Sociale uitsluiting beperkt zich niet tot onderste bevolkingslagen
Een essay over de groeiende Europese onderklasse, door de Duitse socioloog Heinz Bude. Met reacties van de fractievoorzitters Mariëtte Hamer (PvdA) en Mark Rutte (VVD).
Al in de tijd van de ‘grote matiging’, van begin jaren tachtig tot de grote crash van 2008, toen de schommelingen van de conjunctuurcyclus beperkt bleven en de inflatie te verwaarlozen was, heeft zich een niet geringe groep uitgeslotenen gevormd. Deze bestaat uit mensen die in een op dienstverlening georiënteerde en op kennis gebaseerde maatschappelijke ontwikkeling de meerderheid niet meer kunnen bijhouden, die afvallen omdat ze op een bepaald punt in hun levensloop de aansluiting verloren hebben of omdat ze van het begin af aan voor gesloten deuren stonden.
Het is duidelijk dat dit niet alleen een kwestie is van financiële speelruimte, maar ook van koerswijzigingen in het personeelsbeleid van ondernemingen waarop de enkeling geen invloed heeft, van de wisselende geografie van de productieve regio’s, en van het ontbreken van vaardigheden die naar de heersende normen als volstrekt onmisbaar gelden.
Het gevolg is dat de betrokkenen zich uitgerangeerd voelen, en maatschappelijk buitenspel gezet. De vraag is niet alleen wie boven zit en wie onder, maar wie binnen is en wie buiten staat. Achter deze perspectiefwisseling steekt het sociaal-politiek zwaarwegende inzicht dat een groeiend deel van onze samenleving de pretentie heeft laten varen zelf hun leven te kunnen bestieren. Het gaat om geknakte zielen, die zich vertwijfeld vastklampen aan eer en respect en op wie de aansporing om verder onderwijs te volgen en de eis om de eigen verantwoordelijkheid te nemen, geen vat hebben.
Bepalend voor deze groep is een diepgeworteld besef uitgesloten te zijn, dat tot uiting komt in het gevoel dat men geen stem, geen invloed en geen betekenis heeft. Je moet gewoon een andere manier vinden om je te redden – de praatjes over inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, bereidheid om je in te zetten en teamgeest zijn van een andere wereld. We moeten constateren dat er een kloof gaapt tussen hen die leven in de wereld van de kansen en hen die zich uitgesloten zien.
Het gaat om een ongeregelde klasse van overtollige mensen, die als overgeschoten populatie van een economische en sociale ommekeer zichtbaar worden. Waar deïndustrialisatie heeft plaatsgevonden, komen zij voor als overtollige bevolking, die, zoals William Julius Wilson het heeft geformuleerd, is achtergebleven waar de werkgelegenheid verdwenen is. Je treft deze mensen aan in het zuidoostelijke deel van Nederlands Limburg, waar de mijnen zijn gesloten, in een groot deel van Belgisch Wallonië, waar allerhande industrie verloren ging, in Bremerhaven, waar de werven verdwenen zijn, in Mecklenburg-Vorpommern, waar de landbouw verdwenen is, en in Chemnitz, waar de fabricage van gereedschapsmachines is ingezakt – of waar deze industrieën met misschien een vijfde van het vroegere aantal werknemers met profijt konden worden voortgezet. Wel is, anders dan in Detroit of Wales, geen van die plaatsen helemaal opgegeven. In veel gebieden probeert de overheid met gerichte renovatieprogramma’s de oorden van neergang te transformeren tot oorden van een nieuw begin, waardoor het lot van een bepaalde groep overtolligen definitief bezegeld wordt.
Waar de kinderen nog werk vinden in een hotel, het zeemuseum of een vakantiepark met manege en golfterrein, is er voor hun ouders geen plaats meer. Die kunnen zich weliswaar nog redden dankzij een schamel pensioentje of met een versoberde uitkering, maar ook het tweedehands aangeschafte Japanse autootje, de elektronisch gestuurde cv-ketel en de op afbetaling gekochte flatscreentelevisie kunnen niet verhelen dat zij er niet meer toe doen. Zelfs de borrel, waarmee je vroeger zonder iets te zeggen toch samen kon zijn, biedt geen uitkomst meer. Van de ooit aan de kust en op het land in ere gehouden sociale laag die werd gekenmerkt door moderniteit en welvaart, is niets meer over. Omdat essentiële hoofdstukken uit hun levensverhaal hun waarde verloren hebben, voelen deze mensen zich als de ondoden van een ten onder gegane, verdwenen samenleving.
Wat ze kunnen en wat ze willen, wat ze bereikt hebben en waar ze trots op zijn, speelt geen rol meer. Het historisch-politieke territorium waarop hun sociale en morele oriëntatie teruggaat, is van de maatschappelijke landkaart verdwenen. Kennelijk zijn ze innerlijk zo gesloopt dat zij noch de energie hebben om te vluchten in de utopie noch om te protesteren tegen het heden. Omdat hun oorsprong ligt in een pijlsnelle industrialisering zijn er, anders dan in de gedumpte delen van Zuid-Italië of de vergeten gehuchten van Albanië, geen sporen van ouderwetse elegantie of magische rites achtergebleven. Het is als bij de ‘zigeuners’ van Oost- en Midden-Europa die, doordat een zorgzame staat hun nieuwbouwwoningen en openbare scholen heeft verschaft, de handel, het ambacht en de kunstnijverheid als ambachtelijke vorm van overleven verleerd hebben. Nood kan zin geven, maar als iemand zich maar net staande houdt, kan de moed hem definitief in de schoenen zinken.
Een andere groep vormen de jongelui die door hun leraressen en leraren aan de middenschool en in het beroepsonderwijs ‘onderwijsmoe’ worden genoemd. Het zijn merendeels jongens, deels uit een migrantenachtergrond, deels uit gezinnen die al voor de tweede of zelfs derde generatie van een uitkering leven, deels uit eenouder- of gescheiden gezinnen, waaraan ook goed doordachte pedagogische voorstellen niet besteed zijn. Volgens hun leraressen en pedagogische begeleiders zien zij volstrekt de zin niet in van een opleiding die hen bij het zoeken naar of behouden van een baan toch alleen maar in een onzekere situatie brengt. Zij dromen liever van het snelle geld in een van de vele branches van de drugs- en semicriminele economie, en vertrouwen overigens op een zeker bijstandsvangnet, dat hun het noodzakelijke minimum garandeert. Het is waarachtig niet eenvoudig om deze opgroeiende jeugd aan het verstand te brengen dat de moeite en inspanning van een opleiding lonen.
Al sinds lang doet de opvatting dat de samenhang tussen prestatie en succes twijfelachtig geworden is, niet meer alleen opgeld in de onderste lagen van de bevolking. Ook veel ouders die baat hebben gehad bij de scholingsgolf van de jaren zeventig en tachtig, hebben moeite om hun kinderen duidelijk te maken welke formele kwalificaties en sociale vaardigheden er nodig zijn om in de maatschappij vooruit te komen. In zekere zin sluiten de irritaties van de uit het Bolognaproces voortgekomen ‘generatie practicum’ aan bij de desillusies van de opgroeiende jeugd die van meet af aan geen perspectief ziet.
De problematiek van de uitgeslotenen is daarom niet louter een kwestie van de psychologie van de mensen die tot deze categorie worden gerekend. Het syndroom dat bestaat uit ‘precaire welstand’, ‘sociaal-netwerkarmoede’, gebrek aan vertrouwen in instanties en verminderde lichamelijke conditie, blijft niet beperkt tot de onderste sociale lagen. Met de term ‘sociale uitsluiting’ biedt de sociologie een begrip aan dat deze dwars door de samenleving lopende risicolagen tot een thema maakt. Ook als representant van de ‘meerderheidsklasse’ van de niet-rijken, halfgeschoolden, sociaalverzekerden en doorsnee gelukkigen kan het je gebeuren dat de schuldenlast van het huishouden te zwaar dreigt te worden, dat je door een scheiding of een uiteengaan in een sociaal isolement belandt, dat je op grond van vernederende ervaringen in een banencentrum haat koestert jegens de uitkeringsinstanties of dat je, omdat je je niet meer staande weet te houden, aan een of andere verslaving ten prooi valt. Dan kun je in een verregaand geanonimiseerde en geïndividualiseerde samenleving noch van een goede opleiding noch van een vastgoederfenis van je ouders met zekerheid redding verwachten.
De bijbehorende verhalen gaan bijvoorbeeld over een oude kennis, die je op een verjaarsfeest opvalt doordat hij te veel praat, te veel drinkt en te veel zweet. Nu zijn vrouw hem na 25 jaar huwelijk heeft verlaten, zijn werkgever hem na twintig jaar zwoegen heeft laten afvloeien, hij door de overheid wordt lastiggevallen omdat hij geen baan heeft en hij lichamelijk door de alcohol getekend is, kan deze makker van vroeger zich in de kring van meer of minder geslaagden alleen nog met cynisme staande houden. Zijn ingespannen pogingen om de sfeer erin te houden verhullen alleen maar de ontzaglijke vermoeidheid van een overtollig geworden bestaan. Van de ooit zo triomfantelijke zekerheid rest niet veel. Wie ooit bijna het loodje heeft gelegd, verliest snel zijn tact, zijn voorkomendheid en tenslotte zijn zelfbeheersing. Er is geen familie die je opvangt, geen gemeente of kerk die troost, en vooral geen milieu dat met een fiasco, een val zou weten om te gaan. Wie in het algemene gedrang naar boven zijn houvast verliest, kan zomaar halsoverkop in het niets storten.
In zo’n desolate toestand weer op de been komen is bepaald niet alleen maar een zaak van materiële steun. Het gaat om het lot van individuele mensen die ten gevolge van per slot van rekening toevallige gebeurtenissen in hun levensloop zijn terechtgekomen in een situatie waarin ze stilletjes het contact met het allengs brozere maatschappelijke netwerk verloren hebben. En zo leidt het debat over de uitgeslotenen naar de gevoelskern van een samenleving die definitief afscheid neemt van het gelukkige beeld van toen alles nog draaide om de middenklasse.
Volgens de Europese statistiek heeft Nederland met Tsjechië het laagste percentage inwoners onder de Europese armoedegrens: 10 procent. In Duitsland is dat 13 en in heel Europa ruim 15 procent. Armoede wordt in Nederland wel langduriger, blijkt uit een onderzoek onder 5000 huishoudens van de sociologen Peter Achterberg en Erik Snel.
In 1984 was 40 procent van de armen drie jaar of langer arm, in 2001 was dat 60 procent. Mensen met een lage opleiding, vrouwen en jongeren lopen het grootste risico.
Tegenover een daling van het aantal bijstandsgerechtigden staat een stijging van het aantal werkende armen. Volgens een onderzoek van de universiteit van Amsterdam steeg sinds 1979 het aantal laag betaalde werknemers van 10 tot 18 procent van het totaal aantal werknemers. Dat zijn 1,25 miljoen werknemers. Zowel in Europa als in de VS blijft een grote groep werknemers in laag betaalde banen steken.
Duitse socioloog. Als hoogleraar verbonden aan de Universität Kassel. Dit is de ingekorte tekst van de lezing die de Duitse socioloog Heinz Bude afgelopen donderdag hield in de cyclus Grenzkonflikte der Demokratie in Den Haag. In die cyclus spreekt op 14 mei ook de cultuurwetenschapster Christina von Braun over Frauenkörper Der Westen und der Islam. Meer info: www.hum.leiden.edu/cti.
