In het lab sterven minder muizen dan bij u thuis

Door Cees Smit en Jan Hendrik Wiggers

Zonder dierproeven is geen medische vooruitgang mogelijk. De overheid kan beter hierover voorlichten dan achter extremisten aan te rennen.

Vandaag is het Wereldproefdierendag. Voor de dertigste keer. Ooit begonnen in het Verenigd Koninkrijk, bakermat van dierenrechtenextremisme. Morgen houden de Engelse dierenbeschermingsorganisaties een protestmars van Hyde Park naar het centrum van Londen om de politiek te overtuigen dat het afgelopen moet zijn met dierproeven. Onderzoekers, bedrijfsleven, collectebusfondsen en patiëntenorganisaties zullen het weer moeten ontgelden, omdat zij als ‘voorstander’ van onderzoek met proefdieren worden gebrandmerkt. De overheid zal het moeten ontgelden, omdat zij te weinig geld steekt in het onderzoek naar alternatieven voor dierproeven.

Wat bij deze protesten over het hoofd wordt gezien, is het belang dat dieren zelf hebben bij wetenschappelijk onderzoek met proefdieren. Tegenstanders van dierproeven komen nooit verder dan een keihard ‘nee’. Ze zijn tegen. Punt uit. En om dit ‘nee’ kracht bij te zetten deinzen extremisten onder de neezeggers niet terug voor gewelddadige acties tegen onderzoekers. Wat weer tot gevolg heeft dat de onderzoeker nauwelijks aan het publieke debat deelneemt, bang om herkend te worden. Hierdoor krijgt proefdieronderzoek, volkomen onterecht, iets stiekems waarover we liever niet willen praten. Met als gevolg dat het publieke debat over dierproeven zo eenzijdig wordt gevoerd dat er nauwelijks van een debat sprake is.

En zo blijven de meeste Nederlanders volstrekt onwetend over de rol die proefdieren spelen bij de medische vooruitgang. Bloedtransfusies, niertransplantaties, openhartoperaties, nieuwe heupen, kankertherapie, antibioticakuren en vaccinaties zijn behandelingen die tot stand zijn gekomen met behulp van proefdieren.

Tegelijkertijd zijn wij het volstrekt normaal gaan vinden dat medische behandelingen veilig worden uitgevoerd. En is dat ook zo normaal geworden dat vrijwel niemand er meer bij stilstaat dat daarvoor proefdieronderzoek nodig is geweest en nodig blijft. In de strijd tegen kanker worden per jaar voor iedere kankerpatiënt gemiddeld twee muizen gebruikt in dierexperimenteel onderzoek. Maar dat hoor je niet tijdens de tv-uitzending Zestig jaar tegen kanker van afgelopen woensdag. En waarom niet? Omdat het zielig is voor muizen? In Nederlandse gezinnen worden waarschijnlijk meer muizen gedood dan in laboratoria.

Hiermee is niet gezegd dat alleen muizen en ratten voor dierproeven worden gebruikt. Het is met 70 procent wel de grootste groep. Dierproeven worden ook gedaan op kippen (16 procent), vissen (5), varkens (1,4), honden (0,5), paarden (0,5 procent) en soms op apen (minder dan 0,01 procent).

Wat in de discussie over proefdieren ook vaak wordt vergeten, is dat de overheid tot in detail voorschrijft welke proeven nodig zijn voordat registratie van een geneesmiddel kan plaatsvinden. Dat de overheid hier bij vlagen kan doorschieten, is terechte kritiek. Nog altijd vinden onnodige dierproeven plaats; niet omdat farmaceutische bedrijven of wetenschappers dat nodig vinden, maar omdat de overheid deze proeven verplicht.

Tegenstanders van dierproeven gaan ook altijd voorbij aan de wisselwerking tussen het welzijn van mens en dier. Want stel je voor, dat wij mensen begrip zouden krijgen voor dierproeven. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het huidige onderzoek naar gentherapie voor de behandeling van blindheid bij mensen. Hierbij is in de beginfase onvermijdelijk sprake van onderzoek bij dieren. Amerikaanse onderzoekers hebben gentherapie toegepast bij honden van het ras Briard die door een erfelijke afwijking nagenoeg blind zijn. (Ter voorkoming van misverstanden: de honden zijn van nature blind en zijn niet blind geworden door laboratoriumproeven.)

De Amerikanen gebruikten voor hun proeven drie Briards en injecteerden alleen het rechteroog met een onschadelijk virus dat het missende gen in de retinacellen van de hond aanmaakte. Het linkeroog lieten zij ter controle onbehandeld. Het resultaat was boven verwachting. Met hun rechteroog zagen de drie behandelde honden bijna net zo goed als normaal.

De onderzoekers kregen na de bekendwording van deze resultaten forse aanvullende financiering van mensen, die eenzelfde genezing voor hun huisdier zochten. Begin vorig jaar zijn in Engeland de eerste proeven gestart bij mensen om hen van hun blindheid te genezen. Ook hier zijn de resultaten verbluffend. Een ander voorbeeld is het gedeeltelijk herstel van het gehoor van dove cavia’s.

Kortom, er ligt een taak voor de overheid om zelf voorlichting te geven over dierproeven en de noodzaak ervan. De overheid moet uitleggen waarom dierproeven plaatsvinden. Zij moet het debat erover op gang brengen, waardoor die zweem van geheimzinnigheid die nu over dierproeven hangt kan verdwijnen.

Op dit moment is van een debat geen sprake, omdat de angst regeert. Alleen de overheid kan dit doorbreken. Niet door achter extremisten aan te rennen, maar door een voorlichtingscampagne over dierproeven te beginnen. Rekeninghoudend met de snelheid van ambtelijke molens, moet Wereldproefdierendag 2010 haalbaar zijn als start van zo’n campagne.

En wie weet is een pro-testmars, zoals gehouden tijdens Wereldproefdierendag 2009 in Los Angelos door pro-researchorganisaties, bij ons overbodig.

Cees Smit en Jan Hendrik Wiggers zijn bestuursleden van de Stichting Informatie Dierproeven.

Discussie op nrc.nl/expert

Gepubliceerd in:
Opinie