Kamer moet eindelijk nee zeggen

Een prototype van de Joint Strike Fighter.
Door Bert Kreemers

Nu het tij voor de JSF lijkt te keren, wordt het toestel ‘verkocht’ als uitkomst voor de werkgelegenheid. Een drogreden, zoals de aanschaf van de F-16 leert, meent Bert Kreemers.

Bij de aanschaf van gevechtsvliegtuigen gaat het om het beste toestel voor de beste prijs. Dat is de Tweede Kamer steeds voorgehouden. Volgens de luchtmacht steekt de JSF met kop en schouders uit boven de nog twee overgebleven concurrenten: de Zweedse Gripen en de moderne versie van de F-16. Maar middenin een kredietcrisis vindt – volgens recente enquêtes – een meerderheid van de Nederlanders de aanschaf van de JSF geen goed idee.

Lang leek het erop dat de JSF de gedoodverfde opvolger van de F-16 was. Maar het tij lijkt te keren. Daarom wijzen voorstanders van de JSF op het voordeel van de werkgelegenheid. Generaal Peter van Uhm, Nederlands hoogste militair, prees de JSF vorige week aan als „een unieke kans” om orders binnen te halen: „In een tijd van crisis laat je een stimulans voor de economie toch niet lopen.”

Het is niet voor het eerst dat Defensie (dat zelf met duizenden vacatures kampt) zich presenteert als banenmachine. Bij de aanschaf van de F-16 in 1975 leken alle seinen op groen te staan. Operationeel gezien liet de F-16 de Franse Mirage en de Zweedse Viggen ver achter zich. Toch was ook toen werkgelegenheid een veelbesproken onderwerp.

Maar toen de aanschaf van de F-16 eenmaal een feit was, verdampten de beloftes voor werkgelegenheid: van de beloofde 25.000 manjaren werk bleef nauwelijks de helft over. De vakbonden schreeuwden moord en brand: de F-16 dreigde de miskoop van de eeuw te worden. Tot overmaat van ramp wilde Frankrijk Fokker niet langer laten meedoen aan het Airbus-project. In ruil voor Duitse steun bij deelname aan Airbus schoof Fokker een deel van de coproductie van het F-16-project door naar de fabrieken van Duitse zusterondernemingen. Zo kwam een groot deel van de tegenorders die voor Nederland bestemd waren in een land terecht dat nimmer een F-16 heeft aangeschaft.

De Amerikaanse vliegtuigfabrikant General Dynamics schroefde nog geen jaar na de aanschaf van de F-16 de beloofde tegenorders terug. Omdat het voor de fabrikant voordeliger was onderdelen van de F-16 in de Verenigde Staten te kopen, hadden Nederlandse bedrijven het nakijken. De Tweede Kamer werd intussen voorgehouden dat meer dan 80 procent van de verwachte orders zo goed als zeker beklonken was.

Voor een deel van de aanschafkosten, ruim 5 miljard gulden, was sprake van rechtstreekse deelname van het Nederlandse bedrijfsleven in de productie van de F-16. Met de kosten van deze coproductie was een bedrag van 653 miljoen gulden gemoeid. Dat bedrag zou Nederland zich hebben bespaard als de F-16 van de plank was gekocht. De toenmalige minister van Financiën rekende in 1981 uit dat aan elk manjaar werk voor de F-16 een prijskaartje hing van 135.000 gulden – in die tijd een ministerssalaris.

Het lijkt erop dat binnenkort deze geschiedenis zich zal herhalen. Bij een hoorzitting in de Tweede Kamer gaf het Nederlandse bedrijfsleven hoog op van de kansen op extra banen. Het gaat om werk voor 600 tot 1.200 mensen in een sector waar volgens het Centraal Planbureau bedrijven niet echt staan te dringen om nog meer werk omdat ze dat niet aankunnen. Zelfs als deze beloften worden waargemaakt, ligt het uitbesteden van zulke opdrachten aan buitenlandse vestigingen of goedkopere bedrijven in het buitenland voor de hand. Wie de Nederlandse economie echt wil steunen, weet ongetwijfeld minder omslachtige manieren dan de aanschaf van een nieuw gevechtsvliegtuig, terwijl zijn voorganger nog jaren meekan.

Bert Kreemers promoveerde op de aanschaf van gevechtsvliegtuigen

Reageer op nrc.nl/expert

Gepubliceerd in:
Opinie