uiteindelijk dat grote Europese landen zich nog grote banken, kleine landen zich nog slechts kleine banken kunnen veroorloven, omdat een bank niet groter meer mag zijn dan de nationale kas kan behappen. Die trend tekent zich nu geleidelijk aan af. Is dat de Nederlandse ambitie? Het wordt nergens gezegd, maar je zou het zomaar mogen concluderen uit de scepsis die jegens de Europese Unie inmiddels tot het verplichte publieke repertoire hoort.
Een Europese economische regering is ook urgent gegeven alle stimuleringsprogramma’s van dit moment. Bij keynesiaanse recepten uit het verleden ging het om nationale staten met ‘gesloten’ grenzen. (Niet letterlijk gesloten, maar wel met douane, heffingen, controles et cetera). Maar zo’n nationale staat bestaat driekwart eeuw na Keynes in Europa niet meer: versnelde aanleg van de Amsterdamse metro heeft consequenties voor een machinebouwer in Duitsland, verdwenen vliegtaks op Schiphol raakt onmiddellijk Air France, enzovoorts, enzovoorts. De werkingssfeer van een stimuleringsprogramma is Europees – iets anders kan ook niet bij een vrij verkeer van goederen en diensten.
Als de buitenwereld – Amerika, China – sceptischer is over een herstel van Europa dan over dat van de rest van de wereld in de huidige crisis, dan is het precies vanwege zulke nu ontbrekende mogelijkheden tot Europees handelen. In Amerika kan de centrale overheid belastingbetalers in Texas laten meebetalen aan de tekorten die ze in Californië hebben laten ontstaan – in Europa is het allemaal een vraagteken.
In de voorgeschiedenis van de verloren consensus bevindt zich ook de permanente westenwind van de laatste twintig jaar. Meer dan welk ander land op het Europese vasteland ook omarmde Nederland het aandeelhouderskapitalisme, de flexibilisering, de privatisering. De Quote 500 werd een begrip in de wereld van het vermaak, Londen het ware centrum van Europa. Dat een bankier of advocaat er minder belasting betaalde dan de – meestal donkere – man die tegen de avond zijn bureau afstofte: ach, dat was globalisering.
Kritische kanttekeningen bleven een voetnoot. Neem het piepkleine voorbeeldje van DSM dat enkele jaren geleden probeerde om extra dividend uit te keren aan langjarige, dus loyale aandeelhouders. Het was een interessante, bescheiden poging om de wilde jongens van de hedgefondsen een beetje achteraan in de rij te zetten. Het mislukte faliekant, Nederland zweeg en ook de rechter verbood het uiteindelijk. Of neem het grotere voorbeeld van de investeringsfondsen. „Het zijn sprinkhanen”, zei de Duitse minister van Arbeid en Sociale Zaken Müntefering (SPD) in april 2005. In zijn korte loopbaan als minister van Economische Zaken heeft Joop Wijn in Nederland nog geprobeerd een serieus debat over de plussen en minnen te voeren, maar zelfs simpele feiten (bijvoorbeeld over leverage en rente) kwamen niet naar boven en het debat stierf een snelle dood: in Duitsland liepen ze gewoon nog wat achter. Net als in Frankrijk trouwens. Die opvatting was gemeengoed.
Als er al eens iets uit Brussel naar Den Haag overwaaide, dan had het ook te maken met die westenwind: privatisering van nutsfuncties, liberaliseren van het briefverkeer, ontkoppeling van elektriciteitsbedrijven. Nederland was er een kampioen in, zozeer dat ‘onze’ eurocommissaris Bolkestein op het laatst zowel in Frankrijk als in Duitsland politiek praktisch persona non grata was geworden.
Met de Europese Unie moest je ook oppassen, zo heette het, omdat al die krakkemikkige eurolanden er weleens met ons pensioenstelsel vandoor zouden kunnen gaan. De redenering was simpel: nergens in Europa hebben ze de pensioenen goed geregeld, dat gaan die andere eurolanden betalen met grote overheidstekorten, dat leidt tot inflatie en die inflatie van de euro vreet onze pensioenen op. „Het is voor mij onbespreekbaar dat Nederland meebetaalt aan pensioentekorten die in andere landen van de Unie zijn ontstaan”, schreef Rita Verdonk als kandidaat-lijsttrekker van de VVD nog op deze pagina. Weinigen durfden het tegen te spreken.
De tragiek van de Nederlandse pensioenen, het is inmiddels algemeen bekend, kwam uit het Westen, niet uit ‘Brussel’. In plaats van de laatste tien jaar een stapje terug te doen – hogere premies of minder pensioen – werd een voorschot op de toekomst genomen. Ongetwijfeld met goede bedoelingen, maar met de blik westwaarts gericht, waar deze aanpak van het voorschot-op-de-toekomst tot een wiskundige kunstvorm werd gesublimeerd.
Dingen zijn nooit zwart-wit: de Angelsaksische winden en de geest van dynamiek boden de verfrissing van open ramen in de ochtend. Maar het voedde ook argwaan. Voor een deel van het volk oogden al die nieuwe win-winsituaties bedreigend en knaagden aan zekerheden. Erger nog: het ondermijnde het vertrouwen in een zorgende elite. De term ‘globalisering’ kreeg een politieke lading, het verschijnsel werd omstreden.
En zo kon de consensus over de richting van de samenleving, en over een toekomst van Nederland in Europa, verder afbrokkelen. In deze geestesgesteldheid schuifelen we richting Europese verkiezingen en al die arme lijsttrekkers van gevestigde middenpartijen „gaan er voluit voor”, maar zonder kompas en in een diep verdeeld, argwanend land.
De Europese Unie bevindt zich in een toestand die de befaamde Duitse socioloog Ulrich Beck omschrijft als ‘wederkerig nationalisme’. De voorstanders hiervan noemen zich pragmatici. Dat wederkerig nationalisme ziet er als volgt uit: elke lidstaat heeft de plicht om de eigen financiële problemen te regelen, elke staat moet de soevereiniteit van de ander erkennen en negatieve gevolgen van economisch handelen voor een andere staat zoveel mogelijk vermijden. Uitgangspunten zijn gelijkberechtiging, onderlinge afstemming en wederkerige verantwoordelijkheid. Dat klinkt goed. Maar een nog veel belangrijker en stilzwijgend aanvaard uitgangspunt is dat uitbreiding van economisch-politieke bevoegdheden van de Europese Unie strikt wordt geweigerd. Volgens Beck is dit model van wederkerig nationalisme in tijden van crises „tot mislukken gedoemd”.
Maar Duitsland zwijgt nog. Eerst zijn er verkiezingen en het besef dat Duitsland Europa op sleeptouw moet nemen, schrikt af: het geeft veel gedoe, veel burenruzies, veel kosten en er zijn weinig bondgenoten. De Franse president Sarkozy heeft na zijn half jaar in het Europese zonlicht een punt achter Brussel gezet. Hij en een gewichtig deel van de Franse bureaucratie verwachten er weinig meer van en de crisis zal erger moeten worden wil een tweede viool voor Fransen goed genoeg zijn. Deze twee landen houden zo’n wederkering nationalisme in stand. Zolang dit wederkerig nationalisme voortduurt, biedt het een veilige bedding voor Nederland, voor een land dat zijn tomtom kwijt is. Erg bevredigend is het ondertussen niet, temeer niet als symbool van diepe verdeeldheid in een samenleving – een verdeeldheid die soms niet alleen mensen van elkaar scheidt, maar dwars door mensen heen loopt. De ontmaskering volgt pas wanneer Europa doet wat het moet doen, namelijk verdergaan.
Eurosceptici zullen zeggen dat het zo’n vaart niet zal lopen en dat verdere politieke integratie niet in het verschiet ligt. En inderdaad, een ietwat pessimistisch realisme heeft in elk weldenkend mens met een beetje oog voor de geschiedenis altijd wel een plekje. Maar anderzijds, ook natiestaten waren geen natuurverschijnselen, maar gewoon bewust gecreëerde, menselijke constructen in een tijd die erom vroeg. De tijd vraagt nu iets anders. Zonder verdere integratie, te beginnen in euroland, loopt Europa als nooit tevoren het risico zijn politieke stabiliteit te verspelen en daarmee het beste model van welwillende integratie te verliezen dat de geschiedenis te bieden heeft.
En Nederland heeft er, alles bij elkaar opgeteld, geen relevante of gezaghebbende opvatting meer over. Kan dat tot nader orde ook niet meer hebben waar in enkele decennia tijds de consensus werd verspeeld.
Ben Knapen is onder meer columnist van NRC Handelsblad
