6+5-regel betaald voetbal botst met Europees recht

Door Stefaan Van den Bogaert

Een interview met mij over de invoering van de 6+5-regel, die inhoudt dat minstens zes voetbalspelers uit eigen land moeten komen, leverde op nrc.nl/discussie interessante reacties op. Het recht op gelijke behandeling en het recht op vrij verkeer zijn in het geding.

Antje Hages vroeg zich eerst en vooral af of dergelijke regels beperkt blijven tot het voetbal. Dat is niet het geval. Ook in andere sporttakken vinden we nog steeds regels terug die beperkingen opleggen met betrekking tot het aanwerven en/of opstellen van buitenlandse atleten, zoals ook Eite van der Veen terecht opmerkte.

Alleen is het zo dat Koning Voetbal nog steeds het leeuwendeel van de aandacht in de media wegkaapt. Maar laat één ding duidelijk zijn: in de andere professionele sporttakken, of dat nu volleybal, basketbal of hockey is, gelden de Europese verdragsregels inzake het vrij verkeer van personen evenzeer als in het voetbal. Als een regel uit het American Football in Duitsland effectief voorschrijft dat clubs tijdens officiële wedstrijden maximaal vijf niet-Duitsers mogen opstellen, dan gaat het ook hier in beginsel om een ontoelaatbare inbreuk op het discriminatieverbod op grond van nationaliteit.

Vervolgens stelde Liudger Silva de vraag waarom er dan alleen Nederlanders opgeroepen worden voor het Nederlands elftal. Alexander Hoogenboom had het helemaal bij het rechte eind toen hij opmerkte dat deze op zichzelf natuurlijk ook discriminerende praktijk vooralsnog door het Europees Hof van Justitie steevast ongemoeid gelaten is.

Er lijkt momenteel ook geen maatschappelijk draagvlak voorhanden te zijn om in die positie enige wijziging aan te brengen. Niets staat er evenwel aan in de weg dat daar in de toekomst mogelijk toch verandering in komt. De suggestie van Sjef Jansen, dat ook spelers die reeds een bepaalde tijd woonachtig zijn in een bepaald land en uitkomen voor een club in de nationale competitie geselecteerd kunnen worden voor het nationaal team, is dan helemaal niet ondenkbaar. Maar dat is dan alweer een geheel ander verhaal...

Sander Willemsen en F. Kriellaars wijzen op het subtiele onderscheid dat het Hof van Justitie maakt tussen puur sportieve regels, die door de sportfederaties autonoom kunnen bepaald worden en waar de EU niet in tussenkomt, zoals het feit dat voetbal met 11 spelers gespeeld wordt of dat ieder elftal met slechts één doelman aantreedt, en regels met economische implicaties die wel aan Europese voorschriften onderworpen zijn, zoals de 6+5-regel. De Europese regels die hier in het geding zijn, met name het recht op gelijke behandeling op grond van nationaliteit en het recht op vrij verkeer, zijn overigens reeds neergelegd in het oorspronkelijke EEG Verdrag van 1957, dat in tegenstelling tot wat F. de Vries beweert, destijds wel degelijk door de verschillende nationale parlementen is goedgekeurd. H. van Bitterswijk lijkt ook niet echt overtuigd dat de 6+5-regel de betrokkenheid van de supporters bij hun club zal vergroten of de lokale identiteit van het team zal versterken. Als de 6+5-regel toch ingevoerd wordt, zal het waarschijnlijk inderdaad op andere gronden zijn.

Anderen, zoals Christiaan van Hasselt of Gerard van Wilgen, zoeken in het land van Uncle Sam naar alternatieve oplossingen voor de problemen van de falende jeugdopleiding of het gebrek aan spankracht tijdens sportwedstrijden. Zij hebben het ondermeer over het Amerikaanse ‘draft’ systeem of over ‘salary caps’. Ton Doesburg ziet dan weer meer heil in het oprichten van een Benelux-competitie. Dit zijn ongetwijfeld allemaal interessante suggesties, die evenwel meteen een reeks andere Europeesrechtelijke, ditmaal hoofdzakelijk mededingingsrechtelijke, vragen doen rijzen.

Of de 6+5-regel er daadwerkelijk komt in het voetbal, is vandaag nog onzeker. Het huidige Europese verdrag lijkt geen opening te bieden. Het valt ook niet onmiddellijk te verwachten dat het Hof van Justitie het Bosman-arrest zal herzien. En dat de Europese regeringsleiders op dit punt sport een uitzondering willen toekennen op het Europees recht is al helemaal onwaarschijnlijk. Maar één ding is wel zeker: hierover is het laatste woord nog niet gezegd.

Stefaan Van den Bogaert is een Vlaamse hoogleraar Europees Recht

U kunt hier reageren op deze reactie.

Gepubliceerd in:
Opinie