De hoop voor Pakistan anno 2009: de Talibaan

Door Antoinette de Jong

Verdere destabilisatie van Pakistan is een gevaar voor de hele wereld. Intussen groeit in dat land de haat jegens het leger, de staat en buitenlandse mogendheden. Het platform voor sociale verandering wordt door de Talibaan geboden.

‘Barbarians at the gate’. ‘Sleepwalking to disaster’. ‘Can we save ourselves – yet?’ De koppen in de Pakistaanse pers spreken boekdelen. Iedere dag zijn er alarmerende berichten over aanslagen, stamhoofden die worden vermoord, vrouwelijke vakbondsleiders en buurtwerkers die worden afgeschoten en scholen die in vlammen opgaan. Vorig weekend werden een man en een vrouw in Kohat ten overstaan van hun dorpsgenoten geëxecuteerd na beschuldigingen van ‘ongeoorloofde relaties’. In Nowshera, een belangrijke legerplaats met onder andere de Airforce Academy, zijn video- en cd -winkels opgeblazen. Alsof om de hoek bij de Koninklijke Militaire Academie in Breda of Oirschot met explosieven even een stuk of wat winkeltjes worden weggevaagd. Wij zouden dan verwachten dat politie en leger die daar zo handig vlakbij zitten, dan snel actie ondernemen.

Niet in Pakistan. Onlangs kwalificeerde president Obama het als de „meest gevaarlijke plek ter wereld”. De afgelopen weken vielen de Talibaan Buner binnen, een district in de North-West Frontier Province van Pakistan op zo’n honderd kilometer van de hoofdstad Islamabad. Een commentaar van de uitstekende Pakistaanse krant Dawn beschrijft hoe een konvooi van tien voertuigen volgeladen met tot de tanden gewapende Talibaan dwars door het centrum van het district Swabi reed, geen strobreed in de weg gelegd door politie of leger, vervolgens de nieuwe snelweg opging – ongehinderd door de motorpolitie die deze nieuwe prestigieuze weg moet beveiligen – daarna weer een ander district introk en de drukke hoofdstad Mardan doorkruiste, „de woonplaats van de hoofdbestuurder van de Frontier Province”, zo stelde de verbijsterde auteur. „Ze kwamen zelfs langs het Punjab Regimental Centre’s Shopping Plaza waar soldaten de banketbakkerij beheren”.

Zal het weer gaan zoals het al dertig jaar gaat? In dat geval laten ‘elementen binnen het Pakistaanse leger en de inlichtingendiensten’ – zoals het diplomatiek heet – de militante groeperingen nog verder oprukken en komt het land nog dichterbij de afgrond. Dan is er opnieuw alle aanleiding om geld en andere hulp los te krijgen bij het Westen. Vervolgens worden de groepjes weer tot de orde geroepen, maar niet té hardhandig, en volgt binnen de kortste keren weer een nieuwe ronde Pakistaans roulette. Of zoals een columnist het omschreef in de Pakistaanse krant The News : „In some ways, we are holding a begging bowl in one hand, and a raised middle finger in the other. If we had a third hand, it would be holding a gun to our head. In fact, this is now our preferred negotiation mode.”

Het Pakistaanse leger rekent op een herhaling van zetten. Het denkt dat het de groeperingen nog aankan. Tegelijkertijd gebruikt het leger de dreiging van die militanten als drukmiddel naar het Westen dat lijdt onder aanhoudende aanvallen op NAVO-troepen en aanslagen in Europa. Sinds 2001 kreeg Pakistan van de Amerikanen 11 miljard dollar voor de bestrijding van terrorisme. Daarvan is 70 procent niet goed besteed, en eenderde was in het geheel niet traceerbaar, zo meldden de Verenigde Staten vorig jaar. In Pakistan wordt dat tegengesproken. De afgelopen week kreeg Pakistan opnieuw 5 miljard toegezegd op de Tokyo-conferentie. Het geld is bedoeld als steun voor economische stabilisatie en wederom voor het tegengaan van extremisme. Dat zal niet veel uithalen, want noch in Afghanistan noch in Pakistan zijn de oorzaken van instabiliteit weggenomen. Ik beperk me hier tot Pakistan.

Ook de nieuwe strategie van Obama en zijn gezant voor de regio, Richard Holbrooke, zal niet de gewenste oplossing bieden. Al tijdens zijn eerste rondreis kreeg Holbrooke in New Delhi te horen, dat Kashmir – het hard betwiste gebied tussen Pakistan en India – geen onderwerp van discussie zou zijn bij het formuleren van een nieuwe aanpak voor de etterende oorlog in Afghanistan en Pakistan. Het territoriale pijnpunt dat tussen India en Pakistan bestaat, wil India slechts bilateraal oplossen.

Dat zet de nekharen overeind bij het Pakistaanse leger. Dat leger vocht sinds de onafhankelijkheid in 1947 al drie oorlogen uit met India, twee om Kashmir en een om Oost-Pakistan, dat het prijs moest geven en het tegenwoordige Bangladesh werd.

Na 2001 is de argwaan toegenomen in Pakistan. India zou steeds meer invloed in Afghanistan krijgen en bovendien ook nog opstandige groeperingen in de Pakistaanse provincie Baluchistan steunen. India op zijn beurt ziet een grote rol van de Pakistaanse inlichtingendiensten, bijvoorbeeld bij aanslagen in Mumbai en op de Indiase ambassade in Kabul. De existentiële angst in Pakistan om platgedrukt te worden door het grote buurland, groeit al sinds het einde van de Koude Oorlog. Decennialang was Pakistan een onmisbare partner voor de VS in een regio waar India weer gesteund werd door de communisten. Maar Pakistan kan nu niet meer rekenen op die oude alliantie en voorziet vroeg of laat een exitstrategie van de Amerikanen. Dan zit het alleen in het midden, met aan de ene kant India en aan de andere kant Afghanistan dat de grens met Pakistan niet erkent. Die werd door de Britten dwars door de stammengebieden van de Pathanen getrokken. De Pathanen wonen nu aan beide kanten van de grens. Hun vrijheidsdrang bezorgt alle Pakistaanse generaals nachtmerries, zo verzekerde de Pakistaanse zaakgelastigde in Kabul mij in 1993 bij een goed glas whisky.

Daarom wil Pakistan een flinke vinger in de Afghaanse pap houden. Zo krijgt het strategische invloed in een achterland voor troepen en materieel voor die gevreesde dag dat India de Pakistaanse grens overschrijdt. Bovendien ontleent het leger van Pakistan een deel van zijn bestaansrecht aan het in stand houden van de conflicten met India en Afghanistan. Zonder die dreiging zou het leger van een miljoen manschappen en reservisten best een maatje kleiner kunnen. Dat zou vervelend zijn voor alle soldaten en officieren, want het leger biedt onderwijs, huisvesting, ziekenzorg en een pensioen, zoveel meer dan waar de doorsnee Pakistaan op kan rekenen.

Het gebied waar nu het meeste geweld is, ligt aan de westgrens met Afghanistan. De Britten gebruikten daar de stammengebieden als ‘doornenhaag’ tegen de Russen, legde Khalid Aziz, een oud-bestuurder van die gebieden, me uit. Tijdens de Great Game (het strategische conflict in Azië tussen het Britse en het Russische rijk, in de negentiende- en begin twintigste eeuw, red.) bestond de vrees dat de Russen India, parel aan de Britse kroon, wilden afpakken. Khalid Aziz: „Het stammengebied werd met opzet onderontwikkeld gehouden zodat de Russen zich daar stuk zouden lopen op oorlogszuchtige bergbewoners. Het is immers bekend dat wie ontwikkeld is, geen zin meer heeft om te vechten.”

Wat is in de ogen van het Pakistaanse leger anno 2009 de parel aan de kroon? Dat zijn de kernwapens – de garantie dat Pakistan kan overleven naast India. De eerste zorg van het leger is dus het veilig stellen van die nucleaire kroonjuwelen. Niet zozeer voor de extremisten, want het leger denkt dat het die nog altijd in de hand heeft (ten onrechte, maar daarover zometeen meer). Nee, de doornenhaag in 2009 is gericht tegen de Amerikanen. Een grote vrees is dat die op weg naar de ‘exit’ nog even de kernwapens komen afpakken. Dat maakt het al een stuk minder onbegrijpelijk dat de Talibaan door de hele Frontier Province mogen opmarcheren zonder dat het leger ze stopt. Zodra de Amerikanen grondtroepen naar binnen zullen sturen, is het nu een stuk moeilijker door die haag heen te dringen.

Het Pakistaanse leger wijst iedere kritiek stelselmatig af en stelt dat aan zijn inzet niet valt te twijfelen. Al 1.500 manschappen sneuvelden sinds 2001. Toch blijven beschuldigingen aanhouden, onlangs nog expliciet door de Amerikaanse topmilitairen generaal David Petraeus en admiraal Mike Mullen, tevens voorzitter van de verenigde chefs van staven.

In Islamabad en legerhoofdkwartier Rawalpindi werd furieus gereageerd. Misschien ook omdat Pakistan met de rug tegen de muur staat, want terwijl de oorlog in Afghanistan doorsuddert in afwachting van de beloofde troepen, kiezen de Talibaan de verzwakte staat Pakistan als prooi. De vraag is hierbij niet zozeer of het Pakistaanse leger het wil opnemen tegen deze nieuwe Talibaan, maar of het dat nog kan. Op YouTube is een documentairefragment van het Arabische tv-netwerk Al Jazeera te zien waarin een Pakistaanse legereenheid zich in paniek terugtrekt met tanks en helikopters om te ontsnappen aan voetsoldaten van de Talibaan. Een incident is het niet. In de tribale regio’s Waziristan, Bajaur en in de Swat-vallei konden de Talibaan niet verslagen worden en werden uiteindelijk ‘vredesovereenkomsten’ getekend.

The New York Times berichtte eind maart dat de Pakistaanse en Afghaanse Talibaan gefuseerd zijn om het verwachte offensief van Obama’s nieuwe troepen te bestrijden in Afghanistan. Ook zijn er berichten over nauwere samenwerking met de importmilitanten uit Oezbekistan, Algerije, China, Filippijnen en andere landen. Die explosieve cocktail wordt nog aangevuld door militanten die na de grote aardbeving van 2005 in Kashmir met trainingskamp en al werden overgeplaatst naar afgelegen districten in de Frontier Province. De aansturing en training van deze coalitie zou uitgaan van Al-Qaeda, met nieuwe keurtoepen voortgekomen uit de 055-brigade, de falanx van Osama Bin Laden die bij de offensieven in Afghanistan als extra stoottroepen fungeerden van de Talibaan. Dat er sprake is van coördinatie bleek afgelopen november bij de aanslagen in Mumbai door de LET, de Lashkar-e-Taïba, een groepje dat zich sinds begin jaren negentig richtte op guerilla-activiteiten tegen Indiaas gezag in Kashmir. De spanning tussen India en Pakistan liep weer hoog op, en Pakistan bracht troepen over naar de Indiase grens vanuit de Frontier Province. Daar waren tot dat moment de Talibaan behoorlijk in het nauw gebracht in het stammengebied van Bajaur. Door het vertrek van de troepen konden zij hergroeperen en hun recente veroveringen realiseren. Mumbai bleek een tactische meesterzet.

De samenwerking tussen militante groeperingen is echter niet van vandaag of gisteren. In Afghanistan in de jaren negentig zoemden de geruchten over trainingkampen met Tsjetsjenen, Algerijnen, Oezbeken en Bosniërs die net als Osama bin Laden ‘gasten’ waren van de Talibaan. De planning en strategie van de Talibaan kon onmogelijk komen uit een lemen hut in Uruzgan of Kandahar. Westerlingen lachten om de dwaze Talibjes. Een hulpverlener die met de Talibaan moest onderhandelen over zijn projecten vertelde hoe zijn gesprekspartner in kleermakerszit op een tafel zat, onderwijl met een groot mes zijn teennagels schoonpeuterend. In Kabul liepen jonge Talibjes met vlasbaardjes en grote verbaasde kinderogen. Ze wisten zeker dat het ministerie van Telecommunicatie het allerhoogste gebouw ter wereld was.

Maar de Afghanen lachten niet. Ze zeiden dat er veel Punjabi’s uit het oosten van Pakistan bij het Talibaan-voetvolk liepen, en er verschenen ook al enkele stuurse jongens uit steden als Manchester en Leeds, die met een Noord-Engelse tongval de Westerse hulpverleensters afbekten. Zij bonkten met hun kalasjnikovs op de voorruit van de auto als zo’n vrouw het in haar hoofd had gehaald naast de bestuurder voorin, – of nog erger, achter het stuur – te gaan zitten. Wij dachten dat die jongens uit verveling waren gekomen omdat ze toch geen vrouw konden krijgen. De volle betekenis van al die aanwijzingen drong nog niet door.

Dat de Talibaan geschapen zo niet gezoogd werden in Pakistan, was wel vanaf het begin duidelijk. In oktober 1994 wilde ik met een filmploeg de Pakistaans-Afghaanse grensovergang bij Chaman/Spin Boldak oversteken, maar we werden tegengehouden: de Talibaan begonnen net die dag aan hun opmars. Kwamen ze toen al de grens over naar Pakistan? Nee, ze gingen de andere kant op. Hun eerste opdracht was het beveiligen van een konvooi handelswaar. Ze werden gefinancierd door Pakistaanse zakenlieden uit provinciehoofdstad Quetta, die graag handel wilden drijven met Centraal-Aziatische landen. De toenmalige premier Benazir Bhutto vond dat een heel goed idee. Vervolgens namen de Talibaan Afghanistan in. Bij ieder offensief van de Talibaan waren busladingen vol jongens uit de koranscholen in Pakistan de grens overgegaan. Ook in die tijd probeerde niemand hen tegen te houden. Veel Afghanen vinden dan ook dat de NAVO-troepen in het verkeerde land zitten.

Na 11 september 2001 stond ik met andere journalisten in de rij voor een visum bij de Talibaan-ambassade in Islamabad. De cynische grappen waren niet van de lucht. Nu zouden de Talibaan wel ‘naar huis komen’ in Pakistan.

Thuis of niet, waarom laten Pakistanen zich dit welgevallen? De burgerregeringen van de Bhutto- en Sharif-clans hadden en hebben hun machtsbasis in feodale cliques. Ze hebben keer op keer teleurgesteld door wanbeleid en corruptie. President Zardari biedt weinig hoop op verbetering. Toen begin dit jaar tientallen aanslagen plaatsvonden in de steden en aan de grens, en een vaste hand van ’s lands leiding meer dan nodig was, vond hij het belangrijker om een poging te doen de politieke macht van rivaal Nawaz Sharif te breken. Kom bij een Pakistaan dus maar niet aan met praatjes over democratie.

Ruim zestig jaar na het ontstaan van Pakistan is zelfs de macht van de grootgrondbezitters nog altijd ongebroken. Veel Pakistanen werken al generaties lang als horigen of zelfs als slaven, hun kinderen worden met een torenhoge schuld geboren. Geen enkele regering heeft hun lot verbeterd. De Talibaan wel, zo berichten de Pakistaanse kranten uitvoerig. Hun zegetocht door de Swat-vallei is niet alleen verkocht als heilige oorlog, maar ook als klassestrijd. Eerst werden de landeigenaren op de korrel genomen, vervolgens werden lokale milities samengesteld uit de kanslozen in die gebieden.

Van westerse regeringen, de predikers van democratie, wordt evenmin iets verwacht. Al twee keer hebben die een Pakistaanse militair dictator zijn gang laten gaan over de ruggen van de bevolking heen. In de jaren zeventig was Zia ul-Haq even een paria, totdat de Sovjets Afghanistan binnenvielen. Daarna werd hij onze beste vriend en werden de gelden en wapens voor de opstand tegen de Sovjets blind aan de generaal overgeboekt. Die bewapende de moedjahediengroeperingen via de beproefde verdeel-en-heers-tactiek en kweekte tegelijkertijd militante groeperingen die in Kashmir konden opereren. Dankzij de globalisering hebben die nu de hele wereld tot werkterrein.

In 1999 kwam Musharraf aan de macht. Opnieuw deed het Westen alsof het principes had die het onmogelijk maakten met de ongekozen generaal/president om de tafel te gaan zitten. Tot de aanslagen van 11 september. Daarna mocht Musharraf gerust de invloed van het leger vergroten, zozeer zelfs dat ook na zijn aftreden pogingen van Zardari om de militaire inlichtingendienst ISI, (de dienst met de ‘elementen’ die de Talibaan steunen) onder controle te krijgen van het ministerie van Binnenlandse Zaken, mislukten. Zo zijn de verschillende periodes van militaire overheersing door het leger gebruikt om het maatschappelijk middenveld steeds verder te verzwakken. Het leger zelf drong steeds verder door in allerlei segmenten van de samenleving. Het leger is grootgrondbezitter, handelaar van formaat en diep ingegraven in corporate Pakistan. Het bestiert gasbedrijven, tabaksfabrieken, zit in de mais en suiker en textiel. Of zoals ze in Pakistan met een scheef lachje zeggen: andere landen hebben een leger, ons leger heeft een land.

Terwijl de grootste politieke partijen uitgeschakeld waren door de ballingschap van zowel Bhutto als Sharif, ging Musharraf allianties aan met religieuze partijen die sterke banden hadden met de Talibaan. Dat gebeurde na gedane beloftes om extremisme een halt toe te roepen en ondanks de toezegging de madrassa’s (koranscholen, red.) aan te pakken, steeg het aantal dramatisch: van 6.996 in 2001 tot 13.470 in 2007, aldus het ministerie van Religieuze Zaken. Op zich geen wonder, want volgens Unicef besteedde Pakistan jaarlijks slechts 1 procent van het nationaal budget aan openbaar onderwijs; veel koranscholen hebben wél geld voor vloerbedekking, eten en verwarming. Verschillende keren bezocht ik de dorpsschool in Dagai, in het gebied waar de Talibaan schaamteloos hun wapens paradeerden. Het schooltje verkeerde in abominabele staat. Het dak lekte en de muren waren zo vochtig dat het water in straaltjes naar beneden liep. Jarenlang veranderde er niets. De leerlingen zaten op jutezakken op de grond en brachten elke maand 2 roepie (2,5 eurocent) mee voor de elektriciteit die werd afgetapt uit het huis van de conciërge. Tweehonderd meter verderop stond een mooie, nieuwe madrassa.

Uiteindelijk leveren die koranscholen een religieus lompenproletariaat af dat op zoek gaat naar middelen van bestaan. Winkeliers in Karachi wordt beschermingsgeld afgetroggeld en in de stammengebieden van de Frontier Province worden families voor de keuze gesteld: of 9000 roepie per maand betalen (bijna 100 euro, meer dan een gemiddeld maandinkomen daar) of een zoon afstaan aan de Talibaan-beweging. De Sikh-gemeenschap in de tribale regio Orakzai moest zelfs 20 miljoen roepie betalen, een ‘verzekeringspolis’ om te mogen blijven. In Swat, waar de sharia nu wet is met goedkeuring van de federale regering, geldt eveneens het aloude Watergate-devies van Follow the money: een nieuwe drugsroute voor de opium uit Afghanistan naar China voert precies door de gebieden heen die veroverd zijn door de Talibaan.

Voor de stelselmatig onderschatte Talibaan bleek het betrekkelijk eenvoudig om in de stammengebieden van de Frontier Province terrein te winnen. De Britse doornenhaag tegen de Russen werd na de onafhankelijkheid van 1947 gehandhaafd, vooral om het gebied te kunnen gebruiken bij conflicten met Afghanistan of India. Dat leidde tot bittere armoede voor de bewoners en een alfabetiseringsgraad van 17 procent, vergeleken met 44 procent voor heel Pakistan. In de stammengebieden heersen de political agents, aangesteld door Islamabad, als absolute vorsten met de macht om de wet naar eigen goeddunken toe te passen. Hele families verdwijnen achter de tralies en complete dorpen worden voor straf platgebuldozerd wanneer de stammen zich misdragen.

De Talibaan maken er korte metten mee. Eerst werden honderden stamhoofden op brute wijze vermoord. Niemand kwam de stammen beschermen. Tegelijkertijd zetten de Talibaan een parallelle structuur op voor de falende staat. Zo werd het machtsvacuüm door de militanten opgevuld. Arme sloebers die al decennia lijden onder corruptie en wanbeleid, wordt door de Talibaan recht, vrede en financiële voorspoed beloofd. Zie er maar eens een speld tussen te krijgen. Studenten aan de Universiteit van Peshawar vertelden me dat hun bewondering voor het leger was omgeslagen in bittere teleurstelling, wantrouwen en haat. Die haat jegens het leger, de staat en jegens de buitenlandse mogendheden die nu als veroorzakers van de oorlog worden gezien, heeft niet bij iedereen maar wel in alle sociale klassen van Pakistan voedingsbodem gevonden. Belangrijkste oorzaak zijn de aanvallen van het leger op de stammengebieden en de stille goedkeuring ten aanzien van Amerikaanse raketbeschietingen vanuit onbemande vliegtuigjes. Vanuit de Pakistaanse (of Afghaanse) burger gezien, zijn die beschietingen niet minder laf dan het afschieten van een raket op Nederlandse militairen die in de rij staan in de kantine van Kamp Holland. Er zijn honderden burgerdoden gevallen door het geweld in de Frontier Province. Vele tienduizenden mensen zijn inmiddels gevlucht. Vorige zomer spraken de studenten over revolutie en zij verwezen nog naar Marx, en Frankrijk in 1789. Maar voor valse romantiek is hier geen plaats. Er komt geen revolutie naar westers model: het platform voor sociale verandering wordt door de Talibaan geboden.

Beleidsmakers moeten nu rekening gaan houden met het ondenkbare. Bij een implosie van de staat Pakistan kunnen Amerika en India door de aanwezigheid van kernwapens niet afzijdig blijven. Niemand kan voorspellen hoe dat scenario zich zal ontwikkelen. Een split in het leger? De Balkanisering van Pakistan? We weten het niet.

De grootste terroristische aanslagen van na 9/11, zoals die in Madrid en Londen, hadden links met Pakistan. President Zardari merkte dus terecht op dat verdere destabilisatie van Pakistan voor de hele wereld gevaar oplevert. Wat Afghanistan betreft, ook al glimmen we van trots als Hillary Clinton en The Economist vinden dat we het goed doen; de defence-diplomacy-en development-strategie in Uruzgan lost structureel niets op. Het mag duidelijk zijn dat de opstand in Afghanistan door zal gaan als er geen einde komt aan de steun voor de Talibaan in Pakistan.

Op nrc.nl/discussie kon gereageerd worden op dit artikel. Vrijdag 1 mei heeft Antoinette de Jong, na het lezen van de reacties, een vervolgstuk geschreven.

Antoinette de Jong is journalist. Ze doet sinds 1993 verslag over de regio Afghanistan en Pakistan voor o.a. NRC Handelsblad en de VPRO

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie